Homohaat is niet altijd een vuistslag

Hun leven zou je zomaar geslaagd kunnen noemen. De een, Guido, is een geliefd professor kunstgeschiedenis in Londen, hij is getrouwd met een lieve vrouw en haar dochter, Leni, is zijn dochter geworden. Ze noemt hem “dad”. De ander, Costantino, runt een succesvol restaurant in Rome. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Een dochter en een gehandicapte zoon. Costantino is lief en zorgzaam voor hen alle drie.

Alle drie? Nee, voor alle vier. Voor zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon, èn voor Guido. “Zijn hand is teder als een bloem”,  schrijft Guido over hem. Maar die vierde liefde, die grote liefde, die mag er niet zijn. Kan er niet zijn. Moet er niet zijn. Een leven lang niet. Veertig jaar lang niet.

Guido en Costantino, beiden zijn Italiaan, beiden geboren in Rome, ze waren ooit buurjongens van elkaar, ze zijn van mijn leeftijd. Niemand heeft ooit rechtstreeks tegen hen gezegd, dat het niet kon. Zo werkt het niet, met homohaat. Het woord, haat, is een te grote jas. Voor een duivel die misschien klein is. Maar wel verwoestend aanwezig. Dat hij er niet mocht zijn heeft Guido begrepen “via de lucht”.  Dat laatste verzin ik een beetje, het komt uit eigen ervaring weggelopen. Je proeft het in de verwachtingen die tussen mensen rondzweven. Alle tienerjongens beginnen met tienermeisjes te flikflooien, te slijpen op muziek tijdens een klasseavond. Maar jij niet. Het valt niet op. Je weet: het valt op een dag wel op. Heb jij nog geen…? Nee, ik heb nog geen meisje. En je wacht op de onverholen honende toon in het antwoord: “Zeg, je bent toch geen…”  Nee zeg, ik ben geen.

De liefde van de mannen gaat ondergronds. Ze ontmoeten elkaar. In hotels, auto’s, bossen, parken. Het blust, voor even,hun hunkering, het wakkert, voor altijd, hun hunkering aan. Het wakkert nog meer aan: hun zelf-haat. Guido begint te drinken. Verliest zichzelf in een hoerenkast. Zegt later: “Nee, Costantino ik heb het nooit met een andere man gedaan.” Nog meer zelf-haat.

Homo-haat is lang niet altijd een slag in je gezicht. Het is een zure regen die miezerig en motterig op je neerdaalt. Die je meeneemt en kleiner maakt. Het zit in de blikken op een familiedag, verre familie die je zelden ziet. Het zit in het beginnen te mijden van zulke dagen. Het zit hem in een briefje in een damesblad “Ik heb niets tegen homo’s, maar …” Het zit in de stilte die valt als een kerkenraad ontdekt dat de man die jou rijdt, niet jouw chauffeur is, zomaar. Het zit hem in: daarna nooit meer gevraagd worden. Ineens. Het zit hem in: “Oh, maar jullie zijn een heel gewoon stel.” En het verzwegen: “Niet zoals die anderen”.  Welke anderen? Ik ben één van ‘die anderen’!

Homohaat lijkt een veel te groot woord. Terwijl de kracht hatelijk vernietigend is. De eindeloze discussies in de kerk, dat je er wel mag zijn, maar het niet mag doen. Dàt is het verwoestende. Dat je twee levens krijgt, als je niet oppast. Eén voor de buitenwereld. Eén voor binnen, als de voordeur dicht gaat.

Het zit ‘m in: “Uw vader ligt weer op de uitslaapkamer”, als je belt naar het ziekenhuis met de vraag “Hoe de operatie van mijn man is gegaan.”

Toen mijn man, jaren geleden, een nare uitslag had gekregen, omhelsden we elkaar in de wachtkamer. Juist kwam de arts naar buiten. Ze wilde ons wegsturen: ze zei “O nee, dit wil ik hier niet hebben.”

Homohaat is een moeras. Dat niet zomaar is droog te leggen. Van waaruit ineens giftig gas omhoog borrelt. Twee vrouwen die in Groningen tegen de grond worden geslagen onder de kreet “Plat op plat, dat vult geen gat.” Een man die in de metro in elkaar wordt getrapt “omdat hij erg gay keek”.

Op de dag dat Guido en Costantino besluiten dat het afgelopen moet zijn met hun onderwereld, op de dag dat Guido zegt “Ik schaam mij niet meer.”, op die dag worden zij beiden in elkaar geslagen.

Iemand schreef deze week: natuurlijk mag geweld tegen homo’s niet, maar ik onderscheid de leer van de Kerk daarvan. Hij bedoelde de leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Dat je er wel mag zijn, maar..

Er is geen onderscheid. In het moeras wacht het gif. En het wil naar buiten.

Over Schittering,

de achtste roman van Margaret Mazzantini

 

Advertenties

Geen vrede door geweld.

Israël

Soms ben ik jaloers op de Dalai Lama. Hij strijdt voor een land, en hij strijdt “aan de goede kant”. Hij is het slachtoffer. De daders zijn anderen. Hij roept op tot een geweldloze overwinning bovendien. Het maakt zijn glimlach oprecht en zijn boodschap van vrede en verlichting geloofwaardig. Misschien komt het door de afstand en is mijn blik daardoor niet scherp, maar hij lijkt niet verstrikt in macht.

Ik ben christen. Ik sleep tweeduizend jaar narigheid met mij mee. Nou ja, beetje overdreven misschien, maar toch: de kruistochten werden niet door animisten uitgevoerd en de boeddhisten waren niet de bedenkers van het antisemitisme. Nee, dat waren wij.

En in onze tijd zitten we vastgeklonken aan de strijd van Israël. Alles wat wij, christenen, over G’d zeggen, hebben wij immers van de Joden geleerd. Hoe wij aankijken tegen verantwoordelijkheid, recht, individualiteit, geschiedenis: zonder de Joden hadden wij anders gedacht. De schoonheid van de Psalmen leerden wij van hen. De diepte van de verhalen, Sara, Abraham, Jakob en Esau, Ruth, Saul, David, Debora, Tamar en al die anderen, hoorden wij van hen. Wij zijn aan hen schatplichtig. Ondanks onze meningsverschillen. Wij zijn aan hen verbonden, onlosmakelijk.

De Joden strijden óók voor hun land. Maar in niets lijken zij het slachtoffer. Dit keer niet. Het enorme geweld waarmee de Gazastrook wordt aangevallen, de overvloed aan indrukwekkende beelden; Palestijnse vrouwen, mannen, vaders, moeders die huilen om hun gedode kinderen – het schroeft je de keel langzaam dicht. Welk goed doel wordt hier mee gediend?

Er zijn christenen die aan de benauwdheid ontsnappen door te wijzen op de Bijbelse teksten. Er zijn landbeloften! G’d heeft ooit beloofd dat zijn volk zal terugkeren op de plek waarvandaan het verdreven werd. “Die tijd”, zeggen zij: “is nu.” Het recht van strijden ligt volgens hen in de opdracht van G’d om de vijanden uit het land te verdrijven. De Kanaäniet toén. De Palestijn vandaag.

Ik kan er niet mee uit de voeten, met deze uitleg. Als wij geloven dat Christus het volkomen offer was, hoe kunnen wij dan ooit nieuwe offers verantwoorden? Ik begrijp dat niet. In Christus is de geschiedenis omgedraaid, zeggen christenen, wij hebben onze schuld gezien, ons geweld en we zijn ons kapot geschrokken: op die weg niet meer verder. We hebben ook de liefde gezien waarmee ons leven wordt gevoed en gevuld en we dachten: dat wordt onze weg. Ik zeg het een beetje houtje-touwtje, en ik weet dat Christus nu juist een punt van vervreemding is tussen Joden en christenen: het gaat mij er om, wat christenen zeggen. Ik leef in verbondenheid met Israël, ook met de politieke staat Israël. Ik leef in verbondenheid met de Joden. Maar ik kan niet leven in verbondenheid met het geweld dat de staat Israël nu uitoefent.

Ik hoor Uri Avnery nog zeggen, op de Kerkendag in Utrecht meer dan tien jaar geleden: ‘er komt een dag, waarop de Israëli hun ramen opendoen en tegen hun buren zeggen: we zijn moe! We willen niet meer! Laat er vrede zijn! Er komt een dag, waarop de Palestijnen hun ramen openen en zeggen: “ook wij zijn moe! Laat er vrede zijn!”

Misschien kan alleen dit ons antwoord zijn: Israël, je beschadigt jezelf als je doorgaat met dit geweld. En je bereikt niet wat je ten diepste wilt: veilige grond. Je voedt je vijanden meer en meer jouw vijanden te zijn.

Misschien kunnen we dit van de Dalai Lama leren: vrede kan pas vrede zijn als je je geweld verlaat.

Walging is nog geen verandering.

Psalm 110 is weer zo’n tekst, dat je denkt: “Waar lees je nou eigenlijk de bijbel voor?’ De zinnen ronken van oorlogstaal. Van overwinnende oorlogstaal, ten koste van.

Er wordt een koning aangesteld, zo lezen we. Het is een proclamatie. “JHWH zegt tegen mijn heer: zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd als voetbankje.” Het is God die de oorlogstaal baart: hij zal de vijanden neerslaan.

En de koning volgt zijn voorbeeld. Hij slaat hoofden stuk en stapelt lijken op. Ziezo, dat is dat.

Ik word er een beetje weeïg van in de maag. Moet dit een heilige tekst zijn? Met al dat bloed dat er in rondstroomt? Kan iemand hem misschien schrappen?

Er waren tijden, waarin men niet zo’n moeite had met deze tekst. Christenen bestormden met deze woorden op de lippen Moslims, ze sloopten de muren van Jeruzalem, doodden iedereen die er in leefde. En omgekeerd trouwens net zo. Moslims hadden hun teksten, waarmee zij Christenen in de pan hakten. Een tijdgenoot van de kruistochten schrijft, dat het bloed van de gedoden tot kniehoogte door de straten van de stad stroomde. Nu waren de mensen kleiner, en zaten de knieën lager. Maar zelfs dan. Walgelijk.

Walgelijker nog dat het zo door welke god dan ook maar goedgekeurd zou worden. Dat het zo de bedoeling zou zijn.

Wij kunnen er niet meer tegen, dat iemand roept: “Deus le vult”, “God wil het zo”. Te veel slachtoffers gezien. Teveel smerigheid van godsdiensten gezien.

Soms bekruipt me de gedachte, dat het bloedvergieten “in naam van” nog altijd doorgaat. Walging of niet. Maar dat we er de ogen niet voor hebben. Toen Teun van de Keuken op onderzoek uitging waar onze chocola vandaan kwam, bijvoorbeeld, en hij daarbij op kindslaven stuitte. “Ja,” zei Nestlé: “Maar dat is niet ons beleid. Dat ligt in handen van de wereldeconomie.” Of anders wel van de wisselkoersen. Of het corrupte regime in het land waar chocola groeit.

Iemand ging op onderzoek uit, waar de mineralen voor onze mobiele telefoons weg kwamen. Daarbij stuitte hij op wapenhandelaars en bloedgeld en – alweer- slaven. “Ja”, zeiden de telefoonaanbieders: “Maar dat ligt buiten onze macht. Het komt door de wereldeconomie, door de corrupte regimes, door..”

Nooit vallen de groten ten prooi. Het zijn de scharrelaars die opdraaien voor.

We walgen van God in wiens naam mensen worden gedood.

en terecht

maar de goden in wier naam mensen over de stekels worden gejaagd zijn er niet door verdwenen

walging verandert de wereld niet.

Ze kan wel een bron zijn voor iets anders.

Omkeer, bijvoorbeeld.

 

Er is een tijd geweest, waarin men Psalm 110 zonder enige moeite las. Met hoop in de stem las, zelfs. De evangelisten doen het al zo. Zij slaan het lied op en roepen: die koning? Dat is Jezus!”

Ik begrijp maar half hoe ze er op kwamen. Was het hun “de-wens-is-de-vader-van-de-gedachte-blik”? Was het hun zielsverbondenheid met de kleine mensen? Of hadden ze in Jezus, dieper, iets gezien van waarheid? Van ja-zo-is-het?

Jezus lijkt altijd de uitzondering. Hij-die-van-mensen-houdt.

Mooi, maar onhoudbaar.

 

De wereld zit immers zo in elkaar: wie niet van mensen houdt en geen rekening met hen houdt, die komt hier het verst.

 

En dan die gekke evangelisten: nee. Niet waar. Wie niet van mensen houdt verliest zichzelf. Ook al wint hij misschien alles.

De evangelisten proclameren zo maar Jezus tot “zo zit het in de wereld in elkaar”. De barmhartige wint. Ook al verliest hij misschien alles.

 

Ik ben iedere keer weer overtroefd door de evangelisten van tweeduizend jaar geleden. Waar ik blijf steken in mijn walging, daar gaan zij verder. Waar ik foeter: de wereld is rot, mensen zijn idioten. Daar horen zij verder.

Het slachtoffer zou jouw koning kunnen zijn

Als zij psalm 110 lezen, keert de wereld ondersteboven in hun lied. Wie onderaan zit, komt boven. Wie bovenaan zit, valt naar beneden.

En G’d? Die moet je dus beneden zoeken.

Bij de mens die vermorst wordt.

Ik moet het lezen om het te geloven.

Luister, ik zeg niet wat ik zeg.

Psalm 35 is er een van het betere gooi- en smijtwerk. David, of iemand die zijn naam heeft geleend, bidt, roept, smeekt, eist om zijn tegenstanders tegen de vlakte te gooien. En dan bedoelt hij een vlakte waaruit nooit meer iemand opstaat.

We lazen het lied en voelden ons onhandig. Wat moet je hier nu mee? “Je moet G’d niet opzadelen met jouw problemen.”, zei iemand. Hij vond de psalmist laf. Hij moest maar eens met zijn tegenstanders gaan praten, of in elk geval zijn verantwoordelijkheid nemen. Als een klein kind naar G’d rennen, dat doe je niet.

“Nou”, reageerde iemand anders: “Ik kan mij wel in zijn woede inleven.” “Je kunt zó getergd zijn door anderen, zo verschrikkelijk gekleineerd worden, terwijl niemand om je heen merkt wat er gebeurt, dat je het ergste uitschreeuwt.” Ze vond het een nogal geruststellende gedachte, dat G’d zulke wensen toch niet vervult. Er zou geen mens meer recht overeind blijven, als Hij eraan zou beginnen. We staan allemaal wel bij iemand ‘op een lijstje’, tenslotte.

Een derde bracht in, dat je je donkerste gedachten kunt uitschreeuwen. Je kunt maar beter onder ogen komen wat er aan blubber in je wordt opgekookt. Schreeuwen tegen G’d is een betere oplossing tenslotte, dan met getrokken messen de ander te lijf gaan. En er daarbij ook nog van uit gaan, “dat je vanzelf in je recht stond.”

Zo spraken we over onze woede. En het geweld. Wat doe je ermee?

Eruit gooien is een therapeutisch betere weg.

En toen werd het stil.

We wisten niet zo goed meer wat te zeggen. En toch hadden we de indruk niet dichterbij de psalm gekomen te zijn.

Iemand begon voorzichtig. “Misschien gaat het niet over woede”.  Is dat alleen de buitenkant, de vorm. “Zou het ook kunnen dat er een heel ander verlangen achter schuilt?”, vroeg ze meer aan zichzelf dan aan iemand in het bijzonder. Zouden wij verlangen in boosheid omzetten? Is dat wat wij doen? En welk verlangen drijft dan deze psalmist?

“Hij wil gezien worden”, zei zij die las. “Zeg tot mijn ziel: zie Ik ben uw verlossing”, wees ze aan.

We dachten aan de vele keren waarop wij hadden geroepen: “Ben je nu pas terug! Wat ben je laat! Ik sta al een uur op je te wachten!” Terwijl wij hadden willen zeggen: “Fijn, dat je er bent. Ik had me zorgen gemaakt. Het gaat je goed, gelukkig.”

En dat was pas een piepklein voorbeeld. Wij zijn geen geweldige communicators. Wij vermommen ons boodschappen onherkenbaar.

Achter hoeveel verwijten schuilt een hart dat alleen is en gehoord wil worden?

De psalm bleef nog lang onrustig bij ons naschuren.