Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde

 

Advertenties

Wegen met het kwaad.

Het is hier niet ideaal. En welke weg we ook bewandelen: het wordt ook niet ideaal. Goed, het gaat beter dan in de eeuwen vóór ons; we gaan niet meer dood aan een longontsteking, de kindersterfte hebben we – in dit deel van de wereld althans- flink teruggebannen, we staan niet meer stijf van de reumatiek, er stroomt warm water uit de kraan, en met veertig jaar beginnen wij ons leven nog eens opnieuw. Er zijn eeuwen geweest, waarin die leeftijd zo’n beetje de eindstreep was. Als je niet al vóór je eerste levensjaar gestorven was.

En toch blijft ziekte ziekte en dood dood. Of we nu rijk zijn, of niet, of we nu geluk hebben in ons leven, of niet, of we nu met bravour leven of als bangeriken, deze waarheid delen we: niemand komt er gaaf of heel doorheen.

Daar ontspruiten de vragen. Hoe kan dat? Waarom kan het niet anders? Waarom is er kwaad? Waarom trof het deze ene, terwijl die andere vrolijk fluitend doorfietste?

Die vragen baren op hun beurt nieuwe vragen, als kinderen: als het leven dan toch op een dag stopt, waarom is het er dan überhaupt? Waarom zou ik mij druk maken over mijn bestaan, als ik toch dood ga? Wat kan mij het schelen, dat ik er ben? Tien jaar na mijn dood weet niemand meer wat de kleur van mijn ogen ook al weer was. Twintig jaar na mijn dood vervaagt de herinnering aan mijn naam – hoe heette hij ook maar weer. Dertig jaar na mijn dood wordt de steen op mijn graf opgeruimd en is alles van mij vergeten. Lekker dan.

Veel antwoorden zijn er niet te geven. Welk antwoord je ook maar geeft: het is gissen. We weten het niet. Niemand kan aan de andere kant gaan staan en zeggen: “O ja, maar nu zie ik het – het is daar en daar om.” We kunnen het leven alleen maar vanaf onze kant leven. Leven, lezen en interpreteren. Ook dat delen we met elkaar. In die zin zijn alle mensen gelovigen: we doen allemaal waarvan we geloven dat het zo het beste is. Ja toch?

De antwoorden die ik ken zijn, grofweg in vier groepen in te delen

1. Het kwaad is niet kwaad.

Deze bewering komt het meest voor, denk ik, in de nieuwe spiritualiteit. Vaak worden er wijze indianen bij aangehaald. Of anders heeft Barbara Streisand het wel voor ons gezongen: “There are no mistakes, just lessons to be learned.” Het is een even doorzichtige als effektieve herdefiniëring van het kwaad. Je geeft het gewoon een andere naam. De dood van iemand is niet pijnlijk. Jij ervaart haar als pijnlijk, maar als je het anders gaat beschouwen: dan zie je de harmonie of de logica en neemt de pijn af. Zonder schaduw geen licht. Je moet alles aanvaarden en je niet verzetten, want alles is ten diepste harmonie. Om zo ver te komen, moet je je emoties niet vertrouwen, maar loslaten. Je moet je ego overwinnen.

2. Het kwaad doet wel pijn, maar dient een doel.

Dit is een oude bekende, zowel in de nieuwe spiritualiteit als in verschillende christelijke stromingen. Het kwaad heeft zijn eigen plek. Het kan je wel pijnlijk treffen, maar wanneer je nog eens rustig kijkt, dan zul je zien dat het een doel diende. Je moest iets leren (daar is ‘ie weer!). Er moest iets groeien, doorgebroken worden, of herstellen. Binnen het Christelijk geloof bestaat het beeld van een tapijt. G’d knoopt een tapijt. Daarvoor moet Hij draden doorsnijden en andere draden met elkaar verbinden. Wij kijken tegen de achterkant van het tapijt en zien de losse eindjes. G’d echter ziet de bovenkant en begrijpt welke patronen Hij weeft. Op een dag zullen wij het ook zien. Je moet je niet toevertrouwen aan je pijn, maar je moet vertrouwen hebben.

3. Zonder kwaad geen werkelijkheid.

Binnen de filosofie is dit een sterke stroming. Ze erkent, dat deze werkelijkheid niet perfekt is, maar voegt eraan toe, dat het niet anders kan. Wit bestaat dankzij zwart. Kwaad bestaat dankzij het goede. Dood bestaat dankzij het leven. Er kan geen leven zijn, zonder een aanval daarop. Geluk zonder dreigend ongeluk is geen geluk. Het is hier niet perfekt, maar een betere werkelijkheid is niet denkbaar. Je kunt je het beste maar verwonderen. Verwonderen, dat het zo is. In de verwondering verlies je de gedachte dat je het moest begrijpen. Er is niets te begrijpen. Je kunt slechts bestaan in deze dubbele realiteit, door haar in haar dubbelheid te aanvaarden. Michel de Montaigne is in het moderne Europa een van de vaders van deze gedachte.

4. Het kwaad dwingt ons tot positiebepaling.

In de christelijke ethiek is het kwaad vaak scherp onderscheiden van het goede. Deze tweedeling, hoewel die elders ook weer wordt afgezwakt, doortrekt veel van de bijbelse geschriften. Naast de dood staat het leven, naast de kwade bestaat het goede. Dit zijn echter geen gelijkwaardige grootheden. Niet zoals de filosofen dat beschouwen. Het kwaad is ook werkelijk kwaad: je gevoel klopt daarin wel. Je kunt haar vertrouwen. Tegelijk is dit waar: het pijnlijke is het enige niet.

Uit goed en kwaad gaat een stem uit. De stem van G’d. Dat je je inspant om het kwaad te mijden en het goede je toe te eigenen. De dood maakt, dat de dag van vandaag alle urgentie krijgt: er komt geen andere dag zoals deze van vandaag. Er is geen ander leven nu, dan dit wat je in je lijf voelt. Leef het leven. Het goede wijst op zichzelf en nodigt je uit. Het kwade wijst óók op het goede. Het goede is sterker dan het kwaad.  Ook al is het kwade pijnlijker.

Wat mij het meeste opvalt in deze antwoorden is dit: beschouw je de werkelijkheid als een harmonie (dan misleiden je gevoelens je), of beschouw je de werkelijkheid als gebroken (dan zijn je emoties juist en wijzen ze je de weg).

 

Graan en onkruid.

“Onkruid is kruid dat op de verkeerde plaats staat”, preekte eens een statige, oudere, dame. We zaten, veertig keurig gekapte en geklede mensen, in de kloosterkerk van Ter Apel. Je kon je een wereld voorstellen waarin dat zo was. Als het kwade op een andere plek zou staan, dan zou het zijn rol vervullen en geen kwaad meer zijn.

Maar oorlog? Een kruid dat op de verkeerde plaats staat? Haat? Geweld? Verkrachtingen?

Ik zou niet kunnen bedenken op welke plek dat zijn functie zou hebben.

Soms is onkruid wat het is: een nare plant die de voeding van andere opsoepeert.

Preharvest%202

Die mannen en vrouwen uit de gelijkenis over het onkruid die vragen of het kwaad niet verwijderd kan worden hebben gelijk. Er zijn niet altijd verhalen te vertellen waarin het lelijke toch mooi blijkt te zijn. Ik ben niet zo van “wij zien alleen de achterkant, maar als je het kleed omdraait dan snap je waarom het allemaal zo moest gaan”. Er valt niet altijd veel te snappen. Er is goed graan en er is kwaad onkruid. En geen idee hoe het zo kon komen.  Jezus houdt het kort op “zijn vijand” zaaide het kwade zaad.

Het is er. En daar hebben wij het mee te doen.

Dat weten maakt al stevig.

Jezus ontraadt het zijn leerlingen om het onkruid uit te trekken. “Het zou het graan beschadigen”, zegt hij. Vaak heb ik gedacht: “onbedoeld raak je ook de goede mensen”.

In Polen ontbrandde in de jaren negentig een hevige politieke strijd over de vraag, of het geen tijd werd uit te zoeken wie er in de communistische tijd verrader was, wie er met de geheime diensten had samengewerkt en wie niet. Het werd een zwarte strijd. Er werd over en weer met veel modder gegooid. De meest vooraanstaande mensen werden belasterd. Sommigen zeiden: “Misschien moet je het helemaal niet willen weten. Je komt er niet uit.”

Nòg denk ik: als je onkruid probeert uit te trekken, neem je ook de goede mensen mee. Het verlangen naar een zuiver graanveld, wordt een heksenjacht op het eind. Maar daarnaast begin ik ook dit te zien: het verlangen zèlf ondermijnt. Zolang je denkt dat het haalbaar is.

Je zult het niet bereiken, die zuivere wereld. Je zult jezelf verwijten dat je het niet kon.

Wat moeten we dan doen?

Het verlangen koesteren. En tegelijk weten: we bereiken het nooit.

Te midden van goed en kwaad zelf het goede blijven doen.

Gisteren stond in de krant een mooi voorbeeld: er is een organisatie opgericht van mensen die zich inspannen om contact te krijgen met pedoseksuelen. Ze trekken met elkaar op en bevrijden elkaar uit angst en eenzaamheid. Tachtig procent  van de pedoseksuelen vervalt niet in herhaling. Blijft twintig procent over.

Dat laatste kun je maar beter weten. Dat twintig procent wel weer op pad gaat.

Het maakt je sterk om het goede te blijven doen.