Je leven, een succes. Over psalm 128

In wat voor sprookjeswereld leeft die dichter van psalm 128 eigenlijk? Heeft hij het echt zo ervaren? Dat, als je de Heer maar vreest, alles lukt? Het leven wordt voorgesteld als gemakkelijk, glossy en fabulous: als je de sleutel daartoe maar vindt. Easy as cake.

En waarom in den vrede is het lied zo exclusief mannelijk? Het lijkt hier “In de ban van de ring” wel. Ook geen vrouw te bekennen. Allemaal mannen die heldendaden verrichten. En àls er een vrouw optreedt, dan als de schone, de te winnen, de te beminnen vrouw. Wat een rolverdeling zeg! Van een tiener. Een naïeve tienerjongen die zijn plek in het leven nog niet heeft gevonden en die zijn onzekerheid daarover verbergt achter een strak wereldbeeld: hij gaat het maken. De rest zal het eens zien. En ondertussen sneu je puistjes tellen voor de spiegel.

Vergeleken met de man uit psalm 128, ben ik maar een modderaar. Bij mij lukt niet zo veel. Ja, een taart soms. Maar zodra het slechts een béétje ingewikkelder wordt, ontbreekt er altijd iets aan. Ik ben niet de succesvolle dominee die ik ooit hoopte te zijn. Ik heb de verandering in de kerk niet teweeg gebracht. Ik heb niet eens de gemeentes die ik diende veranderd. Ik deed wat ik deed en soms was dat goed. En soms leek het niet zo veel. Aan mijn tafel geen vruchtbare vrouw (als een wijnstok! Notabene). En naast mij geen zonen als olijfloten. Welvaart, dat heb ik wel. In overvloed. Maar of ik die welvaart kréég? Ik vond haar. Ik had er geen recht op dankzij mijn zo grote vreze voor de Heer, of wat dan ook.

en Geluk?

tsja. Wat is geluk?

In de psalm is de huiselijkheid treffend. Het geluk schuilt blijkbaar niet in de grote zaken. Er worden mij geen luchtkastelen toegezegd, geen jacht in Saint Tropez, maar wel een vrolijk huis waar de lamp ’s avonds boven tafel brandt. Dat vind ik ontroerend. Misschien is de psalm ook wel een tienerdroom: ik wil een vrouw, een man, ik wil kinderen en ik wil dat mijn werk zinvol is. In de jaren tachtig vonden we dat maar burgerlijk en truttig. Nu noemen we het half-spottend: coccoonen. Dat we ons als een rups inspinnen tussen onze vrienden en familie tegen de boze buitenwereld. De psalm bekleedt de binnenwereld echter met al onze gewone-mensen-wensen.

Je merkt hoe fundamenteel je naar een stevig huis verlangt, zodra er iets aan ontbreekt. Niemand lijdt aan het gemis van een auto. Het kan vervelend zijn, maar zielepijn lijdt je er niet aan. Mensen kunnen wel lijden aan het gemis van een man of een vrouw naast hun zijde. Ze lijden er aan, wanneer hun man, hun vrouw ziek is. Je fundament breekt, wanneer zij sterft.

Het verdriet, wanneer er geen kinderen komen, is onuitspreekbaar. Zo groot. Mensen hebben veel tijd en energie nodig om hun leven vorm te geven als precies dat ontbreekt waar de psalm naar zucht. Een eega, een kind, werk.

Lees ik de psalm zo? Ja ik lees haar zo: als een uitdrukking van onze diepste verlangens. Zo zou het leven mooi zijn. Het is niet belachelijk, het huiselijk geluk. Het is het geluk bij uitstek. Je zou het ieder mens gunnen.

Gunden wij het ieder mens maar zo. Dan zouden we niet zo hemeltergend slordig met het leven van anderen omgaan.

Ik weet niet in wat voor wereld de psalmist schreef. In mijn wereld, dat weet ik zeker, tobben we allemaal. Puistjestellers voor de spiegel: maar met een droom. Dat het leven goed zal worden. En die droom maakt ons mensen tot mensen.

Elke ochtend weer fietst de accountant naar zijn werk en elke ochtend brengt de loodgieter zijn kinderen naar school. En beiden zijn ervan overtuigd dat het zinvol is, om zo te doen.

Dat – dat onze droom ons handelen drijft, dat lijkt mij wel de zegen

de zegen van de Heer.

Advertenties