Het zonnelied revisited.

Blogde ik gisteren de protestantse versie van Franciscus’ zonnelied. Ik houd wel van de melodie. Stevig. Moedig. “De paden op, de lanen in”, met frisse rode konen. De hopman gaat voorop.

Later drong het tot mij door, dat dit Gereformeerder is, dan Franciscus ooit heeft kunnen zijn. Hij was afhankelijk van zijn roeping, en van zijn roeping alleen. Er ging niemand voor hem uit. Vóór hem lag meer onzekerheid  dan duidelijkheid. Als zijn konen al gloeiden, dan van de spanning: wat moest het worden, dat nieuwe leven van hem?
Duidelijk was wat hij niet meer zou zijn: niet meer de zoon gekleed in zijde en brokaat. Niet meer de beoogde opvolger van zijn vader. Niet meer een geacht inwoner van de stad. Zijn vader had hem, na zijn ‘bevlieging’ nog een aantal dagen in een kast opgesloten. Hij dacht, dat zijn zoon gek geworden was en moest afkoelen. Naar onze 21ste-eeuwse maatstaven had hij misschien gelijk. Franciscus zelf ervoer het anders: hij was geraakt door een wezenlijk weten: wij zijn verbonden met de minsten van alle mensen.

Maar hoe dat vorm moest krijgen, dat hij met zijn lijf en leven deelgenoot van hen zou worden, dat moest gaandeweg maar blijken. Zijn musiceren bleef meer fluiten in het donker.

Waar valt dat te horen? Misschien in de versie hieronder. Mooi, hoe onder het loflied, een kyriëgebed is gemonteerd. En ja, dat Italiaans hè. Dat maakt het lied al vanzelf doorschijnender.

Advertenties

Verzengende liefde om niet te verdrinken.

We zongen het Zonnelied, het was rond 4 oktober. Ik wist niet veel van het Zonnelied, behalve dat het geschreven is door Franciscus van Assisi, die ‘arme dwaas Gods”. Veelvuldig duikt in de verhalen over hem zijn speelsheid op, zijn naïviteit. Hij lijkt soms een groot kind dat welgemoed aan elke bloem ruikt en er de geur van diep tot zich door laat dringen. Hij preekte voor de vissen en hij zong voor de bomen. Een bloemenkind.

Zo is ook zijn lied. En zo heb ik het altijd gezongen. Als van één die de wereld vertrouwt en als zijn vriend beschouwd. “Broeder zon”, zingt hij en “zuster maan”, ‘moeder aarde”, en zelfs “broeder dood”. Sommige mensen hebben de gave om onder alle omstandigheden open te blijven en hartelijk.

Wat schrijft nu Kees Waayman? Dat Franciscus dit lied helemaal niet huppelend heeft geschreven. Ik viel er even stil van. De man was 42, aan het eind van zijn leven. Zijn roeping had hem uitgeteerd en teleurgesteld. Hij had ruzie met zijn broeders die zijn hoge idealen niet hadden begrepen, vond hij. Hij was zoals hij begon: eenzaam en naakt. En toch wilde hij zijn verdraaide roeping blijven omarmen.

In de boekenkast van mijn ouders stonden een aantal boekjes van Simons Carmiggelt. Eén daarvan heette “Fluiten in het donker”. Verhalen vol melancholie van een drankzuchtige, romantische ziel. Geen idee of Carmiggelt drankzuchtig was. Ik dacht dat zo: iemand die zoveel treurigheid van het leven in ademt, om vervolgens zoveel verlangen en melancholie uit te ademen, die moest wel een buffer tussen die twee hebben. Of een brug. Drank, of een grote liefde. Die liefde buiten alle grenzen was er, bleek later uit een nogal genant boekje van Renate Rubinstein. Genant, omdat het zo intiem was. Zij was zijn fluiten in het donker.

Franciscus floot een lied. Over zijn grote liefde. Zijn grenzeloze, alles overkomende liefde. Hij ging er aan onderdoor. Maar hij leefde er ook uit. Als hij er aan onderdoor ging, zijn depressies, zijn teleurstellingen, dan leefde hij er uit. En als hij er uit leefde, bleef hij op weg.  Zonder de liefde zou hij uitgeleverd zijn aan zijn duister. Maar hij moest wel blijven zingen. Hij moest zingen om het zich weer te herinneren: geen duister is tegen een liedje bestand.

Vaak heb ik gedacht, Rubinstein heeft ervoor gezorgd dat Carmiggelt niet te gronde ging. Ze hield hem aan zijn regenjas vast.

Zoiets heeft G’d nu ook gedaan met deze “arme dwaas”.