Peptalk is nog niet gemakkelijk.


Of ik nog even wilde blijven, vroeg ze na een vergadering. Een venijnige onzekerheid sprong op. Had ik iets fout gedaan? Motortjes in mijn hoofd scanden alle werkterreinen af. Had ik iets geks gezegd tijdens een kerkdienst? Vond ze mijn gedoe op facebook ongepast? Kon mijn rode jasje niet door de beugel? Nog voordat ze iets had gezegd, had ik mijzelf gewogen… en te licht bevonden. Ik stelde ook niet zo veel voor, besloot ik.

Is het de opvoeding? Ja, vast. Een moeder met dagelijks wisselende spelregels helpt de stabiliteit niet direkt. Ligt het in mijn karakter? Ongetwijfeld. Een flink opgetuigd super-ego is niet altijd een zegen. Het geloof dan? Tja, het geloof….

We hadden helemaal niet zulke strenge dominees, vroeger. Wel heel serieuze. Wat dan ook weer een soort gestrengheid is. Maar ze bedoelden het goed. En hadden een groot hart voor mensen.

Ik zocht zelf de strengheid op. Dat wilde ik niet helemaal toegeven, dat het mijn eigen weg was. Ik zei – om ervan af te zijn- liever dat ik van huis uit tot de Gereformeerde Bond behoorde. Niet helemaal waar. Onze kerkelijke thuisgemeente was open en liberaal.

En toch was het ook wel waar. Een onderstroom in onze familie was dat niet. Niet liberaal, bedoel ik. Mijn oma, naar wie ik genoemd ben, was een vrome vrouw. Vroom in de zin van – zwaar tillend aan haar zonden. Streng voor zichzelf. En gestoffeerd met een piëtistische woordenschat. Over het bloed van de Heer. En dat wij zijn genade nodig hebben. Maar dat God, die zij nooit zo noemde, maar altijd de Heere met hoorbaar drie e’s- de Almachtige is onder wiens hand je moest buigen. Het leven had haar nogal krom doen gaan. Het was geen vreemde hand die het haar aandeed, zou zij vaak zeggen.

Zoals stof aan je blijft hangen als je electrisch geladen bent, zo bleef aan mij kleven dat dit wel de juiste levenshouding moest zijn. Niemand die het mij ooit zei. Ik leerde mijzelf buigen en oordelen. Waarom?

Dat heb ik mij vaak afgevraagd. Ik weet het nog niet helemaal. Maar ik denk, doordat wij mensen geen aangeboren stabiliteit hebben. Ik maak er maar een algemeen menselijke kwaal van, dan voel ik me er niet zo alleen in. Zeg me maar niet, als het niet voor iedereen geldt. Op de een of andere manier ontvangen wij een ziel met maar één been. En het is aan ons, blijkbaar, om er een tweede aan te doen groeien. Of er aan te knutselen. Of ik weet niet wat. Stabiel worden, dat moeten we zelf maar doen. Het onnozelste kalf springt na een paar minuten recht op de poten en gaat drinken bij zijn moeder. Die heerlijkheid is aan ons niet gegeven. Wij kruipen maanden machteloos over de grond. Maanden? Jaren. Een leven lang soms.
Hoe word ik  stevig? Het leek mij, zonder woorden, maar het beste om te blijven liggen. Dan kun je ook niet vallen. Als ik mijzelf van te voren al beoordeel, valt het oordeel van de ander alvast mee. Ik word er niet gelukkig van, maar ik weet wel waar ik aan toe ben. En dat is ook wat waard. Liever zeker en onhappy, dan happy en onzeker.

Werd ik steviger? Je zou het niet zeggen. De depressieve route ligt altijd ergens te sluimeren. Maar ik veranderde wel. Denk ik. Ik groeide meer in de ruimte die van mij is. En ik leerde openstaande deuren dicht te doen. Hier ben ik. En zo is het voor nu goed.

Wat mij niet hielp, waren de teksten die riepen “Wat ben je goed!” Nee. Ik werd er onzekerder van. Des te scherper zag ik er door, wat er niet goed was. En neem maar van mij aan: in dit geval was het geen neurotisch gewik en geweeg. Niet alles wat ik doe is goed. Easy as cake. Mijn neurose school hier in: dat ik in het ‘niet-goed’ tuimelde en verdronk. En als ik zag dat het wel waar was, wat de ander zei, dan had ik nog een ander neurotisch antwoord paraat. “Als het de volgende keer dan ook maar zo goed is.” Ja, mijn ziel is een slim dier.

Wat heeft mij geholpen? Dit. Het onderkennen dat het voor de liefde niet uitmaakt of ik het goed doe, of slecht. De liefde wordt er niet anders van. Iemand zei eens: “Als je iets fout doet, ben jij nog niet fout.” Ik denk dat ik hem heel sceptisch heb aangekeken. “Eigenlijk”, vervolgde  hij, met een twinkeling in zijn oog: “Is het heel arrogant om te denken dat je pas goed bent als je alles goed doet.” En arrogant, dat had hij raak geschoten, dat wilde ik niet zijn. Dat vond mijn super-ego al helemaal niet goed. Spin gevangen in zijn eigen web. Je bent G’d niet!

Mijn oma zou zeggen: zie je nou wel, dat je van genade leeft? Er wordt van je gehouden. En je doet niet alles goed. Er wordt van je gehouden.

O, de ouderlinge hield mij trouwens nog even aan, omdat ze blij was dat ik met haar moeder had gepraat. “Het had veel opgelost”, zei ze.

 

Advertenties