Luister, ik zeg niet wat ik zeg.

Psalm 35 is er een van het betere gooi- en smijtwerk. David, of iemand die zijn naam heeft geleend, bidt, roept, smeekt, eist om zijn tegenstanders tegen de vlakte te gooien. En dan bedoelt hij een vlakte waaruit nooit meer iemand opstaat.

We lazen het lied en voelden ons onhandig. Wat moet je hier nu mee? “Je moet G’d niet opzadelen met jouw problemen.”, zei iemand. Hij vond de psalmist laf. Hij moest maar eens met zijn tegenstanders gaan praten, of in elk geval zijn verantwoordelijkheid nemen. Als een klein kind naar G’d rennen, dat doe je niet.

“Nou”, reageerde iemand anders: “Ik kan mij wel in zijn woede inleven.” “Je kunt zó getergd zijn door anderen, zo verschrikkelijk gekleineerd worden, terwijl niemand om je heen merkt wat er gebeurt, dat je het ergste uitschreeuwt.” Ze vond het een nogal geruststellende gedachte, dat G’d zulke wensen toch niet vervult. Er zou geen mens meer recht overeind blijven, als Hij eraan zou beginnen. We staan allemaal wel bij iemand ‘op een lijstje’, tenslotte.

Een derde bracht in, dat je je donkerste gedachten kunt uitschreeuwen. Je kunt maar beter onder ogen komen wat er aan blubber in je wordt opgekookt. Schreeuwen tegen G’d is een betere oplossing tenslotte, dan met getrokken messen de ander te lijf gaan. En er daarbij ook nog van uit gaan, “dat je vanzelf in je recht stond.”

Zo spraken we over onze woede. En het geweld. Wat doe je ermee?

Eruit gooien is een therapeutisch betere weg.

En toen werd het stil.

We wisten niet zo goed meer wat te zeggen. En toch hadden we de indruk niet dichterbij de psalm gekomen te zijn.

Iemand begon voorzichtig. “Misschien gaat het niet over woede”.  Is dat alleen de buitenkant, de vorm. “Zou het ook kunnen dat er een heel ander verlangen achter schuilt?”, vroeg ze meer aan zichzelf dan aan iemand in het bijzonder. Zouden wij verlangen in boosheid omzetten? Is dat wat wij doen? En welk verlangen drijft dan deze psalmist?

“Hij wil gezien worden”, zei zij die las. “Zeg tot mijn ziel: zie Ik ben uw verlossing”, wees ze aan.

We dachten aan de vele keren waarop wij hadden geroepen: “Ben je nu pas terug! Wat ben je laat! Ik sta al een uur op je te wachten!” Terwijl wij hadden willen zeggen: “Fijn, dat je er bent. Ik had me zorgen gemaakt. Het gaat je goed, gelukkig.”

En dat was pas een piepklein voorbeeld. Wij zijn geen geweldige communicators. Wij vermommen ons boodschappen onherkenbaar.

Achter hoeveel verwijten schuilt een hart dat alleen is en gehoord wil worden?

De psalm bleef nog lang onrustig bij ons naschuren.

Advertenties

Zonder de ander valt er een stilte.

Jeroen Willems zag ik pas, toen hij al niet meer leefde. Hij speelde een verpletterende eenzaamheid. Je kon je niet indenken, dat zijn personage naar een ander verlangde. Wel dat de anderen naar hèm zouden verlangen. Gesloten mensen oefenen een enorme aantrekkingskracht uit. De omstanders, wij, kunnen blijkbaar met hun eenling-zijn niet leven.

Afbeelding_10

Ik zag hem niet in de film “Boven is het stil”. Het meeste van alles gaat aan je voorbij. Het origineel, een boek, is van Gerbrand Bakker. Dat boek las ik wel. Als een hoopgevend lichtpuntje van beschaving in mijn verder slechts matig ontgonnen landschap. Hij vertelt hierin de klassieke mythe van de gebroken helften die elkaar blijven zoeken. Zo verdichtten de oude Grieken ons bloedend hart: ooit was elk van ons met een ander één geheel. We rolden in die oertijd als wielen door het bestaan: rond en gelukkig. Maar we braken (ook de kinderen van Israël verwoorden een breuk!) en sindsdien rollen we niet meer. We strompelen door de velden. Op zoek naar de helft die bij ons hoort.

In loepzuivere zinnen etst Bakker het strompelen van Helmer in je ziel. Bakkers pen schrijft de winterkou om jou heen, als hij vertelt hoe Helmer de bomen knot. Je hoort hoe hij zijn door vorst bevangen neus ophaalt. Bakker zit zijn acteur dicht op de huid. Helmer is de man op wie het verhaal rust. Of misschien ook wel niet: en rust het eigenlijk op de ontbrekende figuur. Er ontbreekt iemand hartverscheurend. En het is zelfs mogelijk, dat het verhaal ook niet op hem, de verlorene, rust: het verhaal rust op het roepen naar wie ontbreekt. En wat een gat dat missen in je leven slaat. Het verlangen probeert het liefdevol, maar onbeholpen, te dichten. Het gemis blijft open staan. Tot in de laatste regel. Daar vindt  Helmer – nee, Helmer vindt niets, het wordt aan hem gevonden: daar vindt een stukje wiel hèm. Ze ademen samen.

Bakker laat het meeste ongezegd. En toch zou ik je de boerderij kunnen tekenen, waarin alles zich afspeelt. De twee ezels in de stal, de knotwilgen voor het huis, de vader boven op zolder. Hij had Helmers eenzaamheid kunnen verzachten, die vader. Als hij en zijn zoon elkaar verstaan hadden. Ze hadden elkaar opgesloten in de beelden die zij van elkaar hadden. Helmer dacht dat zijn vader een strenge rotzak was. Dat was hij óók, maar hij was nog zoveel meer. De vader dacht dat Helmer een halfzacht ei met homo-erotische trekken had. Dat leek misschien zo, het was slechts een deel van de waarheid. De broer die ontbreekt lijkt hun eigen kijken te hebben verstard. Ze zien elkaar niet meer. “Het lijkt hier 1969 wel”, zegt een jonge kanovaarder tegen zijn compaan als zij voorbij het huis varen. Argeloosheid had niet feller waar kunnen zijn.

Ik las het boek en het was of aan mij een broer ontbrak – wat niet zo is en toch ook wel. Ik dacht: houd dat gemis dan nooit op?

Nee.

Totdat we dood zijn. Dan missen we niks meer. En verlangen we niks meer.

Maar verlangen de andere naar ons. Zijn we zelf een personage van Jeroen Willems geworden.

Over: Boven is het stil, roman van Gerbrand Bakker