Walging is nog geen verandering.

Psalm 110 is weer zo’n tekst, dat je denkt: “Waar lees je nou eigenlijk de bijbel voor?’ De zinnen ronken van oorlogstaal. Van overwinnende oorlogstaal, ten koste van.

Er wordt een koning aangesteld, zo lezen we. Het is een proclamatie. “JHWH zegt tegen mijn heer: zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd als voetbankje.” Het is God die de oorlogstaal baart: hij zal de vijanden neerslaan.

En de koning volgt zijn voorbeeld. Hij slaat hoofden stuk en stapelt lijken op. Ziezo, dat is dat.

Ik word er een beetje weeïg van in de maag. Moet dit een heilige tekst zijn? Met al dat bloed dat er in rondstroomt? Kan iemand hem misschien schrappen?

Er waren tijden, waarin men niet zo’n moeite had met deze tekst. Christenen bestormden met deze woorden op de lippen Moslims, ze sloopten de muren van Jeruzalem, doodden iedereen die er in leefde. En omgekeerd trouwens net zo. Moslims hadden hun teksten, waarmee zij Christenen in de pan hakten. Een tijdgenoot van de kruistochten schrijft, dat het bloed van de gedoden tot kniehoogte door de straten van de stad stroomde. Nu waren de mensen kleiner, en zaten de knieën lager. Maar zelfs dan. Walgelijk.

Walgelijker nog dat het zo door welke god dan ook maar goedgekeurd zou worden. Dat het zo de bedoeling zou zijn.

Wij kunnen er niet meer tegen, dat iemand roept: “Deus le vult”, “God wil het zo”. Te veel slachtoffers gezien. Teveel smerigheid van godsdiensten gezien.

Soms bekruipt me de gedachte, dat het bloedvergieten “in naam van” nog altijd doorgaat. Walging of niet. Maar dat we er de ogen niet voor hebben. Toen Teun van de Keuken op onderzoek uitging waar onze chocola vandaan kwam, bijvoorbeeld, en hij daarbij op kindslaven stuitte. “Ja,” zei Nestlé: “Maar dat is niet ons beleid. Dat ligt in handen van de wereldeconomie.” Of anders wel van de wisselkoersen. Of het corrupte regime in het land waar chocola groeit.

Iemand ging op onderzoek uit, waar de mineralen voor onze mobiele telefoons weg kwamen. Daarbij stuitte hij op wapenhandelaars en bloedgeld en – alweer- slaven. “Ja”, zeiden de telefoonaanbieders: “Maar dat ligt buiten onze macht. Het komt door de wereldeconomie, door de corrupte regimes, door..”

Nooit vallen de groten ten prooi. Het zijn de scharrelaars die opdraaien voor.

We walgen van God in wiens naam mensen worden gedood.

en terecht

maar de goden in wier naam mensen over de stekels worden gejaagd zijn er niet door verdwenen

walging verandert de wereld niet.

Ze kan wel een bron zijn voor iets anders.

Omkeer, bijvoorbeeld.

 

Er is een tijd geweest, waarin men Psalm 110 zonder enige moeite las. Met hoop in de stem las, zelfs. De evangelisten doen het al zo. Zij slaan het lied op en roepen: die koning? Dat is Jezus!”

Ik begrijp maar half hoe ze er op kwamen. Was het hun “de-wens-is-de-vader-van-de-gedachte-blik”? Was het hun zielsverbondenheid met de kleine mensen? Of hadden ze in Jezus, dieper, iets gezien van waarheid? Van ja-zo-is-het?

Jezus lijkt altijd de uitzondering. Hij-die-van-mensen-houdt.

Mooi, maar onhoudbaar.

 

De wereld zit immers zo in elkaar: wie niet van mensen houdt en geen rekening met hen houdt, die komt hier het verst.

 

En dan die gekke evangelisten: nee. Niet waar. Wie niet van mensen houdt verliest zichzelf. Ook al wint hij misschien alles.

De evangelisten proclameren zo maar Jezus tot “zo zit het in de wereld in elkaar”. De barmhartige wint. Ook al verliest hij misschien alles.

 

Ik ben iedere keer weer overtroefd door de evangelisten van tweeduizend jaar geleden. Waar ik blijf steken in mijn walging, daar gaan zij verder. Waar ik foeter: de wereld is rot, mensen zijn idioten. Daar horen zij verder.

Het slachtoffer zou jouw koning kunnen zijn

Als zij psalm 110 lezen, keert de wereld ondersteboven in hun lied. Wie onderaan zit, komt boven. Wie bovenaan zit, valt naar beneden.

En G’d? Die moet je dus beneden zoeken.

Bij de mens die vermorst wordt.

Ik moet het lezen om het te geloven.

Advertenties