Zalig oud worden

Ik denk wel eens: “Ik ga bidden, als ik oud word.” Ik bedoel: als ik zó oud ben geworden, dat ik niets meer kan. Ik afhankelijk ben van Joost-mag-weten-wie om mijn steunkousen uit te trekken. Of om een lapje langs mijn lippen te halen, omdat anders het gekwijl àl te erg wordt.

Die tijd komt, namelijk. Ik kijk er niet naar uit. Het is hopelijk ook nog een end weg, maar er komt een dag, waarop ik denk: “Hé geraniums!”. En daar dan de schok bij: “Verdraaid, ik zit er achter.” Je kunt er maar beter op voorbereid zijn.

Dat zijn we niet. We zijn niet voorbereid op onze gebrekkigheid. Als lemmingen kijken we naar onze jeugd. “Denk niet aan hoe ik werd, maar hoe ik was toen ik alles nog kon.” Nou…. denk maar wel aan hoe je zult worden.

Nee, onze cultuur helpt ons daar niet echt bij. Hysterisch bijna, prijst die alles aan wat jong is en hip. Je doet mee, als je skinny jeans draagt. Je bent ‘out’ zodra de tena-lady in zicht komt. Dus hollen we allemaal hazerig door onze straten, om de ouderdom van ons lijf te houden.

En de samenleving houdt de ouderdom op haar beurt buiten de deur. De bejaardenhuizen, ooit opgericht om een vriendelijke, oude dag te bezorgen aan onze ouders, maken het ons vandaag héél gemakkelijk om te denken dat het òns niet gebeuren zal. Wij worden oud, terwijl wij in een jacht de wereldzeeën bevaren. Op z’n minst.

Not.

Een innerlijk dat is gevuld met de gedachte, dat je er toe doet zo lang je meedoet, valt om, zodra er niks meer te doen is. Wij komen verhalen te kort om het laatste deel van ons bestaan waardevol te vinden. Het verhaal van vandaag, “de jeugd heeft de toekomst”, komt te kort.

De vraag naar euthanasie onder lichamelijk gezonde ouderen, voor hun leeftijd gezonde ouderen, bleek een zingevingsvraag te zijn. Zo ontdekte Els van Wijngaarden. Mensen voelen zich overbodig. Weten zich geen raad met hun afhankelijkheid. Ervaren de binnengeslopen nood aan hulp als mensonterend. “Gisteren een bankdirecteur, vandaag een oudje op de bank.” Als je het verhaal zo vertelt, blijft er niet veel over om voor te leven.

Is er niets om te leven, als je oud bent? Lijkt me stug. Ik zie om mij heen veel ouderen die het elke dag doen: oud zijn. Ik leef in de kring van de kerk, hè, en daar kom je ietwat bovengemiddeld veel ouderen tegen. En ze doen het tamelijk opgewekt. Ze lachen zelfs wel eens. Hun geheim?

Ik hoop dat mijn geheim zal zijn: een innerlijk dat overeind blijft als de omstandigheden veranderen. Ik vind, om te beginnen, geholpen worden niet mensonterend. Misschien is het juist kenmerk van mens-zijn: dat we hulp kunnen geven en dat we dus ook hulp kunnen ontvangen. Als baby veegde mijn moeder…. uhm: waste mijn moeder mijn rug al. Mensonterend? Nee. Zo gaat het nu eenmaal. Aanvaard dat het gaat zoals het gaat. En creëer daarbinnen je leven.

En kunnen we dan ook ophouden ouderdom in een apart hokje te stoppen? Waarom doen we dat toch? De gehandicapten op een hoop. De zieken op een hoop. De ouderen op een hoop. Je moeder in huis is ook niet ideaal, maar het maakte je wel veel duidelijk. En je genoot van haar, dat zij inmiddels anders tegen de dingen was gaan aankijken. Ouderen hebben ons veel te bieden. Niet omdat ze oud zijn, maar omdat ze mens zijn. Halsstarrig weigert onze samenleving hun gave aan te nemen. Een uurtje op zondagmiddag. Je horloge tikt de minuten weg.

Ik kan dan wel begrijpen dat je dan liever dood wilt. Als toch niemand je meer als mens ziet, en jij zelf ook niet, dan ben je al een beetje dood, eigenlijk.

Ik droom er wel eens over. Dat ik in de Marckenburg woon. Dat was een bejaardenhuis old-school. Het is er niet meer. Met een kamertje waar je je kont niet kon keren. Het leken er wel kloostergangen. Ik droom, dat ik in een bijna lege kamer woon. Want veel heb ik dan toch niet meer nodig. Een stoel en tafel om aan te schrijven, een bed en een bidstoel. Ik volg de getijdengebeden. Maar sla die in de nacht over: je kunt ook overdrijven. Ik ben, als ik oud geworden ben, meer binnenkant dan buitenkant. En ik geniet van het bestaan. Omdat ik zoveel binnenkant heb ontwikkeld.

Als ik ’s ochtends uit de droom wakker word, besef ik: dan mag ik er vandaag wel eens aan gaan beginnen, aan dat innerlijk van mij. Dat lijkt nog helemaal nergens naar. En als dat zo blijf wil ik straks ook dood, nog voordat ik dood ga.

Advertenties

Het refrein is helemaal niet Hein..

zwarte-zwadderneel“Het lijkt wel een preek van de Oud-Gereformeerde Gemeente”, gaf één van onze meelezers als commentaar op psalm 49. (hier).  We komen nog altijd bij elkaar, al jaren lang, om met een voor-wereldlijke traagheid ons te buigen over deze oude liederen. Er schuilt in ons iets van nonnen, in mij schuilt iets van een non die geduldig roosjes en sterren op een koorkleed borduurt, steek voor steek. Pas aan het eind van het werk ziet zij, wat al die uren uiteindelijk hebben opgeleverd. Het vermoeden doet haar verder gaan. En mij ook.

De Bijbel in gewone taal leek het commentaar te bevestigen.  De bedachte tussenkopjes “het leven is niet te koop”, “alleen God redt” en “in je graf kun je niets meenemen” leken rechtstreeks aan de Zwarte Zwadderneel ontleend. “Geen leuke psalm”, zei iemand anders en nam nog een slok van haar koffie.

De psalm somt op wie er dood gaan, op het laatst. Armen, rijken, wijzen, dwazen: iedereen. Met een zekere genoegen schildert het lied dan ook nog even wat dood-zijn is: het daglicht nooit meer zien, door duisternis omgeven worden, niemand-zijn, niets- worden.

We namen allemaal een slok van onze koffie.

“Nou”, begon toen iemand van ons: “als ik hier over het kerkhof loop en ik zie al die grafstenen… Mijn vader en moeder liggen hier begraven, dus ik kom er nogal eens. Ik ken al die mensen die daar liggen. Ik herinner mij hun levens, waar ze zich druk over maakten. Dan denk ik: tsja, en nu lig je hier. Was het het allemaal waard?” Hij dacht aan de ruzies die ze hadden gehad over de ligging van een sloot, of dat iemand zijn koeien had laten drinken uit water dat hoegenaamd van iemand anders was, of hun pronkerij: ik heb vijf koeien meer dan jij. “We willen ons toch allemaal bewijzen tegenover elkaar.”, zei hij.

We verbaasden ons over de snelheid, waarmee wij voorbij gaan. “Toen mijn vader was overleden en we reden na een aantal intense dagen naar huis, sprong het stoplicht voor ons op rood. Het schokte mij, dat die al die tijd gewoon was doorgegaan met van rood naar groen springen en terug.” De wereld lijkt zich van onze dood niet veel aan te trekken. Van ons leven wel, dan?

Midden in de psalm staat één zinnetje dat afwijkt. “Een zij-weg”, noteert Willem Barnard hierbij. Hij wil de wanhoop van de psalm niet verzachten met vrome praat. En gelijk heeft hij. Niets zo erg, als iemand die jou je verdriet afneemt met geklets dat voor wijsheid door moet gaan.

Maar gaat de psalm wel over wanhoop?

“Misschien moeten we bij het begin, beginnen”, vroeg een derde onze aandacht. “Kijk nou wat er staat” De psalmist vraagt onze aandacht: “Luister!”, zegt ‘ie. En het lied zingt vervolgens, over wijsheid die in het hart is gegroeid. De psalmist heeft het leven ervaren en daar iets in ontdekt wat meer dan het delen waard is. De psalmist roept niet maar wat. Het is levenservaring.

“Ik heb gezien, dat wij allemaal dood gaan, waarom zou ik dan nog bang zijn?” Het lied gaat niet over wanhoop, maar omgekeerd: als ons toch allemaal hetzelfde overkomt, dan hoef ik mij dáár in elk geval niet druk over te maken. Het lied gaat over leven in vrijheid.

En toen kwamen de verhalen los. Hoeveel wij hadden gezien bij het sterven van mensen op wie wij gesteund hadden. Hoe pijn het had gedaan. Maar ook – hoe het ons veranderd had. En dat je die verandering dan toch aanneemt en hoe je daar – woord dat hier niet klopt en wel klopt- blij mee bent.

Het leven komt altijd op ons af. Maar als het verdriet op ons af stormt, lijkt het wel alsof het met grotere helderheid, diepere duidelijkheid naar ons toekomt. Iedereen weet, wat hij moet doen, als de liefste mens ziek wordt. Of je het dan durft, dat is punt twee.

Midden in de psalm staat dat losse vers: over God die mij bevrijdt.

Het leek ons de ontdekking van de psalmist. Dat het meeste waar wij opgewonden van raken onzin is. Dat er slechts één ding werkelijk blijft. En dat de psalmist dat ene: “God” noemt.

Die constatering hielp ons. Maar ze hielp ons ook helemaal niet.  Want wat of wie is dan “God?” In de psalm wordt het woord ‘elohim’ gebruikt. Kun je met god al alle kanten op, met elohim zo mogelijk nóg meer. Het betekent “goden”, “god”, “wat zich als god voordoet”, maar het kan óók betekenen: dat ene, dat echte, dat waar het op dit moment op aankomt. G’d dus. met die gekke apostrof: omdat we niet weten wat dat ene is, totdat dat ene zich aandient. En dat we er steeds over praten, om dat ene te herkennen als het aan de orde is.

“Harmonie”, zei iemand. Dat zal de vorm van G’d zijn. Dat je goed naar de ander toegaat en dat de ander goed naar jou toekomt. “Vrede”, zei een ander. Dat je je naaste op het oog houdt en je oog niet laat verstoren door van die gekke dingen als gelijk willen hebben.

“Dat je jezelf aanvaardt, ook in je fouten” “Dat je liefhebt” “En dat je dat ook zegt: Ik hou van jou” “En dat je dat het eerst zegt tegen de mensen die het dichtst bij je staan.” In stilte namen we ons voor dàt te gaan doen. En er niet te lang mee te wachten.

We proefden de liefde. We cirkelden om haar heen. En G’d leek tussen ons in te zitten, die avond. We waren heel ver weg van de Oud-Gereformeerden.

Dood. En dan?

“Van Lommel heeft wetenschappelijk aangetoond, dat de geest na de dood in andere sferen is terecht gekomen”, schrijft vanmorgen iemand in een briefje aan Trouw. Er klonk een opgetogen huppeltje in door. Zo van: “en ik heb lekker toch gelijk.”  Bovendien, zo begreep ik van Kees Koedood, de schrijver, is het ook één van de geloofsovertuigingen van christenen dat de geest na de dood voortleeft. Dat vond hij steekhoudend blijkbaar. Ik niet. Ik was van deze geloofsovertuiging zelfs nog niet eens op de hoogte. Al zegt dat, op zijn beurt, natuurlijk nog niet zo veel.

Koedood reageerde op Bert Keizer. Die had op een voor mij overtuigende manier uitgetekend, dat dood dood is. Je moest niet stiekem proberen om toch je geest, of je ziel desnoods, aan je dood te laten ontsnappen. Zijn snelste argumentatie: “als je erkent dat je met je ogen ziet, en je ogen doen na jouw dood geen dienst meer, dan kun je niet alsnog de term ‘zien’ van stal halen.” Filosofisch is het niet zuiver om de onlichamelijke ziel op te tuigen met lichamelijke eigenschappen.

Ik ben geen filosoof. Ik weet ook niet, of Keizers argumenten sterk zijn. Over de wetenschappelijkheid van Van Lommel kan ik evenmin heel zinnige dingen zeggen. Er is nogal wat kritiek geweest op zijn methodes. Men vond hem niet consistent, meen ik. Maar of hij daarmee voldoende weerlegd is? Geen idee.

Van de Bijbelse geschriften weet ik meer. In alle ontwikkeling die ze in hun denken over dood doormaken, vallen mij twee dingen op: hun ferme inzet op de lichamelijkheid van het leven en de zwaarte waarmee zij de dood opnemen. Dood is in de geschriften nogal, ..dood ja.

Als Kaïn wordt doodgeslagen, het eerste geregistreerde sterfgeval bij mijn weten, is er geen letter die er op zinspeelt, dat hij nu in de hemel, of welke ‘andere sfeer’ dan ook verder leeft. G’d is tot in zijn diepste vezels – als hij die als onlichamelijk wezen hebben kan- geschokt.  Het bloed roept op van de akker tot Mij. Het bloed! Niet ‘de geest’ of ‘de ziel’, maar het bloed. Kun je het vleselijker krijgen?

Rachel weent om haar kinderen en weigert zich te laten troosten. Er is er niet één meer van in leven. Mattheus haalt het nog maar eens in herinnering als hij de kindermoord in Bethlehem vermeld. Dat hun leven is kapotgemaakt, heeft de moeders ontroostbaar verwond. En niemand die op het idee zou zijn gekomen om te zeggen: “Maar ze zijn nu… in de hemel”.  Nee. Ze zijn dood.

Ik vind het nogal eerlijk tegenover al die mensen die hun doden missen. Hun pijn is geen fantoompijn. De doden zijn als levenden uit ons leven verdwenen. En dat snijdt. Verschrikkelijk.

Izak huilt, eindeloos, nadat zijn moeder is gestorven. Troost vindt hij uiteindelijk wel: in de armen van een lieve vrouw. Aards, warm en prachtig.

Met de vinger bij de woorden zou je “dood is dood” met goed recht kunnen vasthouden.

Het felst is trouwens Prediker, als hij zegt: “wij zijn  bevoorrecht boven de dieren, want wij weten dat wij doodgaan”. En voordat je droomt over hemel, of over wraak in de hel, vervolgt Prediker: “en wie zou er kunnen zeggen of de geest van het dier verloren gaat en die van de mens niet.” We delen hetzelfde lot, durft hij ook nog te stellen.

Ik vind het gewaagd. En op een pijnlijke manier heilzaam. Zo geconfronteerd met de dood, voel je je eigen harteklop een stuk scherper. “Je bent er”, schrijft Szymborska. “En dus ga je voorbij.” Die twee dingen horen bij elkaar. Wie er niet is, zal niet verdwijnen. Wie niet geboren werd, sterft niet. Doodgaan is het voorrecht van de levenden.

En van hen die het weten. Wij dus.

Toen ik voor het eerst bij mijn tante ging logeren, ze woonde in Den Haag, vlak bij het strand, leken alle dagen eindeloos. De zon stond hoog aan de hemel boven mij die speelde op het gouden zand. De meeuwen kweelden kalmpjes over de zee en alles wat zij hadden gezien, daar. Ik had er geen idee van, dat het ooit voorbij zou gaan. Het ging voorbij. Op een dag zei mijn tante: “Vandaag ga je weer naar huis!” Ik schrok mij rot. De dagen, zo mooi ze waren, leken wel in een onnadenkendheid aan mij voorbij te zijn gegaan. Ik huilde om meer dan het vertrek alleen. Mijn hele verblijf leek een lelijke droom, vanuit dit perspektief.

Het jaar daarop was ik weer in Den Haag. Ik dacht bij elke stap: “Dit moet ik mij herinneren, want dit gaat voorbij!” En ik moest kiezen, wat ik ging doen. Panorama Mesdag, en Madurodam en alle dagen naar het strand en naar de Ridderzaal en de koninklijke stallen en ijsjes eten bij Marinello; het ging onmogelijk samen. Wie alles wil, begreep ik, houd niets over.

Sinds ik weet van mijn dood, vraag ik mij af: wat doe ik? Is dit wat gedaan moet worden? Ik heb geen herkansing. De dood doet mij het leven dieper smaken. Dat hebben de Schriften goed begrepen: wie het leven serieus neemt, kan de dood als dood ervaren. Wie de dood serieus opneemt, voelt het uitzonderlijke van zijn leven.

Maar, hoor ik sommigen vragen: dan heeft het geen zin meer om te geloven!

“Nou”, antwoord ik: “dat denk ik niet. Het geloven begint nu pas.”  De vraag wat goed is om te doen, is niets anders dan een religieuze vraag. Wat in jouw tot bloei wil komen, is niet minder dan een religieuze ervaring. Er zijn geen wetenschappelijke maatstaven voor ‘geslaagde levens’. Je kunt alleen naar binnen kijken. Of door de Schriften op weg geholpen worden. “Doe dit, en u zult werkelijk  leven.”

Henri Nouwen heeft eens gezegd: “Ik vraag mij af, hoe ik zó kan leven, dat mijn sterven vrucht zal dragen.”

Hoe je geest in ‘andere sferen’ door kan leven, zeg maar.  Omdat je weet, dat hij niet vanzelf zal doorleven.

God en de dood. Nee, God en het leven.

“Nou,waar geloof je dan nog wel in?”, vroeg ze. Haar woorden klonken als een pistoolschot boven de tafel. Iemand had gezegd, dat haar vader nog wel eens bij haar voorbij kwam. Dat op zich is geen verwonderlijke opmerking. Maar wel in dit geval: de bedoelde vader was al zes jaar geleden gestorven. Ze merkte het aan het licht, zei ze. De lampjes in de kamer gingen dan aan, of juist uit. Ik had er niet zo veel mee en merkte op, dat het wel rustig was om niet te geloven in een leven na de dood. Dan komt er ook niemand, goed bedoeld of niet, bij je spoken.

Overigens werd de vraag afgevuurd door iemand die zelf ook ‘nergens aan doet’. Niet aan officiële kerkgang, niet aan inofficiële geloofsgedachten en ook niet aan happinezachtige spiritualiteit. Maar blijkbaar was er wel dit beeld: als je gelovig bent, doe je aan de hemel. Of aan de hel. Of aan allebei desnoods. Maar in elk geval draait het om wat er ná de dood nog te beleven zou zijn.

Ik voelde me een beetje dom.

Gelukkig kwam er juist een schaal oliebollen voorbij, merkte iemand op “dat je wel spannende dingen miste als je dacht dat dood dood was”, er werd vervolgens gelachen en niemand dacht meer aan de knal er tussendoor.

Behalve ik dan, natuurlijk.

Ik lag er niet wakker van, dat niet. Hoewel? Moest ik niet de hemel verkondigen als aanlokkelijke prijs op een zedig en betrouwbaar leven? En de hel voor het geval je er met je pet naar gooide? Dat laatste zou mijn werkterrein wel enorm uitbreiden. Ik ken vooral mensen die het woord “G’d”  niet zien zitten.

“Waar geloof je dan nog in?” Nou, vooral in het leven vóór het laatste plakje cake. Hoe kostbaar het is. Hoe eenmalig. En hoe het zo uniek de vorm aanneemt van wie jij bent en van wat er in jou beweegt. Ik ben nog steeds verbluft dat de één opgewonden raakt als een envelopje van de postcodeloterij door de bus valt, terwijl de ander hetzelfde briefje ongezien in de kachel opstookt. Bijvoorbeeld. Twee mensen. Twee levens.

Maar ik zie ook, hoe smal de grens is tussen “jouw leven” dat jouw vorm draagt en “jouw leven” dat een copie is van denkbeelden van anderen. Hoe je je hoort te gedragen, hoe je je hoort te kleden, spreken, zingen, zwijgen, sterven. En welke keuzes je hoort te maken. Ik scheurde de Postcodeloterijbrief open, omdat mij in al zoveel reclames was toegeroepen hoeveel geld ik er wel niet mee zou kunnen verdienen.

Ik zie levens van mensen die nooit uit de verwachtingen van hun ouders zijn gegroeid. Ik zie ook levens van ouders die nooit zijn losgekomen van hun kinderen. Niet losgekomen van hun eigen verwachtingen, teleurstellingen, wonden, successen. Ze kwamen nooit in hun eigen leven.

G’d, dat woord, staat voor mij allereerst voor het diepe geheim van jou. En er is een woord voor omdat wij mensen zonder woord de ‘zaak’ niet ontdekken. De ‘zaak’ namelijk dat je je leven ‘vergooien’ kunt.

Sommige mensen zijn al dood, nog voordat ze werkelijk zijn gaan liggen. Omdat ze bang waren, geen risico’s durfden te nemen, nooit over zichzelf dachten in kansen, omdat…

Ach ja, soms ben ik zelf al dood. Vast in mijn beelden van mijzelf. Vast in wat ik deed, of juist naliet.

Op zulke momenten, hoop ik, geloof ik, dat een stem mij toeroept

“Kom, sta op en treed naar voren!”

die stem draagt het woord G’d

daar geloof ik heilig in.

Nog een visie op de dood.

Het is een harmonieuze wereld, die je wordt voorgesteld in “De Nieuwe wildernis”. Is het om de Partij voor de Dieren te pareren? Die had nogal wat kritiek gehad op het natuurbeheer van de Oostvaardersplassen. Er stierven te veel dieren. Te veel grote dieren vooral. Politieke belangstelling trek je pas als je formaatje paard hebt. Dat er ook heel veel kippen per dag dood gaan, blijft meestal onontdekt. Ach ja, een kip.

Anderhalf uur lang volgen we de circle of life. Majestueus gefilmd. Wat een schoonheid! De beeldtaal laat niets te raden over: in de lente betreden we het gebied de eerste keer, we verlaten het pas als de winter voorbij is gegaan. Ganzekuikens worden geboren, veulentjes, nieuwe ijsvogeltjes en aardhommels. Het zoemt, piept en knort bij tientallen, honderdtallen, duizendtallen over de aardbol en tussen het hoge gras. De overdaad is enorm. Nooit vindt de natuur één gansje wel genoeg. Of twee, desnoods. Nee, ze gooit er gelijk maar tienduizend in. Hop!

Dat trekt de aandacht van dieren die van warm eten houden. Een vos loert over een heuvel naar al het lekkers dat daar wandelt. Hij zet de sokken er in. Veren vliegen in het rond. En ook dode kuikens. Als het stof is gedaald en de rust is weergekeerd, ruimt hij netjes de etensresten op. De kuikens die hij niet op kon, begraaft hij voor een volgende maaltijd.

Niet alle veulens redden het in de kudde van de konikpaarden. Eén eet niet genoeg. Het had in de zomermaanden zeventig kilo moeten groeien, wilde het de vorst en de sneeuw overleven. Het was een wat schuchter dier, een moederskindje. In januari is het mager en staat het stil te wiebelen op zijn hoge benen. Bij de laatste sneeuw valt het om en het sterft. De kudde kijkt nog even om en trekt verder.

Zodra het weer wat zachter wordt en het veulen ontdooit, komen allerlei insekten aangevlogen en verdwijnen in zijn vacht. De vossen trekken eens aan een poot, de kraaien pikken de ogen uit, de raven proberen het bij de buik. Zoveel heerlijk mals vlees, daar kan geen beest weerstand aan bieden. Een veulen sterft: een restaurant gaat open.

Er wordt veel geboren. Er wordt al evenveel gestorven. Als yin en yang vullen ze elkaar aan en maken ze elkaar rond. Er is geen leed, geen schuld, geen pijn en geen verdriet.

Rouwen om de dood is het voorrecht van de mensen.

 

Zonder de ander valt er een stilte.

Jeroen Willems zag ik pas, toen hij al niet meer leefde. Hij speelde een verpletterende eenzaamheid. Je kon je niet indenken, dat zijn personage naar een ander verlangde. Wel dat de anderen naar hèm zouden verlangen. Gesloten mensen oefenen een enorme aantrekkingskracht uit. De omstanders, wij, kunnen blijkbaar met hun eenling-zijn niet leven.

Afbeelding_10

Ik zag hem niet in de film “Boven is het stil”. Het meeste van alles gaat aan je voorbij. Het origineel, een boek, is van Gerbrand Bakker. Dat boek las ik wel. Als een hoopgevend lichtpuntje van beschaving in mijn verder slechts matig ontgonnen landschap. Hij vertelt hierin de klassieke mythe van de gebroken helften die elkaar blijven zoeken. Zo verdichtten de oude Grieken ons bloedend hart: ooit was elk van ons met een ander één geheel. We rolden in die oertijd als wielen door het bestaan: rond en gelukkig. Maar we braken (ook de kinderen van Israël verwoorden een breuk!) en sindsdien rollen we niet meer. We strompelen door de velden. Op zoek naar de helft die bij ons hoort.

In loepzuivere zinnen etst Bakker het strompelen van Helmer in je ziel. Bakkers pen schrijft de winterkou om jou heen, als hij vertelt hoe Helmer de bomen knot. Je hoort hoe hij zijn door vorst bevangen neus ophaalt. Bakker zit zijn acteur dicht op de huid. Helmer is de man op wie het verhaal rust. Of misschien ook wel niet: en rust het eigenlijk op de ontbrekende figuur. Er ontbreekt iemand hartverscheurend. En het is zelfs mogelijk, dat het verhaal ook niet op hem, de verlorene, rust: het verhaal rust op het roepen naar wie ontbreekt. En wat een gat dat missen in je leven slaat. Het verlangen probeert het liefdevol, maar onbeholpen, te dichten. Het gemis blijft open staan. Tot in de laatste regel. Daar vindt  Helmer – nee, Helmer vindt niets, het wordt aan hem gevonden: daar vindt een stukje wiel hèm. Ze ademen samen.

Bakker laat het meeste ongezegd. En toch zou ik je de boerderij kunnen tekenen, waarin alles zich afspeelt. De twee ezels in de stal, de knotwilgen voor het huis, de vader boven op zolder. Hij had Helmers eenzaamheid kunnen verzachten, die vader. Als hij en zijn zoon elkaar verstaan hadden. Ze hadden elkaar opgesloten in de beelden die zij van elkaar hadden. Helmer dacht dat zijn vader een strenge rotzak was. Dat was hij óók, maar hij was nog zoveel meer. De vader dacht dat Helmer een halfzacht ei met homo-erotische trekken had. Dat leek misschien zo, het was slechts een deel van de waarheid. De broer die ontbreekt lijkt hun eigen kijken te hebben verstard. Ze zien elkaar niet meer. “Het lijkt hier 1969 wel”, zegt een jonge kanovaarder tegen zijn compaan als zij voorbij het huis varen. Argeloosheid had niet feller waar kunnen zijn.

Ik las het boek en het was of aan mij een broer ontbrak – wat niet zo is en toch ook wel. Ik dacht: houd dat gemis dan nooit op?

Nee.

Totdat we dood zijn. Dan missen we niks meer. En verlangen we niks meer.

Maar verlangen de andere naar ons. Zijn we zelf een personage van Jeroen Willems geworden.

Over: Boven is het stil, roman van Gerbrand Bakker