De paranimfen van G’d

 

“Geld en Groei” ze waren de Knabbel en Babbel uit de troonrede. De zinnen die Rutte schreef juichten, omdat beide er weer waren. We hebben weer geld! En we groeien weer! De enige vraag die nog openstond: we moeten ervoor zorgen dat nu iedereen ervan gaat profiteren. De champagne stroomt inmiddels al zó lang bij wie geld heeft, dat er nu wel wat priklimonade geschonken mag worden bij wie dat niet heeft.

Geld en groei zijn twee paladijnen van een oeroude god. Van Baäl. Baas. Of van Ra, de zonnegod. Of van de Economie, huisgod van de rich and famous. En ja, het ìs heerlijk als je tot die groep behoort.

Ooit stonden heren in rok en dames in het lang glazen leeg te drinken op het grote balkon van de opera in Budapeszt. De zon ging onder. Wij wandelden in onze sjofele toeristenkleren voorbij. Ik voelde jaloezie. Waar zij stonden, wilde ik staan.

De weg naar dat balkon is die van, juist, geld en groei.

Maar. Er zit een lelijke kant aan dit verhaal. De Tsjech Sedlacek heeft dit een paar jaar terug scherp onder woorden gebracht. “Economie lijkt een neutrale, natuurkundige grootheid, maar is dat niet. Economie vraagt geloof in egoïsme en dat is een morele positie.” Een positie die, bij voorbaat al, anderen uitsluit.

Die mensen staan daar op het balkon, doordat anderen er niet staan. Zij hebben geld, doordat anderen het niet hebben. Marx schreef in zijn Das Kapital dat geld uiteindelijk op hopen terecht zal komen bij enkelen. En dat de velen niet zullen hebben.

Geld en groei hebben meer iets van een knikkerbak. Wie het diepst gaat met zijn egoïsme zal de meeste knikkers ontvangen. De rest heeft het nakijken.

In de Bijbelse geschriften heeft Baäl een tegenspeler. Een klein godje van een klein volkje. Ergens in de marge. JHWH. Ik ben er, betekent die naam. Ook híj heeft twee paranimfen. Chesed en Emet. Waar die twee verschijnen, daar is IK BEN. Waar IK BEN is, daar zijn zij.

Chesed en Emet zijn niet zo eenvoudig te vertalen als geld en groei. Ze zijn ook minder zichtbaar. Net als hun G’d. – die ik met een hoofdletter schrijf omdat je anders over hem (hem?) heen zou kijken.

Ze betekenen zoiets als “vriendschap en waarheid”,  of “liefde en echtheid”,  of “mild en waar”.  Het zijn twee woorden die niet omhoog klimmen tot in de torens van glas, ver verheven boven de schoonmakers, de rioolreinigers, de modderkruipers. Het zijn twee woorden die naar beneden komen. Ze dromen niet van een godenwereld. Ze willen, zal ik maar zeggen, mens onder de mensen worden

Het echte wonder gebeurt natuurlijk, waar mensen van hun balkon afkomen.

De vraag had niet moeten zijn: hoe worden wij sterk en rijk. De vraag had moeten zijn: hoe worden wij mild, echt, hartelijk, eerlijk, vriendelijk – kortom: hoe worden wij mens.

 

Advertenties

De economie van de weduwe.

Soms spat de actualiteit uit de Bijbelteksten. Ik weet wel, er zijn ook Bijbelteksten waar het stof van eeuwen op blijft liggen, hoe vaak je ze ook leest en herleest, maar andere staan springlevend voor je en spreken je aan, alsof ze vlak voor je neus geschreven werden. 1 Koningen 17 is zo’n verhaal. Er komt wat ogenschijnlijke hocus-pocus in voor. Van zo’n meelpotje dat alsmaar meel blijft geven. Lastig voor ons, no-nonsens publiek. Laten we er daarom voor even dit over afspreken: als bij de Harry Potterfilms tieners op een bezemsteel stappen voor een potje zwerkbal, dan is er niemand die vraagt om het bioscooplicht aan te draaien voor een discussie “of zoiets wel kan, of niet.” Je dompelt je onder in het verhaal en laat het daar doen wat het wil doen. Ja, toch?

Zo wil ik het Bijbelverhaal ook lezen. Het gaat niet om de vraag “hoe kan dat?” of  “heb je nog altijd potjes die voor eeuwig meel geven?”, maar het gaat om de vraag: wat wil het ons zeggen. En: wat ga je nu doen. Vooral dat laatste.

Wat is er nu zo aktueel aan 1 Koningen 17? Dit: er is een koning die druk doende is met welvaart, groei en voorspoed. Hij zoekt de kracht van zijn land in de kracht van geld. In hoofdstuk zestien heet het: de koning aanbad de Baäls, de Astartes en de heilige palen.

Over die palen vroeg professor Van der Woude ooit in een examen, wat hun betekenis was. Ik wist het niet. “Kom, kom mijnheer Van Dijk. Het zijn palen, ze staan rechtop. Wat kan dat nu zijn?”, moedigde hij mij aan.  Het begon mij enigszins te dagen. Ik was nog erg onschuldig in die tijd.

Okaye, die koning dus. Met zijn economie, zijn groei en zijn voorspoed. Hij lijkt het centrum van de wereld. Dat is hij ook: hij woont in Den …., o pardon, in Jeruzalem.

Het Bijbelverhaal zwenkt de spotlights echter een totaal andere kant op. Naar de periferie. Daar loopt een profeet. Elia. “Let nu op, wat hij gaat doen”, lijkt de bijbelschrijver ons te willen zeggen: “want hij doet wat waar is en leven geeft.”  Hij, niet de koning.  Elia, de profeet, hij gaat naar een weduwe. Toevallig uit dezelfde landstreek als de vrouw van de koning. De koning is er dus óók geweest, op die plek. Maar hij had er vooral de mooie vrouwen gezien. Elia ontmoet een weduwe. Ze heeft niet veel: nog een potje vol meel en een kruik vol olie. Genoeg om brood te bakken voor haarzelf en haar zoon. “Bij u moet ik zijn”, zegt de profeet.

Dat heeft hij niet van zichzelf. Die keuze, om bij de weduwe te willen zijn, komt voort uit zijn spiritualiteit, uit zijn visie op het leven en op wat belangrijk is. Zijn keuze komt voort uit G’d, zo zeggen de schriften.

10434522-havana-19-mei-oude-dames-met-sigaren-mei-19-2011-in-havana-iconic-personages-als-deze-zijn-een-attraOok de koning wordt door spiritualiteit gedreven. Door de spiritualiteit van “meer is beter”

Elia wijst met zijn aanwezigheid op de mensen die door de politiek van de koning zwak worden gemaakt. In de bijstand raken. Of buiten beeld vallen.

Bij de koning valt de weduwe uit het beeld. Zijn camera staat er niet op. Hij heeft er geen antenne voor

Bij Elia valt de koning uit beeld. Zijn camera staat op deze vrouw. Hij ziet haar. En hij ziet haar schoonheid.

En dan het wonder: bij de koning is het nooit genoeg en er is altijd tekort. Er moet altijd méér bij.

Bij Elia en de weduwe is er nooit tekort. Want zij hadden genoeg.

Zij zien elkaar.

Goed, blijft dus de vraag: wat zouden wij kunnen doen?