Toevalligheid, zo ver het oog reikt

Nee, mijn facebookpagina kleurde niet naar de vlag van Rusland. Dat had ik na de aanslag in Parijs wel met de Franse vlag gedaan, maar nu in Sint Petersburg bommen waren afgegaan zweeg mijn tijdlijn in alle kleuren. Bij niemand zag ik iets Russisch voorbij komen, trouwens. Ook niets Brits, na de aanslag op de Towerbridge. Zijn we campagnemoe? Meeleefmoe?

Nee. Want hand-in-hand begonnen alle mannen door het land te lopen. En ook ik plaatste Pechtold en Koolmees. Want als mannen lief over straat willen dan val je die niet aan. Dat vind ik nog, zelfs nu het verhaal van Jasper en Ronnie misschien wat anders ligt dan eerst verondersteld.

In Amsterdam werden twee andere mannen aangevallen en in Eindhoven ook, maar dat deed me dan weer minder.

Waarom?

Ik zou het niet weten. Waarom schrik ik bij het ene op en bij het andere niet? De media doen meer voor de een dan voor de ander. Parijs ligt mij nader aan het hart dan Sint Petersburg. Ik heb er wel eens een sigaar voor een bistro gerookt. Dat schept een band. Maar verder? Het slangenbrein in mij trekt zijn schouders onschuldig op.

Er klinken stemmen dat het zo onschuldig niet is. Bij aanslagen in Istanbul of Noord-Somalië dienen we net zo geschokt te zijn. Een jaar terug demonstreerde een aantal mensen bij de Essalam-moskee in Rotterdam tegen al deze selectiviteit. Alsof een westers leven méér waard zou zijn dan een ander leven. Zo zou mijn medeleven met de één een teken zijn van afkeer jegens een ander. Zeiden zij. En dat het een schande was.

Medeleven niet langer als medeleven, maar als maatstaf. In dit geval: het Westers medeleven als maatstaf aller maatstaven.

Komt iedereen aan zijn trekken? Nee, bij mij niet. Ik geef het eerlijk toe. Mijn excuses voor mijn imperfectie.

In het bijbelboek Ruth wordt verteld dat de arme en hongerige Ruth “per toeval” op de akker van Boaz terecht komt. Dat lijkt mij heel juist opgemerkt. Wie in je vizier komt en wie niet, ik heb het niet in de hand. En iedereen op je akker, dat is ook een beetje veel.

Ruth dus.

En wat doet Boaz? Die neemt zijn verantwoordelijkheid. Hij verlieft zich in Ruth, dat helpt, maar het begint bij doen wat er gedaan moet worden. Voor deze ene. Waren er geen andere hongerige vrouwen in het land? Oh, vast. Was Ruth de hongerigste onder alle vrouwen? Nee, zeker niet. Maar Boaz zag Ruth. En dat werd de verplichting. Hij liet haar het graan meenemen dat bij de oogst op de grond was gevallen. Hij vroeg zijn medewerksters om stiekem nog wat extra graan op de grond te laten vallen.

Dus ja. Een foto van Pechtold en Koolmees. Mijn gevallen graanstengel. Het is nog helemaal niks. Facebook is nogal gemakkelijk. Iets als liturgie. Je doet alsof. Maar Jasper en Ronnie maken mij bewust van de mensen die in mijn omgeving in de knel zitten. En dat ik er voor hen zal zijn. Die ene voor al die anderen, zeg maar. Dankzij die ene, leer ook de anderen te zien

En ik hoop, vooral dat, dat er weer andere mensen zijn rondom de mannen uit Eindhoven, rondom de slachtoffers in Sint Petersburg. Je kunt niet alles. Niemands medeleven breekt een staf over ander leed.

Perfectie, zegt de onvolprezen Wislawa Szymorska, die vind je alleen in een ui.

Onopgeefbaar verbonden?

“De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.”, zegt de grondwet van de kerk waarvan ik lid ben. Het is een duidelijke stellingname tegenover wat de geschiedenis van de kerk toont: haar haat tegen de Joden. Tot drie, vier, generaties geleden dachten christenen: de Joden hebben Christus verworpen, zij zijn blind en tellen niet meer mee, wíj hebben de Heer aangenomen en daarom hebben wij de waarheid. Het is altijd een geruststellende positie: te weten dat je aan de goede kant staat. Het verheft je ver boven andere mensen en ver boven alle kritiek. Het is ook een gevaarlijke positie: waar de kritiek verstomt, vallen slachtoffers. En dat is dan ook gebeurd: op grote schaal. Zo groot, dat de kerk en al haar pretenties er bijna onder bezwijken. In naam van de Heer zijn vele, vele Joden vermoord. Pogroms startten met angsten en leugens tegen de “vreemde Joden”, ze werden nog eens extra aangezwengeld door kerkelijk godsdienstige theologieën. De Joden, die waren het volk dat God niet meer wilde hebben. En daarom hielpen “wij” een handje door hen uit te sluiten, op te jagen en desnoods te vermoorden. Het bloed van Abel roept tot ons geweten.

De Tweede Wereldoorlog met zijn Shoah schudde ons hardhandig wakker. Dat die Endlösung in een land vol kerken en christenen uitgedacht werd móest de gedachten aan de kerkelijke uitmuntendheid wel breken.

Mede door het werk van Karl Barth, bisschop Niemöller en Dietrich Bonhoeffer ontdekte de kerk een nieuwe plek: naast het Joodse volk. Wij hebben de waarheid niet. De Joden leerden haar kennen en gaven haar door.

En daarmee ging veel kantelen: dat de waarheid geen vaststaande leer is, maar een begrip dat jouw relatie met de werkelijkheid uitdrukt, bijvoorbeeld. Maar ook: dat het gaat om wat je doet en niet om wat je zegt te geloven. En ook: dat de aarde het middelpunt van ons leven is en niet een hemel van welke soort dan ook.

Het revolutionaire van de Bijbelse geschriften is dit: dat er een naaste is. En dat die net is als jij.

Ik ben er nog altijd stil van: van die omwenteling. Wij dachten dat wij het hadden, we leerden dat alles wat een mens zoekt bij de naaste in bewaring ligt. Wij werden weer die wij waren: de heidenen die de G’d van Israël leerden kennen.

Dat daarmee óók de beelden van G’d als de Oppermachtige, de Baas, de Onveranderlijke op de helling gingen, hoeft bijna geen betoog meer. Ook G’d bleek van aards materiaal. De aarde is Zijn domein.

Zonder Joden zou de Kerk het Instituut zijn gebleven dat de weg naar de hemel wist. Doordat de Kerk gedwongen werd naar zichzelf te kijken via de ogen van de Joodse geschriften en via haar eigen geschiedenis met de Joden, stortte haar arrogantie neer en hervond zij zichzelf. Zij is de aardse gemeenschap van mensen.

Het was dus nodig, om in de kerkorde te zetten: onopgeefbaar verbonden

maar

de tijd schreed voort sinds 1951, het jaar waarin Israël voor het eerst in de Hervormde kerkorde werd genoemd. En er kwamen nieuwe vragen. Met wie is de kerk verbonden als zij zegt: “het volk Israël”?

Ligt dat volk geborgen in de Schriften? Gaat het om mensen die er vandaag niet meer zijn?

Zijn wij verbonden met het gelóóf van het “volk Israël” ? Met hun verhalen, getuigenissen en commentaren?

Of gaat het om mensen die vandaag leven.

En wie dan?

Zijn wij verbonden met de religieuze Joden? Met alle Joden?

En de dringenste vraag van alle vragen: is de Kerk verbonden met de Joden èn de staat Israël?

en als dat laatste het geval is: wat betekent die verbondenheid dan?

er zijn er die zeggen: het gaat alleen om de geestelijke erfenis. Dat wij onze Joodse wortels herkennen en erkennen.

er zijn er die zeggen: wij zijn alleen verbonden met de religieuze Joden

er zijn er die zeggen: de Kerk is verbonden met de Joden en met hun staat.

Als ik serieus neem, wat ik hierboven zei: dat wij van de Joden leerden dat het om de aarde gaat en dat geloven vooral betekent: handelen – dan kan ik niet anders zeggen dan: wie verbonden is met de Joden is ook verbonden met de staat Israël. Of je dat nu leuk vindt of niet. Ik zeg het eerlijk: ik kan mij op dit moment leukere verbondenheden voorstellen.

Ik schaam mij voor de oorlog tussen Israël en de Palestijnen. En ik ben mij bewust van alle vooronderstelling die deze zin al in zich draagt. Is het een oorlog? Of is het een conflict? Is het een bezetting? Of is het legitieme zelfverdediging van de staat Israël? Is het een oorlog tegen de Palestijnen? Tegen Hamas? Of tegen de Islam, misschien? Alle posities zijn in de kerk te vinden.

Ik denk: wij zijn verbonden met de Joden. En daarmee met de staat.

Maar verbondenheid sluit kritiek niet uit. In tegendeel. Verbondenheid roept juist op tot zowel solidariteit als kritiek.

We leerden van de Joden dat het leven gevonden wordt door de naaste. En we leerden het sleutelwoord: rechtvaardigheid.

Mag de kerk de vragen opnieuw aan de staat Israël stellen? In hoeverre zijn de Palestijnen jullie naasten? En wat betekent het om recht aan hen te doen?

Offer alleen aan de HEER, want anders…!

Exodus 22 valt open voor komende zondag. Vanaf vers 19. Tenminste: eigenlijk valt het er nèt niet in het te lezen gedeelte. Maar ik lees het wel. Er staat: wie offert aan andere goden dan aan de HEER, wordt in de ban geslagen. Ik hou wel van dergelijke “harde” teksten. Ze vragen mijn aandacht. En het loslaten van mijn vooroordelen en ergernissen. Iemand schreef deze woorden ooit op en vond er wijsheid in. Aan mij is het, om mijn wijsheid te ontdekken. Eigenlijk vind ik akelige bijbelteksten leuker dan de lieve. Daarbij knik ik te snel van “ja” misschien en verzucht ik te snel “o, mooi!” Om vervolgens onveranderd en ongeschonden mijn weg weer te gaan.

Een rake belediging kan je voor jaren plezier meegeven. Ze vormt en voedt je ziel. Kan.

Goed. Exodus dus. De eerste die ik altijd weer de deur moet wijzen is de Maarten ’t Hart in mij. Ik lees vers 19 en denk: o, wat intolerant! Ik denk: god, wat hard! En ik denk: wat een egocentrische rotgod is hier toch aan het woord. Hij wil weer alle aandacht. Maarten heeft het in zijn boeken op vele manieren geniaal verwoord. Mijn eigen verzet vind ik bij hem terug.

Ik luister naar mijn verzet. Net zo lang totdat de vragen komen: is mijn verzet niet een omkering van iets? Van mijn wens om in het midden te staan? Ik denk het soms.

Ik luister naar mijn verzet, totdat het doorgang geeft aan de woorden. Waarom zou ik aan de HEER alleen offeren? En wat betekent dat dan?

En – hier komt de hamvraag- wat zijn dan de goden?

Het gaat, zoals zo vaak in de schriften, om een keuze tussen wel en niet.

Nou las ik toevallig verder in Exodus. En daar klonken woorden met een frisheid die me verblufte. Dat je een ander het vel niet van de neus moet trekken. En zeker de arme niet. Dat je een vreemdeling onderdak moet verschaffen. Hij is van jou afhankelijk op dit moment. Net als de wees en de weduwe, beide mensen die zichtbaar anderen nodig heeft om verder te kunnen. Loop niet door. Wend je niet af, maar wees er voor ze.

Want jij bent zelf vreemdeling geweest.

Ik viel stil. Bij deze laatste woorden. Ik ben zelf niet van ander materiaal gemaakt dan een arme, een wees, een vreemdeling. Wie zij vandaag zijn, kon ik gisteren wezen. We verschillen niet veel. Alleen ben ik nu in de gelegenheid een “jij” te zijn voor jou.

Ik kijk nog eens naar dat eerste vers: wie aan andere goden offert dan aan de HEER. Ik dacht dat het zou gaan om: naar de juiste kerk gaan. Om de juiste gebeden zeggen, de juiste dogma’s aanhangen. Vroom zijn, zeg maar.

Ik was te snel met mijn oordelen over de tekst.

De HEER blijkt helemaal niet het centrum van de tekst te zijn. Ook de godsdienst niet. Centrum van de tekst is: jij. Jij die mij aankijkt, vertaalde Breukelman ooit.

En alle keren dat ik jou niet aankijk: omdat ik haast had, omdat ik vond dat je maar beter had moeten opletten, omdat ik je niet zo mag, omdat ik baal van al die vreemdelingen, omdat ik vind dat eerst de economie maar moet aantrekken, omdat- …. al die keren offerde ik aan goden.

en dat lijkt juist

maar uiteindelijk val je er zelf door buiten de boot.

Dat is de hardheidsclausule van deze tekst, en die blijft, hoe je hem ook uitlegt: wie niet in het aangezicht van zijn naaste leeft, verliest.