Buigen?

“Vroeg of laat krijgt God je op je knieën”

het zinnetje bleef als een wolk half-verbrande stookolie tussen ons in hangen.

We waren beiden in het ziekenhuis. Hij en ik. We speelden allebei onze eigen rol.

Hij: 89 en stervende.

Ik: een jonge, idealistische dominee.

Twintig jaar geleden.

Ik zou een traumaloze God verkondigen. Zo was ik in het ambt gestapt. Er waren al te veel levens platgewalst onder dominees-die-alles-wisten. Ik zou het zo niet doen: ik zou het leven verkondigen. En de vreugde. Ik wilde, dat mensen er zin an kregen. Aan het leven, aan zichzelf en aan elkaar. Bij mij zouden de lichtjes aan gaan. Dat stond mij helder voor ogen. Ik was zelf ontsnapt aan een God die “je uiteindelijk wel op de knieën krijgt”.

Ik voelde mij een hele piet met mijn vraag “Denkt u dat? Dat God je klein maakt?” Ik prees mijzelf heimelijk, hoe ik zocht naar een mogelijkheid om deze man te laten zien dat God je juist gróót maakt. Toen ik een meewarige blik ontving van hem. Tsja. Dat moest wel aan de zeventig jaar zware preken hebben gelegen die de arme man over zich heen had gehad. Dacht ik.

Het zinnetje is terug. Na al die tijd. Het is zomaar weer in mijn hoofd komen wonen. Ik kan de stookolie er nog steeds van proeven. Het onverteerbare van de constatering. Het pijnlijke. De teleurstelling die er in schuilt. Maar ik proef ook de kracht.

“Had ik de man toentertijd maar laten uitpraten”,  denk ik spijtig: “ik was misschien wijzer geworden.” Ik dacht dat ik hem iets te bieden moest hebben. Hij had mij iets te geven, begrijp ik nu. Ik nam het niet aan.

Had ik hem kunnen vragen naar zijn teleurstelling, dat hier zijn leven eindigen zou? Zijn schok, dat hij 89 was en niet meer de ‘man van vijftig’ die hij zich voelde? Had ik kunnen vragen naar de onmogelijkheid die hij voelde om zelfs maar het kleinste detail van zijn leven te kunnen wijzigen? Ik had het kunnen doen. Ik deed het niet. Omdat ik mijzelf al wijs achtte.

Ik ben twintig jaar ouder. Nu zit ik op een weg van “o, zo gaat het dus en nee ik heb er geen invloed op”. Niet dat er iemand dood gaat. Maar er is wel ziekte. In het leven van mijn man. En dus ook in dat van mij. Die ziekte vreet steeds dieper naar binnen.

Jaren lang hielden wij hem klein. Door hem een hoekje aan te wijzen, er een hek om heen te zetten, en verder zo veel mogelijk ons eigen plan te trekken. We gingen naar de opera, we lachten, we hadden vrienden om ons heen, we genoten van de kerkgemeenschap, we waren blij met onze familie. Het leven stroomde naar ons. Al was het op sommige dagen alleen door het piepkleine gaatje van bijvoorbeeld een koolmees-voor-het-raam.

De ziekte kroop bij ons op schoot. Legde zijn kouwe, blauwe vingers in onze nek. Blies ons in ons gezicht.

Je kan lachen wat je wilt. Je kan bidden wat je wilt. Je kan je kop in zand steken, als je dat wilt.

Toch zit hij daar. Op schoot.

“vroeg of laat….”

 

Mijnheer Nederlof. Oude, wijze mijnheer Nederlof; was ik maar aan uw voeten gaan zitten, toentertijd. Om te luisteren.

Nu moet ik het wiel zelf uitvinden.

De afgelopen weken heb ik dit begrepen: leef je leven. En laat het je niet afnemen, niet verminderen, niet beschadigen. “De dood zal de krassen van mijn nagels op zijn smoel hebben staan”,  zei eens iemand anders: “omdat ik zo voor mijn leven heb gevochten.”

Maar ja. Soms is er niets om voor te vechten. En dan? Mijnheer Nederlof had gelijk: dan moet je buigen. Erkennen dat is wat is.

Goed. Buigen dan. Maar buigen zal ik pas als alle andere mogelijkheden zijn verdwenen. En dan nog… Niet als een geslagene zal ik buigen. Niet als een overwonnene. Ik zal buigen als een trotse. Dat de ander voelt: mijn kracht. Mijn bestaan.

God zal weten, wie ik ben.

En dan maar hopen, dat er geen wijsneus van een dominee aan mijn bed komt.

 

Advertenties