Geen vrede door geweld.

Israël

Soms ben ik jaloers op de Dalai Lama. Hij strijdt voor een land, en hij strijdt “aan de goede kant”. Hij is het slachtoffer. De daders zijn anderen. Hij roept op tot een geweldloze overwinning bovendien. Het maakt zijn glimlach oprecht en zijn boodschap van vrede en verlichting geloofwaardig. Misschien komt het door de afstand en is mijn blik daardoor niet scherp, maar hij lijkt niet verstrikt in macht.

Ik ben christen. Ik sleep tweeduizend jaar narigheid met mij mee. Nou ja, beetje overdreven misschien, maar toch: de kruistochten werden niet door animisten uitgevoerd en de boeddhisten waren niet de bedenkers van het antisemitisme. Nee, dat waren wij.

En in onze tijd zitten we vastgeklonken aan de strijd van Israël. Alles wat wij, christenen, over G’d zeggen, hebben wij immers van de Joden geleerd. Hoe wij aankijken tegen verantwoordelijkheid, recht, individualiteit, geschiedenis: zonder de Joden hadden wij anders gedacht. De schoonheid van de Psalmen leerden wij van hen. De diepte van de verhalen, Sara, Abraham, Jakob en Esau, Ruth, Saul, David, Debora, Tamar en al die anderen, hoorden wij van hen. Wij zijn aan hen schatplichtig. Ondanks onze meningsverschillen. Wij zijn aan hen verbonden, onlosmakelijk.

De Joden strijden óók voor hun land. Maar in niets lijken zij het slachtoffer. Dit keer niet. Het enorme geweld waarmee de Gazastrook wordt aangevallen, de overvloed aan indrukwekkende beelden; Palestijnse vrouwen, mannen, vaders, moeders die huilen om hun gedode kinderen – het schroeft je de keel langzaam dicht. Welk goed doel wordt hier mee gediend?

Er zijn christenen die aan de benauwdheid ontsnappen door te wijzen op de Bijbelse teksten. Er zijn landbeloften! G’d heeft ooit beloofd dat zijn volk zal terugkeren op de plek waarvandaan het verdreven werd. “Die tijd”, zeggen zij: “is nu.” Het recht van strijden ligt volgens hen in de opdracht van G’d om de vijanden uit het land te verdrijven. De Kanaäniet toén. De Palestijn vandaag.

Ik kan er niet mee uit de voeten, met deze uitleg. Als wij geloven dat Christus het volkomen offer was, hoe kunnen wij dan ooit nieuwe offers verantwoorden? Ik begrijp dat niet. In Christus is de geschiedenis omgedraaid, zeggen christenen, wij hebben onze schuld gezien, ons geweld en we zijn ons kapot geschrokken: op die weg niet meer verder. We hebben ook de liefde gezien waarmee ons leven wordt gevoed en gevuld en we dachten: dat wordt onze weg. Ik zeg het een beetje houtje-touwtje, en ik weet dat Christus nu juist een punt van vervreemding is tussen Joden en christenen: het gaat mij er om, wat christenen zeggen. Ik leef in verbondenheid met Israël, ook met de politieke staat Israël. Ik leef in verbondenheid met de Joden. Maar ik kan niet leven in verbondenheid met het geweld dat de staat Israël nu uitoefent.

Ik hoor Uri Avnery nog zeggen, op de Kerkendag in Utrecht meer dan tien jaar geleden: ‘er komt een dag, waarop de Israëli hun ramen opendoen en tegen hun buren zeggen: we zijn moe! We willen niet meer! Laat er vrede zijn! Er komt een dag, waarop de Palestijnen hun ramen openen en zeggen: “ook wij zijn moe! Laat er vrede zijn!”

Misschien kan alleen dit ons antwoord zijn: Israël, je beschadigt jezelf als je doorgaat met dit geweld. En je bereikt niet wat je ten diepste wilt: veilige grond. Je voedt je vijanden meer en meer jouw vijanden te zijn.

Misschien kunnen we dit van de Dalai Lama leren: vrede kan pas vrede zijn als je je geweld verlaat.

Advertenties

De geit van Jan Mankes. Haar vrede.

656951b9-d589-4b9a-b220-dcc4eb362fb5_GeitIn 1914 schilderde Jan Mankes een geit. Hoog op de poten, schitterend wit en met ogen om in te verdwalen. Het was het eerste oorlogsjaar. Mankes was zich daarvan bewust. Hij schreef aan een vriend: “Wij gaan moeizame tijden tegemoet.” Willem van Toorn schreef, ruim tachtig jaar later, een gedicht over het dier. Hij beschrijft haar, zoals wij haar op het doek zien. Hij schrijft haar los van het doek en wekt haar weer tot leven. Zij staat in levende lijve voor ons. In al haar rust. Zij is tevreden op de plek waar zij staat. Al zou zij ook ergens anders kunnen zijn. In een stal met hooi en een vrouwenstem die haar roept. Ze blijft waar ze is. In heelheid met zichzelf en haar omgeving.

Het is 1914. In Europa wordt zwaar gevochten. Jonge mannen worden opgeroepen voor de oorlog. Ze sterven. Miljoenen gebroken levens. Honderdduizenden zullen zwaar gehavend van het front terugkeren. De bommen dreunen nog in hun oren, de modder, het bloed, de regen hebben zich in hun ogen geëtst.

Het is niet de wereld van de geit. Zij is wit. Zij kijkt ons aan.

Vandaag gedenken wij hoe 95 jaar geleden de “Grote Oorlog” werd beëindigd.

Je vraagt je af: waarom begonnen we haar ooit? En waarom beginnen we de oorlog steeds en steeds weer?

Jan Mankes

Geit,

 

Zo hoog in beeld staat ze dat wij van onder aan

een kleine helling naar haar kijken, een lage wal

tussen bosrand en veld. Drie berken staan

voor avondlijk land achter haar. Er zal

 

een huis nabij zijn, Een geurende stal

en herfstig hooi. Een vrouwenstem die haar roept

Maar naar dit ander leven wil zij niet toe,

zij wil daar staan, voelend hoe de avond valt,

 

en louter wit zijn, tot haar oren toe

die net binnen de lijst passen. Haar ogen,

als van het meisje dat ze ook is, geloken

maar waakzaam onder de blik die zij vermoedt

van de onbescheiden kijkers die wij zijn.

 

1914. Haar aarde is niet de onze,

waar juist dit jaar het moorden is begonnen

dat ons lat bloeden uit miljoenen wonden,

Zij staat in onze droom van vrede. Zij kijkt ons aan.