Valse hoop bestaat niet.

Het is een nuttig woord gebleken voor allen die tegen een verruiming van de asielwet zijn: valse hoop. Neemt iemand het op voor vluchtelingen, dan is dit stopbord gauw neergezet. “We gaan ze halen”, de actie van Rikko Voorberg om naar de vluchtelingenkampen in Griekenland te reizen, kreeg het te horen: “Jullie geven valse hoop!” De kerkdienst in de Haagse Bethelkapel. “Valse hoop!”  De inzet voor vluchtelingen uit Azerbeidjan: valse hoop! Voor vluchtelingen uit Armenië: valse hoop!

Een mooi woord om de ander weg te zetten als dom en naïef.

Volgens mij kun je de valse-hoop-troefkaart alleen inzetten bij wanneer iets groter is dan jijzelf. Een arts die weet dat je niet meer geneest, geeft valse hoop als hij het tegenovergestelde beweert. Je zegt: “Ik zal voor altijd bij je blijven.”, terwijl je wéét “ik hou niet van je”,  dán geef je valse hoop. De werkelijkheid is onbuigzaam, maar jij doet alsof je toch met je handen buigen kunt.

De asielwet is niet groter dan wij. Hij is geschreven door ons. Elke wet is door mensen bedacht. Uitzonderingen zijn niet te maken, wellicht. Maar iets anders bedenken kan natuurlijk wel. Het waren geen goden die zeiden: trek grenzen en houd mensen daarmee van elkaar gescheiden.

Wanneer de bedenkers van de wetten zeggen: “Geef geen valse hoop!”, dan verschuilen ze zich. Achter hun verantwoordelijkheid. Ze doen alsof er geen keuze is. Alsof het nu eenmaal zo is dat wij hier wel mogen wonen en zij niet. Alsof ook vanuit het universum gegeven is wie “wij” zijn en wie “zij”. Het zijn stuk voor stuk ontwerpen die wij zelf hebben gemaakt. Waarvoor wij dus verantwoordelijkheid dragen.

De enige goddelijke wet die ik ken luidt: heb lief. De wees, de weduwe en de vreemdeling. Wees gastvrij. Getuig van de hoop die in u is. Geef niet op.

Met die wet begint een avontuur. Vol vragen, waarop het antwoord pas gegeven wordt, zodra het gegeven wordt. Wie komt er dan bij ons wonen? Dat weet je pas als je het weet. Hoe wordt ons land dan? Dat weet je pas als je het weet. Wat ìs gastvrijheid? Moet dan iederéén hier komen? Wanneer zeg je dan nee?

Misschien kan een staat niet met deze openheid leven, maar als wij dat nou zelf wel zouden kunnen?

Met verbazing hoorde ik de afgelopen maanden dominees zeggen: die kerkdienst in Den Haag – als het nou allemaal mislukt, hoe beëindig je die dan? Waarom wel dit gezin en geen ander?

Ik dacht: dat zijn nou precies de vragen van het geloof. Je weet het niet.

Inmiddels weten we het wel. Hoe het is afgelopen. Het is een beetje gemakkelijk om nu mijn gelijk binnen te halen. Zo van “zie je wel?”

Het is ook te vroeg om mijn gelijk binnen te halen. Ik ben er nog helemaal niet gerust op. Wat gaat Harbers doen? Schuift hij de zeshonderd “schrijnende gevallen” vooruit? Wacht hij totdat we even niet opletten? Stuurt hij ze tijdens onze zomervakantie alsnog het land uit?

De VVD voorzegt “een nu echt keihard en radicaal asielbeleid”. Om te beginnen, nemen we volgend jaar 250 minder asielzoekers op.

Ik protesteer daar nu alvast tegen. Ik begin mijn éénmans-actie “Valse Hoop!”. Want als er één ding is gebleken, ook buiten het geloof, dan dit: valse hoop kan soms zomaar echte hoop blijken te zijn. Omdat het mensenwerk is.

Advertenties

Moest Jezus dood?

kreuzigung_isenheimer_altarVerliep de kruisiging van Jezus volgens plan? De meeste kerkvaders leggen het zo uit. Pardon; allemaal. Ze zeggen allemaal: God had van te voren vastgesteld dat Jezus zou worden gekruisigd.

Maarten t Hart schiet nog altijd van pure ergernis uit zijn sokken, als hij deze redenering hoort. Hij is de enige niet. Ik krijg het er ook nogal benauwd van. En de gedachte, dat God hiermee een meedogenloze regisseur wordt is dan nog niet eens het grootste struikelblok. Er is veel wat ik niet begrijp. Ik begrijp G’d nog wel het allerminst. Dus, wie weet. Pijnlijker vind ik, dat het lijden van Jezus hiermee iets nepperigs krijgt. Iets “het-is-niet-ergs’-achtigs. Wat het zwartste is, het doden van een mens, wordt ineens ‘de bedoeling’. Ik kan mij daar niets bij voorstellen. En al helemaal niet, wanneer het in verband wordt gebracht met lijden van mensen om ons heen. “God wil het zo” stond er eens in dikke, uitgebeitelde, letters op een grafmonument voor een kind van zes. Een traktor had hem doodgereden. Nou, geef mijn portie dan maar aan Fikkie. Lijden is nooit, ik herhaal, nooit te vergoelijken of te verfraaien. Apokriefe brief van de heilige apostel Sybrand. Lijden heeft maar één mogelijk antwoord: dat ik er bij blijf. Dat iemand er bij blijft. En naar het appèl luistert.

Toch schrijven de evangelisten ook zoiets van “het moest”. “Dei” in het Grieks. Hier, bijvoorbeeld. Voor de meesten zal het woord niet zoveel zeggen, maar op theologen heeft het woord hetzelfde effekt als het woord “zwam” op makelaars. Foute boel. Opletten hier. Dei, zo spuwen alle naslagwerken hun kennis, is een werkwoord dat er op duidt, dat God hier aan het werk is.

Ik word er niet vrolijk van. Zijn wij domme poppetjes op het strijdtoneel? Stromannetjes? Stellen wij niets voor?

Onze ervaring is het in elk geval niet. Wij maken nogal wat werk  van ons bestaan. Een misselijke grap? Wij denken iemand te zijn, maar we zijn niemand? Mag ik Buddist worden? Of is dat geen verbetering in dezen? De bijbel neemt, over het algemeen, ons aardse mens-zijn nogal serieus. Met onze huid, en warmte, en haren in het afvoerputje.

Ik kijk nog eens naar de kerkvaders. Zij schreven in een tijd, dat christenen nog steeds over de kling werden gejaagd. Of in elk geval voelden zij nog de brandwond van de herinnering aan de vermoorde christenen nog in hun ziel. Niemand was bij machte geweest om de keizerlijke furie te doven. Het gevaar was een onvermijdelijk deel van hun bestaan.

Als je zegt dat “God” iets doet. In elk geval zit er de erkenning in, dat je er zelf niets aan had kunnen veranderen. Je draagt er geen schuld aan. “God”, op die manier gedacht is dan de laatste beweegreden. Niet meer te bevragen. Het is zoals het is. Verhipte dicht bij die moeizame naam JHWH. Ik zal zijn die ik zijn zal.

Er is ook veel dat niet is, zoals het is. Waar speelruimte voor mij in zit. Maar wat doe ik met de dingen die wel zijn, zoals ze zijn, amen en klaar? Mijn eigen bestaan, bijvoorbeeld? Vanaf het moment dat ik er was, was het onvermijdelijk dat ik er was. ‘En niemand vroeg of dat wel een leuk cadeautje was”, zingt Herman vanVeen sip. Vanaf het moment dat ik mijn studie af had, was het onvermijdelijk dat dit mijn studie was. Damn. En toen ik ruzie kreeg met mijn buurman, had ik onvermijdelijk ruzie met mijn buurman. Niet alles is mijn schuld.

De schrijvers van Jesus Christ Superstar doen iets opvallends, als zij Jezus laten bidden in Gethsemane. Het lijkt zo’n depressief gebed: doe mij maar weg. U hebt gewonnen. De schrijvers van de film voegen er een flinke drup woede aan toe. En passie. Was dit Uw bedoeling, G’d? Dat ik dood zou gaan?  Nou, goed dan, dan ga ik dood. Maar U kijkt toe! Hoort u? Heb niet het lef om weg te kijken. Dan zult u ook zien wat u aanricht!

Het lied laat mij verbluft achter. En met adrenaline in het bloed. Jezus staat op tegen een “God die het zo zou willen” en zijn verzet ligt hem erin, dat hij het doen gaat. Wow. In een soort verdwaasde boost pakt hij het onvermijdelijke op. En maakt er zijn leven van.

Abel Herzberg heeft gezegd, zo hoorde ik deze week: “Bewaar in alle omstandigheden je menswaardigheid.” Dat God iets wil, zou wel eens het laatste zetje kunnen zijn om zijn raad op te volgen. Want soms lijkt God wel gek geworden.