Offer alleen aan de HEER, want anders…!

Exodus 22 valt open voor komende zondag. Vanaf vers 19. Tenminste: eigenlijk valt het er nèt niet in het te lezen gedeelte. Maar ik lees het wel. Er staat: wie offert aan andere goden dan aan de HEER, wordt in de ban geslagen. Ik hou wel van dergelijke “harde” teksten. Ze vragen mijn aandacht. En het loslaten van mijn vooroordelen en ergernissen. Iemand schreef deze woorden ooit op en vond er wijsheid in. Aan mij is het, om mijn wijsheid te ontdekken. Eigenlijk vind ik akelige bijbelteksten leuker dan de lieve. Daarbij knik ik te snel van “ja” misschien en verzucht ik te snel “o, mooi!” Om vervolgens onveranderd en ongeschonden mijn weg weer te gaan.

Een rake belediging kan je voor jaren plezier meegeven. Ze vormt en voedt je ziel. Kan.

Goed. Exodus dus. De eerste die ik altijd weer de deur moet wijzen is de Maarten ’t Hart in mij. Ik lees vers 19 en denk: o, wat intolerant! Ik denk: god, wat hard! En ik denk: wat een egocentrische rotgod is hier toch aan het woord. Hij wil weer alle aandacht. Maarten heeft het in zijn boeken op vele manieren geniaal verwoord. Mijn eigen verzet vind ik bij hem terug.

Ik luister naar mijn verzet. Net zo lang totdat de vragen komen: is mijn verzet niet een omkering van iets? Van mijn wens om in het midden te staan? Ik denk het soms.

Ik luister naar mijn verzet, totdat het doorgang geeft aan de woorden. Waarom zou ik aan de HEER alleen offeren? En wat betekent dat dan?

En – hier komt de hamvraag- wat zijn dan de goden?

Het gaat, zoals zo vaak in de schriften, om een keuze tussen wel en niet.

Nou las ik toevallig verder in Exodus. En daar klonken woorden met een frisheid die me verblufte. Dat je een ander het vel niet van de neus moet trekken. En zeker de arme niet. Dat je een vreemdeling onderdak moet verschaffen. Hij is van jou afhankelijk op dit moment. Net als de wees en de weduwe, beide mensen die zichtbaar anderen nodig heeft om verder te kunnen. Loop niet door. Wend je niet af, maar wees er voor ze.

Want jij bent zelf vreemdeling geweest.

Ik viel stil. Bij deze laatste woorden. Ik ben zelf niet van ander materiaal gemaakt dan een arme, een wees, een vreemdeling. Wie zij vandaag zijn, kon ik gisteren wezen. We verschillen niet veel. Alleen ben ik nu in de gelegenheid een “jij” te zijn voor jou.

Ik kijk nog eens naar dat eerste vers: wie aan andere goden offert dan aan de HEER. Ik dacht dat het zou gaan om: naar de juiste kerk gaan. Om de juiste gebeden zeggen, de juiste dogma’s aanhangen. Vroom zijn, zeg maar.

Ik was te snel met mijn oordelen over de tekst.

De HEER blijkt helemaal niet het centrum van de tekst te zijn. Ook de godsdienst niet. Centrum van de tekst is: jij. Jij die mij aankijkt, vertaalde Breukelman ooit.

En alle keren dat ik jou niet aankijk: omdat ik haast had, omdat ik vond dat je maar beter had moeten opletten, omdat ik je niet zo mag, omdat ik baal van al die vreemdelingen, omdat ik vind dat eerst de economie maar moet aantrekken, omdat- …. al die keren offerde ik aan goden.

en dat lijkt juist

maar uiteindelijk val je er zelf door buiten de boot.

Dat is de hardheidsclausule van deze tekst, en die blijft, hoe je hem ook uitlegt: wie niet in het aangezicht van zijn naaste leeft, verliest.