Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.

 

 

Advertenties

Je roeping verliezen?

rembrandt80

Saul. Ik moet vaak denken aan Blair. De toenmalige premier van Engeland. Saul, die tragische Saul. Saul, koning van de Heer, die uiteindelijk op de schroothoop van de geschiedenis belandt. En je begrijpt, als lezer, maar nauwelijks waar dat door komt.

Ik had heel erg vertrouwd, dat Blair een nieuw élan in Groot-Brittanië zou brengen. De oude tegenstellingen zou hij weten om te smeden tot iets nieuws. Dat was ook zijn belofte. Het zou niet alleen afgelopen zijn met de overleefde macht van de Lords, het zou ook afgelopen zijn met de neo-liberale-Thatcherwind die koud door de hele samenleving blies. Hij was jong, had een leuk gezin. Dat doet er niet toe, natuurlijk, maar gaf wel de juiste entourage voor het “nieuwe-lente, nieuw-geluid”- gevoel.

Het liep anders. Blair raakte verstrikt in het giftige moeras van de Irakoorlog. En hoe hoger hij sprak over de vrije wereld, massavernietigingswapens, de bedreiging van het Westen, hoe valer zijn ster werd. Hij bleek gewoon een politicus van de oude wereld. Toen hielp het niet meer, dat hij zich een jeugdig kapsel liet aanmeten.

Het was gedaan met Blair, de nieuwe hoop.

Ik stond er met mijn neus bovenop. Nou ja, niet helemaal: de kranten en de media stonden er tussen, maar dan nog – ik kon het niet begrijpen. Hoe verliest iemand zijn eigen visie en beloften?

De afgelopen maanden stond ik met mijn neus op het leven van Saul. Goed, de bijbelse boeken staan er tussen, maar een andere weg naar deze koning is er niet. We lazen aan tafel na het eten. Verhaal na verhaal. Je ziet de moeilijke start. Dat hij koning zou worden is van het begin af een hele worsteling. Het volk wil wel, maar God wil het niet. Alsof politiek toch altijd een bedrijf is van “we waren beter af zonder, maar het kan niet anders dan met”. In elk geval – dat vond ik dan wel bijzonder- wordt vanaf bladzijde 1 in het boek Samuël aan koningen alle goddelijke vanzelfsprekendheid en pretentie afgenomen. Ze regeren, omdat het voor mensen nodig is. Ze regeren ten dienste van mensen.

Je ziet bij Saul echter ook de hoop: deze man is de koning die door de Heer is gezalfd. Een soort Mozes, een soort Deborah, iemand door wie de harten van de mensen  lichter worden en door wie de toekomst  rooskleuriger er uit gaat zien.

“Wir schaffen das”, was voor mij zo’n adempauze. Rustige, krachtige woorden, waarvan je dacht: zo komen we ergens.

We weten inmiddels in welk moeras díe woorden verdwenen zijn.

Waarom gaat dat zo?

“Saul stak boven alle andere mannen uit.”, vermelden de Schriften. Waarop Willem Barnard commentaar geeft: “daar gaat het al fout. Dat sterker willen zijn dan een ander. Dat heidens gevecht om aanzien en status. Voor heidenen telt je macht. Voor God niet”. Bij Blair heb ik dat vaak gedacht: Hij wilde graag een staatsman van formaat worden. En daardoor werd hij het niet. Was hij trouw gebleven, had hij de verleiding weerstaan, had hij Bush weerwoord gegeven, misschien dan – we zullen het niet weten.

De schrijver van Sauls werdegang meldt iets heel anders. Saul is niet trouw geweest aan God. Dat klinkt logisch. Wie niet dicht bij zijn binnenkant blijft, zal verraad plegen. Maar het logische duurt in het boek Samuel niet lang. Want wat had hij moeten doen om trouw te blijven? Hij had al zijn vijanden, tot de laatste man en de laatste vrouw, moeten uitmoorden. En dat heeft hij niet gedaan. Hij heeft – in elk geval een deel van-  hen in leven gelaten.

Ik sta er als 20ste eeuwer bij en kijk er onhandig naar. Als ìk God was, zou ik Saul prijzen. Het leven is meer dan de dood. Toch?

Ik ben God niet. God verwerpt Saul. En zelfs Samuëls smeken, vasten en rouwen – de arme oude man wordt gekweld door de teloorgang van Saul – helpen daar niets aan. Uiteindelijk stort Saul zich in zijn eigen zwaard.

Ik kan er niet bij. En dat is het dan misschien ook wel. Er is geen goed verhaal te vertellen om te verklaren waarom hoop vervliegt. Ze vervliegt.

Er is geen verhaal, waarom ik niet de ommekeer heb gebracht, waarvan ik als tiener dacht dat die met mij zeker komen zou. Ik zou niet zo zijn als mijn ouders. Neenee.

Er gebeurt ook nog iets anders in Samuël. In de wereld. En dat helpt me vooruit.

Met horten en stoten. In verzet en overgave. In de schijn van het tegenovergestelde, komt er een ander die de roeping overneemt: David. Ook geen heilige, trouwens.

Eveneens een mens, ook al heeft Michelangelo hem de eeuwige jeugd geschonken. Maar dan toch. Hij is er. De fakkeldrager.

Idealen worden verkwanseld. Roeping gaat verloren. Maar dat is niet het hele verhaal.

En ontstaat ruimte voor een ander. Voor een nieuwe generatie. Die de hoop oppakt, meeneemt, omvormt –

David speelt harp voor Saul. Voor de door hoofdpijnen gemartelde Saul.

Ik vind dat een sterk beeld voor onze wereld die haar roeping zo vaak verliest. De laatste jaren niet in het minst door het te véél vergieten van onschuldig bloed.

Er is een melodie die terugkomt, als ze lijkt te sterven.

Ik denk dat God daar achter zit.

We zijn niet machteloos

Het is een klein, intiem tafereeltje waar we zicht op kregen. En dat het gelezen werd in de ruime middeleeuwse kerk van Middelstum maakte het voor ons gemakkelijk om dichterbij te komen. Het boek Samuel lag opengeslagen. Het eerste. Bij Saul, de koning. We luisterden. Er werd in ons een deur op een kier gezet waardoor we drieduizend jaar terugkeken. Waardoor we in onze eigen ziel keken.

Het begint nogal ondoorgrondelijk (hier). De Geest van de HEER heeft Saul verlaten. En nu heeft de HEER hem een boze geest gestuurd.

Ik weet nooit precies, hoe ik zulke regels moet verstaan. Stuurt Hij-met-de-naam “ik zal er zijn” ellende op ons af? Lekkere god, dan. Wat zou de schrijver er in gehoord hebben? Ik sta een beetje dom te hippen op mijn voeten. Denk aan mijn oma, die er wel raad mee wist. “Geen vreemde hand doet mij dit aan”, was bij haar een gevleugeld woord. Ik denk ook aan mijnheer Nederlof van twee blogjes geleden.

Ik hoor er in, dat de situatie nogal hopeloos is. Als de HEER iets gestuurd heeft, laten we het daar maar even op houden, dan is het nog niet zomaar één-twee-drie weg. Misschien is het een kanttekening bij onze cultuur die zo graag elke ziekte uitgebannen ziet. Soms is iets niet uit te bannen. Het is er. En het zal er wel even blijven zitten.

Daarmee zou het verhaal uit kunnen zijn. Kort verhaal. “Saul had de Geest van de HEER, hij kreeg een kwade geest. End of story”. Maar het blijkt pas het begin. En daar sta ik dan werkelijk van te kijken.

Ik denk ineens aan een jonge vrouw in mijn eerste gemeente. Ze woonde in een prachtige bungalow aan het water in de polder. Haar man was plotseling gestorven. Het was een drama. Ze had wel eens gezien hoe vrienden langsf ietsten, inhielden, maar dan toch de brug niet overkwamen. Ze belden niet bij haar aan. “Ik heb hen gevraagd, waarom ze doorfietsten. Ze antwoordden: we weten niet wat we moeten zeggen.” “Alsof ik dat wel weet”, concludeerde ze bitter: “Maar als ze blijven voorbijfietsen, zullen we nooit weten wat we zeggen moeten.”

Er zijn dienaren bij Saul. En die vinden, dat er iemand een beetje muziek moet komen maken. Het helpt geen snars tegen de boze geest. Maar wie weet helpt het dan toch. Ze kennen ook ene David. Een leuke, knappe jongen. Dat dat erbij staat! Wat een raar boek is de bijbel toch. Waar je informatie verwacht, krijg je niks te horen, vertellers hebben in de Schriften altijd haast. En hier krijg je ineens te horen dat David aantrekkelijk was. Michelangelo kende zijn bronnen….

Ik ben ontroerd door het hulpeloze geschutter van de dienaren. Ik stelde mij daar onder de gewelven in Middelstum zo voor, dat zij in de wandelgangen met elkaar gesproken hadden. Dat ze het naar vonden voor Saul. En dat ze niks konden doen. En hoe toen één zei: “Ik ken iemand, die speelt prachtig op de harp.” Daarna waren de stemmen vast stilgevallen. Een harp? Tegen een boze geest? Dan kun je net zo goed met drie steentje en een slinger een reus gaan verslaan. Belachelijk plan.

Maar ze weten niks beter, gaan toch naar de koning en vertellen hun idee aan hem. Ze pakken uit, over knap enzo. Het versluiert nauwelijks de zinloosheid van hun actie. Maar ze vinden het naar voor hem. Dus doen ze wat.

En dan.

“Ik had maar liever gehad, dat mijn vrienden over de brug waren gekomen en hun fiets tegen mijn huis hadden gezet. Dan had ik in elk geval niet in mijn eentje niet geweten wat ik zeggen of doen moest.”

David komt. Hij speelt voor Saul.

En de boze geest… wijkt.

Zo lang David speelt.

In het idiote gebeurt het. Ik borduur er nog eens een tegeltje van: “In het belachelijk kleine ligt het grote”.

Komende zondag ga ik hier naar het verpleeghuis. We vieren een kerkdienst. De meesten van de mensen daar lijden aan Alzheimer. Ze hebben een half uur nodig om tot rust te komen en te beseffen dat ze in een andere ruimte zijn gekomen. En na dat half uur gaan we al weer bijna uit elkaar. Maar gaan we zingen “Vaste rots van mijn behoud”, dan wijkt alles. En kijken we elkaar aan. En is het een-en-al eeuwig-zijn.

Misschien moesten we elkaar maar eens wat vaker omspelen met onze harp.

Ook als we niet zo knap zijn.