Walging is nog geen verandering.

Psalm 110 is weer zo’n tekst, dat je denkt: “Waar lees je nou eigenlijk de bijbel voor?’ De zinnen ronken van oorlogstaal. Van overwinnende oorlogstaal, ten koste van.

Er wordt een koning aangesteld, zo lezen we. Het is een proclamatie. “JHWH zegt tegen mijn heer: zet u aan mijn rechterhand, totdat ik uw vijanden aan uw voeten heb gelegd als voetbankje.” Het is God die de oorlogstaal baart: hij zal de vijanden neerslaan.

En de koning volgt zijn voorbeeld. Hij slaat hoofden stuk en stapelt lijken op. Ziezo, dat is dat.

Ik word er een beetje weeïg van in de maag. Moet dit een heilige tekst zijn? Met al dat bloed dat er in rondstroomt? Kan iemand hem misschien schrappen?

Er waren tijden, waarin men niet zo’n moeite had met deze tekst. Christenen bestormden met deze woorden op de lippen Moslims, ze sloopten de muren van Jeruzalem, doodden iedereen die er in leefde. En omgekeerd trouwens net zo. Moslims hadden hun teksten, waarmee zij Christenen in de pan hakten. Een tijdgenoot van de kruistochten schrijft, dat het bloed van de gedoden tot kniehoogte door de straten van de stad stroomde. Nu waren de mensen kleiner, en zaten de knieën lager. Maar zelfs dan. Walgelijk.

Walgelijker nog dat het zo door welke god dan ook maar goedgekeurd zou worden. Dat het zo de bedoeling zou zijn.

Wij kunnen er niet meer tegen, dat iemand roept: “Deus le vult”, “God wil het zo”. Te veel slachtoffers gezien. Teveel smerigheid van godsdiensten gezien.

Soms bekruipt me de gedachte, dat het bloedvergieten “in naam van” nog altijd doorgaat. Walging of niet. Maar dat we er de ogen niet voor hebben. Toen Teun van de Keuken op onderzoek uitging waar onze chocola vandaan kwam, bijvoorbeeld, en hij daarbij op kindslaven stuitte. “Ja,” zei Nestlé: “Maar dat is niet ons beleid. Dat ligt in handen van de wereldeconomie.” Of anders wel van de wisselkoersen. Of het corrupte regime in het land waar chocola groeit.

Iemand ging op onderzoek uit, waar de mineralen voor onze mobiele telefoons weg kwamen. Daarbij stuitte hij op wapenhandelaars en bloedgeld en – alweer- slaven. “Ja”, zeiden de telefoonaanbieders: “Maar dat ligt buiten onze macht. Het komt door de wereldeconomie, door de corrupte regimes, door..”

Nooit vallen de groten ten prooi. Het zijn de scharrelaars die opdraaien voor.

We walgen van God in wiens naam mensen worden gedood.

en terecht

maar de goden in wier naam mensen over de stekels worden gejaagd zijn er niet door verdwenen

walging verandert de wereld niet.

Ze kan wel een bron zijn voor iets anders.

Omkeer, bijvoorbeeld.

 

Er is een tijd geweest, waarin men Psalm 110 zonder enige moeite las. Met hoop in de stem las, zelfs. De evangelisten doen het al zo. Zij slaan het lied op en roepen: die koning? Dat is Jezus!”

Ik begrijp maar half hoe ze er op kwamen. Was het hun “de-wens-is-de-vader-van-de-gedachte-blik”? Was het hun zielsverbondenheid met de kleine mensen? Of hadden ze in Jezus, dieper, iets gezien van waarheid? Van ja-zo-is-het?

Jezus lijkt altijd de uitzondering. Hij-die-van-mensen-houdt.

Mooi, maar onhoudbaar.

 

De wereld zit immers zo in elkaar: wie niet van mensen houdt en geen rekening met hen houdt, die komt hier het verst.

 

En dan die gekke evangelisten: nee. Niet waar. Wie niet van mensen houdt verliest zichzelf. Ook al wint hij misschien alles.

De evangelisten proclameren zo maar Jezus tot “zo zit het in de wereld in elkaar”. De barmhartige wint. Ook al verliest hij misschien alles.

 

Ik ben iedere keer weer overtroefd door de evangelisten van tweeduizend jaar geleden. Waar ik blijf steken in mijn walging, daar gaan zij verder. Waar ik foeter: de wereld is rot, mensen zijn idioten. Daar horen zij verder.

Het slachtoffer zou jouw koning kunnen zijn

Als zij psalm 110 lezen, keert de wereld ondersteboven in hun lied. Wie onderaan zit, komt boven. Wie bovenaan zit, valt naar beneden.

En G’d? Die moet je dus beneden zoeken.

Bij de mens die vermorst wordt.

Ik moet het lezen om het te geloven.

Advertenties

Hoe G’d eenzaam werd. En hoe Hij nieuw leven vindt.

Of de zaal nu ook hóórde wat er werd gezegd, bleef mij onduidelijk. De mensen reageerden nauwelijks. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat ik het zelf ook al weer half vergeten was. Kennis die niet meer met jou praat, gaat verloren. En zeg nou zelf: hoe vaak denk je nou aan de Dodezeerollen?

Daar ging het over, vorige week. Heel precies ging het over een bijbelvers uit Deuteronomium. Dat de Allerhoogste het land verdeelde naar het aantal zonen van Israël. So far so good. De NBV zegt het klip en klaar. Net als de NBG en al die andere Nederlandse vertalingen. Maar er is een Latijnse vertaling, de Septuagint, zo genoemd omdat men ooit vertelde dat zeventig geleerden er voor hadden gewerkt, en dáár staan helemaal geen zonen van Israël, daar staan ‘engelen van God’. Schrijffoutje? Dachten de geleerden misschien dat elke zoon van Israël een eigen engel had? Zulke gedachten gingen wel rond in de groeitijd van de Schriften.

Maar toen hadden we nog geen snipper uit Qumran gelezen. Uit de honderdduizenden papiertjes kwam zomaar deze tekst naar boven. Tenminste, en hier ging het om: op de papiersnipper stond niet, dat de Allerhoogste het land verdeelde naar het aantal zonen van Israël, maar daar stond dat El-yon de aarde verdeelde naar het aantal zonen van God.

Nadat we afgelopen donderdag die tekst gelezen hadden, opende de inleider, Michael van der Meer de sluizen van zijn kennis. Dat God, ik bedoel de God van Israël, ooit deel had uitgemaakt van een godenfamilie. En dat Hij daarbij helemaal niet de hoogste was geweest. El-yon, dat was niet déze God, dat was zijn Vader! En Hij had maar liefst 69 broers gehad, zijn zussen nog niet eens meegeteld.

Nog verder stroomde de golf uit Van der Meers reservoir: die God van Israël, met die onvertaalbare naam JHWH, was ooit getrouwd geweest met Ashera. Er zijn nog asjerahbeeldjes van. Van Hem. Met zijn vrouw. Een pronte dame, het kan niet anders gezegd worden. Zij hoefde bepaald niet naar Schumacher voor een gevelreconstructie. “Zij was godin van de vruchtbaarheid”, zei Van der Meer.

De zaal hoorde het aan. Of niet? Misschien was het te veel. Te snel. Kennis die geen raakvlakken heeft met wat wij al weten, komt slechts na een lange weg bij ons binnen. Maar misschien dachten de mensen ook wel: “Weer iets nieuws. Laat maar.” Na Kuitert schrikken we nergens meer van, eigenlijk.

Ik vond het sneu voor God. Dat Hij zijn vrouw was kwijtgeraakt. Welk volk laat zoiets nou gebeuren? Met z’n tweeën is toch een stuk gezelliger dan alleen. Of niet? En dan die hele familie van Hem: weg. Ik voelde een koude wind, zo moest het rondom deze God zijn. Alleen in de avond, op een hoek van de straat, een kale straatlantaarn boven zijn hoofd. En verder een gure windvlaag als metgezel. “En drank”, zou Gerard van ’t Reve zeggen.

“Niemand is ooit in God zelf geïnteresseerd”, schreef hij, de dichter en schrijver. “Iedereen wil altijd iets van Hem” En dan heeft Hij ook nog niet eens iemand thuis om tegen aan te klagen. “Hij zou kunnen drinken”, vervolgt ’t Reve. “Hij zou ook niet kunnen drinken, dus wie zijn wij om te  oordelen?”

In de auto, na de lezing, vertelde Van der Meer, dat God zijn vrouw verloor door politieke machinaties. De Assyriërs, een dictatoriale koning, veel geweld: er was nogal wat voor nodig geweest. “Maar waarom hebben de Joden God zijn vrouw niet teruggegeven, toen zij dat konden?”, vroeg ik. We waren inmiddels al bijna bij het einddoel. Het bleef even stil. Van der Meer vroeg naar mijn bestaan. Waar ik gestudeerd had. En zo gleed Ashera ongemerkt uit het gesprek.

Maar niet uit mijn gedachten. Later in de nacht, in de uren waarop iedereen kwetsbaar en eenzaam is, hoorde ik God kreunen. Als in een kleine openbaring begreep ik de profeten. En vooral hun felheid. Als Israël nu niet trouw bleef aan G’d, dan zou Hij werkelijk de enig overgebleven zijn. Dan had Hij niemand meer om mee te praten.

Dan zou Hij sterven.

Ja, dat blijft toch de indrukwekkende intuïtie van het Joodse volk. Dat G’d òns nodig heeft. Dat onze werkelijkheid niet kan bestaan, als wij zelf niet onze inzet schenken. Israël gaf G’d wel een vrouw: zichzelf, namelijk. Er zijn lezingen die zeggen: die schepping van Adam, die eenzame Adam, en die schepping van Eva uit zijn rib – die gaan uiteindelijk over G’d en zijn volk. Over de messias en zijn bruid.

De vruchtbaarheid komt niet van goden, maar de vruchtbaarheid komt van ons, mensen. En vruchtbaarheid bij deze allenige G’d is: rechtvaardigheid, vrede, leven voor iedereen. En wij kunnen – op die manier- vruchtbaar zijn, omdat wij raakvlakken hebben. Wij zijn uit de rib van G’d gebouwd, tenslotte. Partners in business.

Ik hoor G’d roepen: “Joehoe, Adam, waar ben je?” Ik hoor Hem ineens met andere oren. Ik wil Hem verwarmen.

Ik werd de gelovige die ik vroeger niet begreep. En ik ben gelukkig.

Ik hield van mijn ouders. Zeg ik alvast maar, voordat je er aan twijfelt. En op een bepaalde manier hou ik nog van hen, ook al zijn ze gestorven. Maar missen? Nee, dat doe ik hen niet. Ik heb geen “had ik maar”, of “was ik maar”. Ik herken de gedachte niet, dat je nog zou willen dat ze er nog waren. Nee.

Ik vond het een soort bevrijding, toen mijn moeder stierf. Voor haar; ze was oud en telde de dagen. “Hoe vaak word ik nou nog wakker?”, vroeg ze eens doodvermoeid. Maar het was ook een bevrijding voor mij. Begrijp me goed: niet het soort, waarbij je de vlag uitsteekt en naar de buren uitroept: “Eindelijk!” Of “wat een prachtige dag wordt het hè?” Nee dat soort was het niet. Het was meer, zoals een kuiken uit het nest wordt gegooid. En nu op eigen vleugels het leven in. Je dondert wel naar beneden, maar voordat je de grond raakt, zeil je weg. Je had meer in je, dan je eerder dacht. Zo lang je ouders leven, blijf je toch kind. En vergelijk je je met wat zij vinden en zeiden, je zet je er tegen af, je vecht ertegen, of je voldoet eraan. Wilt de zoon zijn die zij in je zien. Of juist opzichtig niet. Een deel van jezelf blijft  in elkaar gefrommeld zitten. Toch.

Je merkt het pas, als ze er niet meer zijn. Ik hoef nergens meer aan te voldoen, ze kijken niet meer.

Maar ik kan hen ook niet meer om raad vragen. Of hoe het nou zat, vroeger. Wat mijn eerste stapjes waren. Ook dat is voorbij. Het heden strekt zich uit.

1334692621_Loejse Kaart Het Leven is Een Feest 1

Aan mij òf ik ga vliegen. En hóe ik dat ga doen. Ik vond het wel mooi, die ontwikkeling. “Fantoompijn” heb ik niet gekend. Toen mijn ouders leefden, was het goed

. Toen zij er niet meer waren, was het op een andere manier goed. En allebei paste, op dat moment, op die manier. Ik ging staan.

Het is deel van het leven. Dat je meer en meer gedwongen wordt op je eigen voeten te gaan staan en vanuit je eigen innerlijk te gaan leven. Geen steun meer van buiten.  Met G’d verging het mij al evenzo. Dat is lastig en prachtig tegelijk.

Toen ik een kind was, was G’d altijd bij mij. Ik kon gaan slapen, want G’d hield de wacht. Ik kon naar school, want G’d lette op. Hoe ik dat dacht met auto’s en verkeer, weet ik niet. IK dacht er niet over na, volgens mij. Hij was er bij. Mij zou niets gebeuren.

Toen ik zeven was, werd ik door een auto aangereden.

Dit verloor ik: dat G’d voor veiligheid zorgt. Dit behield ik: dat G’d mij de weg zou wijzen. Ik zou een teken ontvangen, merken, of ontdekken wat mijn weg zou zijn. “Zolang”, want ja dat hoorde er wel bij: “zolang ik deed wat Hij van mij vroeg.” En ja, helaas. Dat vragen stroomde al gauw, als water, naar het laagste punt: mijn schaamte en mijn verborgenheid. Ik leerde vertrouwen. Maar ik leerde ook angst. Als ik maar niet toegaf aan… Als ik maar..

En toen werd ik verliefd op een jongen. Ik was 24. Tsjonge wat werd het een onoprecht, verwrongen, verborgen gedoe. G’d zou er vast iets van vinden. En positief zou het niet zijn. Mijn schaamte keerde zich binnenstebuiten. En G’d? G’d werd een last.

Na hun dood werden mijn ouders opnieuw geboren. Niet in een andere wereld, dat misschien ook, ik weet daar niet zo veel van. Ze werden allereerst geboren in mij: als vrijheid. Ik had alles meegekregen wat nodig was. Zelfs als ik vond, dat ik niet het juiste had meegekregen, moest ik het hier toch maar mee doen. Ik doe het er mee. Zij deden wat zij konden en het was goed. Nu doe ik wat ik kan.

Mijn grote verbazing was deze: bij het lezen van de Schriften zag ik, door de bijbelboeken heen, hoe G’d zich terugtrok. Hij blijft de mensen niet op hun nek zitten. Hij doet stappen achteruit. Laat het.

Is hij in het begin nog de Schepper van de mensen, en in die zin verantwoordelijk voor hun bestaan, het blijft niet zo. Stap voor stap, schok na schok, wordt Hij hun tegenover, hun verwoester, hun Knechter. Het lijkt wel de tienertijd van de mens, als je leest in Exodus, als je stilstaat in Leviticus. Wat de mensen allemaal niet moeten! En wat ze allemaal niet mogen! Ik vind de ogen terug van mijzelf, toen ik zestien was.

Maar het gaat verder: G’d die in de eerste boeken onbekommerd spreekt, wordt later vertegenwoordigd door engelen. Later zijn het profeten die spreken “namens”. Later is er de Zoon  die spreekt. G’d wordt ouder en verlaat het toneel.

Voor wie?

Voor de mensen.

Voor mij. “Gij zult”, spreekt de Heer: “grotere dingen doen, dan ik.” Daarbij gaat het niet over gekkigheid als het oppakken van slangen. Maar om dit: dat jij jouw leven vormt met de ingrediënten waarover je las.

“The bible is like a cookingbook”, zei een rabbijn en het sprak mij gelijk aan: “It writes how to cook chickensoup. But you must cook it.” Aan jou, hoe je het gaat doen.

Fantoompijn? Ik was er bang voor, ooit. Stel, dat G’d niet zo dichtbij is, als ik nu denk!

Maar ik leerde de angst loslaten, ik moest wel. Dit was de ontdekking: de pijn bleef uit. Ik vond het onthullend. Dat er zo veel vertrouwen aan mij is gegeven, dat mijn ouders konden sterven.

Dat G’d zich kon terugtrekken.

Hoe intelligente mensen bij G’d het spoor bijster raken.

En opnieuw gaat Bert Keizer op speurtocht naar G’d. Verbeten haast schijnt hij met de zaklamp van zijn pen alle hoeken van de wereld af. Om aan te tonen dat hij gelijk heeft: er is nergens een wezen te bespeuren dat zou kunnen luisteren naar de naam “God”. Elfjes bestaan ook niet, tenslotte. En het “Verschrikkelijke Spagghettimonster” evenmin. Die twee zijn toevoegingen van mij. Om duidelijk te maken: de queeste van Keizer – en van zo veel intelligente mensen met hem- is deze: de David van Michelangelo bestaat. Je kunt hem bezoeken, aanraken, bekijken, hij neemt plaats in en is van een substantie. Van G’d kun je dat niet zeggen. Sterker nog: er is geen enkele werkelijkheid waarin G’d zou kunnen bestaan.

IMG_20140215_105628 (2)Anton Dingeman ziet in dezelfde krant G’d dan ook naast de kabouter en de draak staan, bang dat hun niet-bestaan ontdekt wordt. Ik vind Anton Dingeman vermakelijk. Ook vanmorgen. Maar daarom geloof ik nog niet alles wat hij mij voorschildert.

Beiden delen een harde klap uit, maar pijnlijk: naast de spijker. Terwijl ze zelf denken dat ze boven op de kop slaan. Nee dus.

“God behoort tot de verbeelding”, zegt Daniël Dennet, de Amerikaanse filosoof. Hij kreeg er zelfs een prijs voor uit handen van onze koning. Ik zie die uitreiking ook maar als een klein eerbetoon aan mij, in alle bescheidenheid. Ik zou immers niet weten, tot welk terrein G’d anders zou moeten behoren. Niemand heeft G’d ooit gezien. De Bijbel, grote kenner van G’d, zegt het zelfs: “Nee, wij hebben Hem nooit gezien”. Niemand was erbij toen de aarde begon, laat staan het heelal. “En al zou je er wel bij zijn, bij het begin, en je zou er met je neus bovenop staan, dan nog zou je het niet zien.”, zegt de nog altijd intrigerende Teilhard de Chardin. Niemand sprak met Hem, niemand van de levenden in elk geval, niemand hoorde Hem. Zelfs wetenschappelijk onderzoek toonde aan, dat die stukjes van onze hersenen oplichten bij het noemen van G’d die ook actief worden bij woorden als “hoop”, “ideaal”, “verwachting”. Het verbaast mij niets.

Mensen hebben een ongeneeslijke neiging om in alle dingen een verband te zien. Het is drie uur, er staan drie primulaatjes in de vensterbank en ik lees in de Donald Duck, precies op dat moment, “de drie neefjes gingen op stap”. Mij valt dat op. En ik denk: “Hé….!” Mijn hond ligt naast mij. Hem valt niets op. Nou, misschien dat de kachel wel wat hoger mag. Maar verder slaapt hij door als een marmot. Een vergelijking die ook alleen in mijn hoofd bestaat.

De verbeelding helpt ons om te kiezen en om te besluiten hoe te handelen. Wie met een lege maag door een winkelstraat loopt, nou goed: vóór de internetwinkelhausse dan, ziet de modezaken niet. Wie in de Libelle las dat paars he-le-maal hip is deze winter, ziet geen enkel rood jasje hangen. “G’d” gaat over de verbanden die wij leggen. Over wat wij vermoeden en als achtergrond beschouwen van ons bestaan. Misschien is het nog krasser: bestaan onze keuzes en handelingen ook enkel in onze verbeelding.

Wie objektief op Venus gaat zitten en naar de aarde kijkt, ziet geen keuzes, maar ziet de maalstroom van het leven. Leegte. Totale leegte. Vreest mijn verbeelding.

Dennet beschouwt het alles als een overblijfsel uit de oertijd. Als in die dagen struiken begonnen te ritselen, dan kon je maar beter denken dat er een roofdier achter zat en het op een lopen zetten. Je zag het roofdier niet. Je hoorde het evenmin. “Ritselen” betekende domweg “roofdier” en “rennen, nu!”. “Drie primulaatjes” betekent, daardoor, nòg: dit kan geen toeval zijn.

Nou, dat laatste ziet Dennet dan als een doordraaien van ons systeem. Gelovigen zijn eigenlijk cro-magnon mensen die nog niet tot het niveau van de magnetron zijn opgestegen. Uit onbepaalde signalen trekken ze ongegronde conclusies. Voor hem is daarmee “het geloof”  afgeschreven.

Kijk, dat begrijp ik nou nooit. Je hebt een bult hersenen. Je doorziet de dingen haarscherp. En dan trek je zulke onnozele conclusies. Dennet toch. Keizer toch.

Ik denk dit: iedereen verbeeldt zich verbanden. Of je nou christen bent, moslim of helemaal niks, zogenaamd. Ik ben geen wetenschapper, ik kan het niet met feiten onderbouwen en toch denk ik dat dat zo is. Ik ben een blogger. “De president van Amerika niest, de yen stijgt op de beurs van Tokio en de huizenmarkt in Nederland trekt aan”. Een nieuwslezer kan het met droge ogen voorlezen. En ook nog woordjes er tussendoor vlechten als: doordat, daardoor, en dus. Wij zien de economie stijgen. We zien de economie dalen. We weten dat de economie offers vraagt, helaas. We denken dat mannen-van-naam alléén de zaak weer op de rails kunnen krijgen. Wij, het klootjesvolk, de postbodes en machinebediendes, wij moeten het maar zo’n beetje ondergaan. Heeft iemand ooit “de economie” gezien? Nee. Er mee gesproken? Nee. Er aan geroken? Nee. Wij verbeelden ons dat ze bestaat. En dan het mirakel: doordat wij het ons verbeelden, komen wij het tegen.

Wie honger heeft, ziet bakkerijen. Wie van mode houdt, spot direkt de winkel van Cool Cat.

Dit wordt een lang blog. Ik wil nog een finale: G’d gaat over verbeelding, zei ik. Dat deelt Hij met heel veel dingen – en nu wil ik af van de kabouters en spagghettimonsters en andere gekkigheid- wij hebben sterkere geloven: wij geloven in macht (om verschil te kunnen maken moet je macht hebben) alsof die bestaat buiten de verbeelding om, wij geloven in roem (Madonna heeft het toch net iets beter gedaan dan de uitkeringstrekker bij mij vergeten om de hoek), wij geloven in gezondheid en in jeugd. Wij geloven in een bepaalde indeling van onze samenleving. Wij geloven zelfs dat er verschillende mensen bestaan: Turken en Nederlanders, Moslims en christenen, gelukten en mislukten; nou ik heb nieuws: we delen allemaal dezelfde aardkloot en hetzelfde knullige leven. Kans op dementie lopen we allemaal evenveel. En de kansen om dood te gaan zijn ook gelijkelijk over iedereen verdeeld. Hoezo, verschillen? Wij verbeelden het ons. En daarom bestaat het.

Dit wordt de finale: niet elke verbeelding is gelukkig of heilzaam. Dat ik denk van mijn partner te houden omdat hij zo edel is en oprecht, zo grappig en moedig, is in mijn voordeel. De werkelijkheid is geloof ik, dat je verliefd wordt op elkaar doordat je genen iets willen. Bij mij hebben die dan nog pech ook. Ik geef de voorkeur aan de verbeelding, in dit geval. If you don’t mind.

Maar er zijn ook gevaarlijke verbeeldingen. Dat we gas onder de grond meer waard vinden dan de levens van mensen er bovenop, vind ik zo’n ongelukkige verbeelding. Dat de grondprijs (om in deze hoek verder te gaan) bepaalt welke speelruimte boeren hebben om zorgvuldig met hun vee en hun producten om te gaan, is ook zo’n verbeelding. Sinds wanneer staat de grondprijs in gouden letters in het heelal beschreven?

Nog gevaarlijker: dat de ene groep mensen meer waard is dan de andere. Denk maar niet, dat we daar sinds de Tweede Wereldoorlog vanaf zijn Syrië, de gevechten tussen “wij” en “jullie”. Werden “jullie” op een andere manier geboren, dan “wij”? Zijn “jullie” moeders niet van vlees en bloed? Kunnen “jullie” van een flat vallen zonder dood te gaan? “Jullie” koken de spruitjes anders dan wij, dat was het geloof ik.

G’d is een poging om de heilzame verbeeldingen te scheiden van de onheilzame. Om de gelukkige verhalen te onderscheiden van de ongelukkige. In de Bijbel zie je dat proces voor je ogen gebeuren. G’d, die zelf gelooft in macht en kracht en doden en rondmaaien als de Terminator himself, wordt een mens en verliest geloof na geloof, totdat Hij niks meer overhoudt.

Soms ziet een stervende het ineens. De juiste verbeelding. En roept hij zijn buurman met wie hij twintig jaar niet sprak vanwege, wie zal het zeggen, een verkeerd gelegd tuinpad. Dat hij nog wil praten. Nu.

G’d gaat niet om een wezen op een bepaalde plek. Keizer richt zijn lampje in de verkeerde richting. Daardoor ziet hij niks. G’d gaat om het juiste hongerig worden.

En dan de goede bakkerij te vinden. 

Dat is het.

De neiging om dingen te verkloten.

Of ik wel eens theologie lees, vroeg iemand. Ik geef toe: theologie om de theologie is niet helemaal mijn liefhebberij. Theologie ontdekken, waar die niet direkt is bedoelt fascineert mij meer. G’d tegenkomen, zoals een oude bekende op een onverwachte plek, dat is het leukste. Maar soms treft Hij je op een bedoelde plek.

Onverwacht kreeg ik “Dit is geen verdediging!” in handen. Het is wel vaker zo, en ook nu: de Engelse titel is leuker: “Unapologetic”. Totaal onvertaalbaar. “Dit heeft geen verdediging nodig”, zou je ook kunnen zeggen. Of “Ik ga geen sorry zeggen!” Francis Spufford is de schrijver. En hij bedacht er een negentiende-eeuwse fantastisch lange ondertitel bij: “Waarom het christendom, ondanks alles, verrassend veel emotionele diepgang heeft.”

Wel eens een hardloper uit zijn startblok zien schieten? Zo knalt het boek weg. Drie bladzijden lang somt Spufford alle bezwaren op die je tegen het Christelijk geloof kunt aandragen. Zijn zesjarig dochtertje zal ze de komende jaren allemaal horen, in steeds toenemende geluidssterkte. Het varieert van: geloof is achterhaalde onzin, naar “geloof is onverdraagzaam”, langs “God is een bewezen onmogelijkheid” tot: “gelovigen zijn stumperds die de werkelijkheid niet aandurven en er daarom uit wegvluchten.” Je zou zeggen, na dit spervuur van verwijten en bezwaren is er geen enkele ruimte meer om nog iets aardigs over geloven te zeggen. Het ligt nu toch op z’n minst morsdood op de grond, zou je denken.

Maar nee: de race mag dan al begonnen zijn, voor Spufford is het nu pas tijd voor het startschot: voor hem is het christelijk geloof een mogelijkheid om de werkelijkheid juist scherp te zien. En die mogelijkheid is deze: het christelijk geloof liegt niet over de ongelofelijke oelewapperigheid van mensen. En houdt tegelijk staande dat mensen geweldig en geliefd zijn.

Dat laatste zegt alle moderne spiritualiteit ook, schets Spufford. Dat wij goed zijn, wordt ons van alle kanten toegeroepen. Over eventuele andere kanten wordt gezwegen. Spufford noemt het “gevaarlijk optimisme”. Wie van zichzelf denkt dat hij alleen maar goed is, zal zijn donkere kanten voor zichzelf en voor anderen gaan verhullen. Hij ontkent zijn wezen en voelt zich aangevallen zodra door een of andere oorzaak zijn mindere kanten toch zichtbaar worden. “Onze samenleving”, zegt Spuford: “weet zich geen raad met het kwaad, omdat zij niet gelooft dat mensen – ondanks hun geklungel, toch geliefd zijn.

“Mijn neiging om de dingen te verkloten” noemt Spufford het. Hij wil breken met de oude termen, omdat mensen die niet meer verstaan. Bij ‘zonde’ denken mensen aan seks op het verkeerde moment met de verkeerde persoon, of aan een ijsje met te veel calorieën, of in elk geval horen ze er een afwijzing in van alles wat leuk, spannend en lekker is. “Daar gaat het niet om”, reageert Spufford.

Waar gaat het dan wel om? De schrijver landt hier op de meest ontroerende bladzijden van zijn boek: hij vertelt hoe hij zijn vrouw verraden heeft. Zij is woest op hem. En hij op haar. Want als zij niet…. dan zou hij niet…. Ruzies die steeds weer opnieuw beginnen en die nergens eindigen en nergens naar toe gaan. Ze verwoesten alles wat er was en alles wat er nog zou kunnen komen. Direkt na één van dergelijke explosies van woede gaat Spufford ergens koffiedrinken. En terwijl een zwarte wolk van schade om hem heen hangt, prikken daar ineens de tonen van een Adagio van Mozart dwars doorheen. De schoonheid van het stuk, de onverwachtheid ervan, dringen tot hem door als stralen licht. Liefde zoekt hem. En in die liefde durft Spufford te erkennen: ik heb de dingen verkloot.

“G’d”, zegt Spufford verderop: “haalt dit truukje iedere keer weer uit.”

De bladzijden komen eigenlijk te vroeg. Er volgen nog taaie hoofdstukken over godsbewijzen, hoewel hij helemaal niet wou bewijzen dat G’d wel of niet bestond. Spufford zegt zinnige dingen, maar hij drinkt hier duidelijk uit een rustiger kopje koffie dan toen hij het Adagio hoorde. Er volgt een nòg taaier stuk over Jezus. Ik biecht het maar op: hier sloeg ik hele bladzijden over.

Het einde van het boek maakt weer veel, heel veel goed. Hij zegt daarin: de kerk is de kring waarin wij elkaars ‘verkloot” aanvaarden, zoals G’d ons gekloot aanvaardt. Het is allemaal nog erg experimenteel. Elke generatie begint opnieuw. Maar het is de moeite meer dan waard.

Hij schildert hoe op zondagochtend na de kerkdienst wat oude vrouwen, een paar gezinnen en kinderen onwennig koffie staan te drinken met elkaar. “We zochten elkaar niet uit. We werden uitgezocht. Ons deelt Onze Neiging Om de Dingen te Verkloten.”

Je voelt je bij zijn beschrijving van een landelijke Anglicaanse kerkdienst als in een aflevering van “Midsummer murders”, met dat lieflijke landschap, de oude vriendelijke vrouwtjes en de stille dorpjes. Maar je weet: onder die uiterlijke schijn van goedheid grommelt het kwaad. En toch lijkt het je een heerlijke plek, daar in Midsummer.

 

De economie van de weduwe.

Soms spat de actualiteit uit de Bijbelteksten. Ik weet wel, er zijn ook Bijbelteksten waar het stof van eeuwen op blijft liggen, hoe vaak je ze ook leest en herleest, maar andere staan springlevend voor je en spreken je aan, alsof ze vlak voor je neus geschreven werden. 1 Koningen 17 is zo’n verhaal. Er komt wat ogenschijnlijke hocus-pocus in voor. Van zo’n meelpotje dat alsmaar meel blijft geven. Lastig voor ons, no-nonsens publiek. Laten we er daarom voor even dit over afspreken: als bij de Harry Potterfilms tieners op een bezemsteel stappen voor een potje zwerkbal, dan is er niemand die vraagt om het bioscooplicht aan te draaien voor een discussie “of zoiets wel kan, of niet.” Je dompelt je onder in het verhaal en laat het daar doen wat het wil doen. Ja, toch?

Zo wil ik het Bijbelverhaal ook lezen. Het gaat niet om de vraag “hoe kan dat?” of  “heb je nog altijd potjes die voor eeuwig meel geven?”, maar het gaat om de vraag: wat wil het ons zeggen. En: wat ga je nu doen. Vooral dat laatste.

Wat is er nu zo aktueel aan 1 Koningen 17? Dit: er is een koning die druk doende is met welvaart, groei en voorspoed. Hij zoekt de kracht van zijn land in de kracht van geld. In hoofdstuk zestien heet het: de koning aanbad de Baäls, de Astartes en de heilige palen.

Over die palen vroeg professor Van der Woude ooit in een examen, wat hun betekenis was. Ik wist het niet. “Kom, kom mijnheer Van Dijk. Het zijn palen, ze staan rechtop. Wat kan dat nu zijn?”, moedigde hij mij aan.  Het begon mij enigszins te dagen. Ik was nog erg onschuldig in die tijd.

Okaye, die koning dus. Met zijn economie, zijn groei en zijn voorspoed. Hij lijkt het centrum van de wereld. Dat is hij ook: hij woont in Den …., o pardon, in Jeruzalem.

Het Bijbelverhaal zwenkt de spotlights echter een totaal andere kant op. Naar de periferie. Daar loopt een profeet. Elia. “Let nu op, wat hij gaat doen”, lijkt de bijbelschrijver ons te willen zeggen: “want hij doet wat waar is en leven geeft.”  Hij, niet de koning.  Elia, de profeet, hij gaat naar een weduwe. Toevallig uit dezelfde landstreek als de vrouw van de koning. De koning is er dus óók geweest, op die plek. Maar hij had er vooral de mooie vrouwen gezien. Elia ontmoet een weduwe. Ze heeft niet veel: nog een potje vol meel en een kruik vol olie. Genoeg om brood te bakken voor haarzelf en haar zoon. “Bij u moet ik zijn”, zegt de profeet.

Dat heeft hij niet van zichzelf. Die keuze, om bij de weduwe te willen zijn, komt voort uit zijn spiritualiteit, uit zijn visie op het leven en op wat belangrijk is. Zijn keuze komt voort uit G’d, zo zeggen de schriften.

10434522-havana-19-mei-oude-dames-met-sigaren-mei-19-2011-in-havana-iconic-personages-als-deze-zijn-een-attraOok de koning wordt door spiritualiteit gedreven. Door de spiritualiteit van “meer is beter”

Elia wijst met zijn aanwezigheid op de mensen die door de politiek van de koning zwak worden gemaakt. In de bijstand raken. Of buiten beeld vallen.

Bij de koning valt de weduwe uit het beeld. Zijn camera staat er niet op. Hij heeft er geen antenne voor

Bij Elia valt de koning uit beeld. Zijn camera staat op deze vrouw. Hij ziet haar. En hij ziet haar schoonheid.

En dan het wonder: bij de koning is het nooit genoeg en er is altijd tekort. Er moet altijd méér bij.

Bij Elia en de weduwe is er nooit tekort. Want zij hadden genoeg.

Zij zien elkaar.

Goed, blijft dus de vraag: wat zouden wij kunnen doen?

 

Het persoonlijke zet in beweging.

Is het persoonlijke mode? Je zou het soms denken. Er is een stortvloed aan emo-televisie. De camera zoemt in op tranen. Dat willen we hebben. Na drie uur “Zomergasten” kreeg Wouter Bos het verwijt ‘onecht’ te zijn, te veel schuil te gaan achter een imago. Hij wimpelde vragen af, waarvan hij vond dat ze te persoonlijk waren. We hadden liever oh-gaan-we-persoonlijk-wordende echte Wouter Bos gezien.

Een terecht verlangen? Sommige commentaren vinden het pornografisch.

Ik zou de vraag willen omdraaien: waarom zouden mensen zich schuil houden achter een rol?

Een nefroloog die ons begeleidde was steeds vakkundig, afstandelijk en zakelijk. We wisten nooit helemaal wat we aan haar hadden. Ook wij bewaarden afstand tot haar. Toen gebeurden er steeds grotere dingen. Mijn partner werd zieker en zieker. Ze stond bij zijn bed. Ze begon een toespraak over beleid, prognoses en verwachtingen. Ik moest mijn kop erbij houden om het allemaal te volgen. Ik dwaalde af. Mijn donkerste gedachten kregen vat op mij. Toen drongen ineens andere woorden door: “Ja, dit is moeilijk, hè? Ik weet het.” Ik keek opzij en zag een bewogen vrouw. Op dat moment dacht ik: dit komt goed.

Het persoonlijke beweegt meer, denk ik soms, dan het algemene. Omdat wij mensen persoonlijk zijn. Uitzonderlijk, daardoor afgezonderd van elk ander en toch uit op contact. Ik genees, wanneer jij weet waar ik ben. Jij ziet weer licht als een ander van binnenuit deelt wat jou raakt.

Willem-Alexander sprak over zijn moeder en over zijn broer. En wij dachten aan onze moeders en onze broers. En hoe veel, hoe rijk en hoe pijnlijk de verhalen zijn die wij met hen delen. Daarna kwam het beleid. De woorden stroomden aan ons voorbij als het geruis van de zee. Koopkrachtplaatjes en participatiemaatschappijen laten ons nogal onbewogen.

Wat gek nou, dat sommige dominees G’d dan toch onpersoonlijk willen hebben.