De machten.

 

Douwe Egberts zou twee procent Max-Havelaar-Koffie in hun pakken doen. Twee procent. Niet dat je denkt: hier val ik van achterover. En toch zou het een groot verschil gaan maken. Het waren de jaren negentig en Solidaridad was optimistisch over de groei van eerlijke koffie, eerlijke bananen, eerlijke ananassen en een eerlijk inkomen voor de boeren die de producten teelden. “Dan zouden hun kinderen eindelijk naar school kunnen!”, was het bericht. En zeg nou zelf: wie wil dat niet? Een goede toekomst voor iedereen. Voor slechts een paar dubbeltjes méér.

Het is er nooit van gekomen. In een groot afscheidsinterview, gisteren in Trouw, doet de bedenker van de Max-Havelaar-koffie, Nico Roozen, uit de doeken hoe dat zo kwam. Het had niet met de smaak te maken, de slag die de fabrikant tóen nog om de arm hield. Het was iets heel anders: “Douwe Egberts heeft het imago van gezelligheid.” En een keurmerk op je pak koffie, dat is niet gezellig.

Ook de consumenten deden niet wat Solidaridad twintig jaar geleden had verwacht. Als de mensen kennis hebben van de oorsprong van hun levensmiddelen dan zouden ze wel kiezen, was de gedachte. Die gedachte kwam niet uit. “De consument is veel minder autonoom in zijn keuze dan wij dachten”, zegt Roozen nu: “Het zijn de supermarkten en de grote merken die bepalen wat we eten.”

En zo bleef Fairtrade koffie een nicheproduct. Sympathiek. Goed bedoeld. Lief. Vol hoop. Maar klein.

Afgelopen dinsdag lazen we psalm 82. Het was de laatste keer dat we bij elkaar kwamen. Acht mensen die acht jaar trouw zich over de oude woorden bogen. Meer dan 160 uur!

“God staat in de raad van de goden”, lazen we. Buiten ging de zon oranjerood onder. We haperden al. Bij die eerste zin. Wie zijn die goden?, vroeg iemand. Wat een gek beeld! Er is toch maar één God? Hoe zit dat dan?

We sloegen andere vertalingen op. “Goden”, legde één vertaling uit: “Dat is de eretitel van de machthebbers.”

Er klaarde iets op. Zij die het voor het zeggen hebben worden ter verantwoording geroepen: wat doen jullie voor de wees, de weduwe, de vreemdeling, de arme? Voor wie zorgen jullie eigenlijk? Voor hen? Of voor jezelf?

Het gesprek werd politiek. Over Rutte die gezegd had, dat werkelozen er wat harder aan moesten trekken om weer aan het werk te komen en dat het van de gekke was dat zij vakantiegeld kregen. Zelf vliegt hij deze zomer naar, waar zal het heen zijn?, Bali. Thailand. Of naar de piramiden van Zuid-Amerika. Dan is het gemakkelijk om te zeggen: wie pech heeft, heeft die pech aan zichzelf te wijten.

Ik weet niet meer precies hoe het gesprek kantelde, maar op zeker moment spraken we over de landbouw. Over de bezetting door Meat the Victims. De woede van de boeren. De zorg voor dieren. De zorg die wij hebben voor de toekomst: kunnen we wel op deze weg van intensivering voortgaan?

Al pratend begrepen we: het zijn mensen die keuzes maken. Maar er nog méér aan de hand. De keuzes zijn niet vrij. De boeren zitten klem tussen hun hypotheek, de eisen van de consument, de lage prijs, het beleid van de regering, de stem van LTO en dan óók nog hun eigen verwachtingen. “Toen de eerste boer een trekker kocht, nou toen wilden we allemáál wel”, vertelde een van ons. Hij had het zelf meegemaakt.

Goden, zegt psalm 82. We gebruiken het woord niet zo veel meer. Daardoor klinkt het ons onwennig in de oren. Goden? Dat zijn dan toch Allah? Krishna? God? Dat “goden” ook alle belangen kunnen zijn waardoor we niet doen wat we moeten doen. Dat “goden” ons imago kunnen zijn. Onze begeerte. Onze economie. Onze aandeelhouders. Onze privileges. Dat lijkt zó ver weg.

“Toch moeten we het blijven zeggen”, reageerde de groep: “dat we niet vrij zijn. Niet zo vrij als we wel denken.”  Want als je dát weet, kun je uit de rij stappen.

“Wie wil er nog een kopje koffie?”, vroeg ik. De groep keek mij weifelend aan. “Het is fairtrade en biologisch!”, voegde ik er opgewekt aan toe.
Toen wou iederéén wel.

Advertenties

God wil geen god zijn.

 

Ooit was het duidelijk: goden leefden hun eigen soap-serie. In hun hemel. Ze vreeën, ruzieden, voerden oorlog en maakten het weer goed met elkaar, net naar het hen uitkwam. De gevolgen van hun gedrag waren voelbaar op aarde. De aarde van de mensen. Onweer? Dan was Wodan kwaad. Of Zeus. Had hij weer ruzie met zijn Hera. Het enige wat de mensen konden doen was smeken. Eerbiedig smeken. Met de pet in de hand. Smeken om een gunst. “Oh lieve Wodan, laat de bliksem niet bij mij inslaan.” “Oh machtige Zeus, laat de storm aan mijn huis voorbijgaan”. Want u weet toch wel hoe goed ik mijn best doe? Hoe ik alleen maar aan u mijn offers breng? Hoe ik het waard ben? Oh nee, niet waard ben: maar u, u bent het waard.

En als de goden dan  een goede dag hadden,  kreeg je het. Even een gelukje.

Fikte het huis van je buurman af. Blikseminslag.

De verwarring begon, toen de God van Israël het toneel betrad. Hem was het niet genoeg: douceurtjes uit te delen. Hem was het niet genoeg: God in de hemel te zijn. Met gouden kranen en eeuwige godendrank. Hij, schrijft Mozes, Hij daalt af. Hij verlaat zijn hemel.  “Ik heb het gejammer van de mensen gehoord”, zegt Hij. “Hoe ze worden gemarteld. Hoe ze worden gekleineerd. Ik heb het gehoord.” Ik ben afgedaald. En jij, Mozes, jij gaat nu op pad. Zeg tegen Farao: “Zo niet langer!”

Een gelukkige gebedsverhoring is niet genoeg. Want die buurman. Waarom zou de regen wel op jouw akker vallen en niet op die van hem? God, de God van Israël staat voor: het moet hier helemáál anders. Voor jou. En voor je buurman..

En? Gingen de mensen? Voor een andere wereld? Ja, soms. Franciscus van Assisi, bijvoorbeeld. Hij verliet zijn paradijs, kleedde zich uit, en deelde zijn leven met de armen.  Of moeder Theresa. Of Hebe Kohlbrugge. Of Miep Gies. Of al die mensen die we niet bij name kennen – die zich gaven, deelden, inzetten. In grote en kleine gebaren.

Vaak gaan mensen ook niet. Gaan de oproep van God niet aan. Blijven stil staan. En nemen er genoegen mee: als ik nou bid. En U geeft mij. Dan zal ik U prijzen.

Mensen nemen er genoegen mee.

God niet.

er blijft een stem, een verlangen roepen: geen gunsten maar recht

(afbeelding: Ikoon van Wassil Wasin, Mozes voor Farao)