Of Jezus bestaat

Op een zonnige namiddag kletsten mijn broer en de buurjongen met elkaar over de heg. Het was windstil, er hing loomheid tussen de blaadjes. “Geloof jij, dat het allemaal waar is, van Jezus enzo?”, vroeg de buurjongen, toen een tiener met een lang, dun lijf. Dat hij geen hemd aan had, was niet de enige reden, dat mijn aandacht ineens getrokken was. Ik speelde iets vaags met autootjes verderop in de tuin. ‘Nee”, antwoordde mijn broer kortaf. Hij was al sinds z’n zesde een besloten buitenkerkelijke en vocht iedere zondag zijn gevechten uit met de zondagsschooljuf.  Zijn “nee”brak de lucht en de buurjongen bedacht, dat hij het ook niet geloofde. Bijna opgelucht zei hij: “Nee, dat over het water lopen, en die andere dingen” “Nee”.

“Nou”, reageerde mijn broer: “dat is het niet. Er staan zo weinig details in. Daar gaat het om. Je weet helemaal niet bij welk meer hij liep. Of in welk jaar. Dan kan het niet echt zijn.” Mijn broer las de Kijk, en dan zei je zulke slimme dingen.

Ondertussen had de buurjongen zijn ogen op mij gericht. Ik was toen al tamelijk vroom. Mijn hoofd was daar ook uitermate geschikt voor. Mijn haar viel als vanzelf al in een keurige scheiding.Bij mijn broer niet. Die had van die gekke pieken overal. Met zijn dunne vingers gebaarde de buurjongen naar mijn broer dat het onderwerp voor mij misschien riskant zou zijn. Beide jongens draaiden zich naar mij. In een zekere verwachting. Misschien hadden ze gedacht, dat ik zou gaan huilen. En ik? Ik wist niet zo goed wat ik er van dacht. Misschien hadden ze wel gelijk. Die détails hadden indruk op mij gemaakt. Maar ik vond de zondagsschooljuf  lief. En ik baalde er van hoe mijn broer altijd deed. Dus ik zei: “Nou, en ik geloof het wèl” Ik had het gevoel dat ik Jezus en de juf en de hele kerk erbij voor de ondergang had gered. Ik was zeven.

Het is een raadsel langs welke weg mensen toegang tot het leven vinden. Voor de een openbaren zijn kinderen alle dingen, voor een ander is het de kunst. Bijvoorbeeld. Ik denk aan Fred Lingen, een man die zo’n beetje in het operagebouw van Amsterdam woonde, achter zijn veel te grote brillenglazen. Hij leeft niet meer, helaas. Wij zagen hem wel eens, als hij achter de tafel van “de vrienden van de opera” stond. Voor hem was opera méér dan zomaar een avondje uit. Opera was voor hem de kunst aller kunsten. De verhalenwereld die mensen iets in handen geeft, of in hun hart. Iets van hoop. Of vertrouwen. Of liefde. Iets, waarmee ze weer naar huis kunnen en vorm kunnen geven aan hun leven. Want wij mensen, wij zijn bijzonder krakkemikkig op de wereld toegerust. Een kuiken kruipt uit het ei en kan gelijk staan. Het pikt vanaf minuut één in de grond en krabbelt erbij, alsof hij er al duizend jaar was. Wij niet. Wij lijken het eierstadium nooit ontgroeid.

En voor mij? Voor mij werd Jezus die verhalenwereld. Waarom? Misschien was het wel die zondagsschooljuf. Of mijn vader die altijd alleen naar de kerk ging en moest zien hoe de bijbel, zijn bijbel, van tafel werd verbannen naar de boekenkast en uiteindelijk in zijn eigen nachtkastje werd geparkeerd. Dat vond ik rot. Voor hem. En ook een beetje voor God. Alsof die alleen nog in de kast mochten bestaan. Ik ben wel iets van een redder.

Maar er waren ook die andere momenten. Momenten waarop ik verlost werd van mijn redder-willen-zijn.

Ik geloofde dus wel. En dan ook maar gelijk de full monty: ja, Jezus had over het water gelopen en ja blinden hadden door een aanraking van hem echt kunnen zien weer. Ik bad daarom trouw voor een gemeentelid dat, ondanks zijn grote zwarte bril, niets kon zien. Of de Heer, misschien, als Hij tijd had, even…..

Ik zei dat op een onbewaakt moment na de kerkdienst tegen de man. Ik dacht dat hij dat wel mooi zou vinden. Van mij. Hij wachtte even met reageren en zei toen: “Ja dat snap ik wel. Jij denkt natuurlijk: ik heb iets wat hij niet heeft. Dus hij mist iets. Maar misschien is het wel andersom. Zie ik veel meer dan jij. En mis jij iets.” Ik weet niet of ik hem begreep. Ik weet ook niet meer of hij het helemaal zó zei, maar hier kwam het wel op neer. “Weet je wat” zo redde hij mij uit míjn domme situatie: “weet je wat? Als je voor mij wilt bidden, bid dan voor mooi weer volgende week. Dan gaan mijn vrouw en ik op vakantie.” En hij bulderde van het lachen.

Sip liep ik naar huis. Ik snapte er niks van. Ik bad toch voor hem? En dat was toch goed? Of…  Ik snapte, dat ik er niks van snapte. Dat blinde mannen en vrouwen nìet op mijn gebed zitten te wachten. Pas jaren later begreep ik: omdat zij geen blinden zíjn. Door mijn gebed, máákte ik hen tot blinden. Alsof hun beperking hun identiteit was. Alsof zíj hun beperking als beperking ervoeren. Ik lijd er ook niet onder, dat ik de vijfde dimensie niet kan zien.

Dat verwarrende moment. Dat jaren doordraaide in zijn verwarring. Werd voor mij een verhaal, een bevrijdend verhaal, door Jezus. Door de verhalen over hem. Ik had hem vele keren horen rondgaan, terwijl hij zieken genas. Ogen opende en oren.  Ik dacht altijd dat het over anderen ging. Zij waren de blinden. Of de doven. In de verwarring ontdekte ik mijn eigen blinde vlek. Redder willen zijn is best arrogant. Eigenlijk.

En zo is Jezus gebleven. Als Die-Mij-bevrijdt. Die bevrijding was, en is, voor mij, de toegang tot het leven.

Ik ben wel een beetje jaloers op Fred Lingen. Als de hele zaal bittere tranen weent, omdat Mimi sterft, of Violetta, als een huiver door de mensen gaat, omdat Katya Katanova zich van het leven berooft, als men smelt door de liefde van Tristan und Isolde en daarbij in het donker even de hand van de geliefde-naast-je zoekt.. op al die momenten is er nooit iemand die opstaat en roept: “Maar Mimi bestaat helemaal niet!”

Waarom bij ons, in de kerk, dan wel?

 

Advertenties

Professor, bestaat God?

De Rijksuniversiteit van Groningen viert feest. Ze bestaat vierhonderd jaar! Ter gelegenheid daarvan werden alle inwoners van Stad en Ommelanden uitgenodigd vragen te stellen. Anco, een jongen van zeven, hoorde dat en pakte het gelijk groot aan: “Professor, bestaat God?”, vroeg hij. Als we dan toch wat willen vragen, laten we dan maar bij de basis beginnen, zo moet de jongen hebben gedacht.

Peter Barthel gaf antwoord. Hij is sterrenkundige. En daarmee, zo zegt hij, hard-core wetenschapper. Geen professor Zonnebloem die maar wat aanklooit en van ontploffing naar ontploffing gaat, maar iemand die de dingen goed op formule kan brengen en daar resultaten mee boekt.

Wat schrijft hij aan de zeven-jarige? Dat het leven te veelkleurig en te rijk is om alleen in formules te kunnen vatten! Er is, zo schrijft hij, ook zoiets als verwondering. Veel astronauten komen terug op aarde en zijn ondersteboven van wat ze hebben gezien: de blauwe planeet in een een eindeloze ruimte. Maar goed, verwondering valt, zoals wij weten, buiten de wetenschap. Ze kan onderwerp van wetenschap zijn. Maar ze doet aan het spel zelf niet mee. Noem het een tekort, het is zo.

“God”, zo veel zegt Barthel: “Is een verzamelnaam voor alles wat het leven bijzonder maakt”. En hij dacht aan de vriendschap, de liefde, de geraaktheid, de goedheid en nog een paar van zulke dingen.

Moedig zet hij uiteen, dat zo lang er mensen bestaan, zij dachten aan goden in een hemelse sfeer die de dingen op aarde regelden. Het Joodse volk kwam echter, drieduizend jaar geleden (de mens loopt hier zo’n tweehonderdduizend jaar rond) met een revolutie. Er zijn geen goden die “dingen regelen” er is een God met een stem die mensen oproept lief te hebben en het goede te doen. Een tamelijk nieuwe uitvinding dus, die éne God. Nieuw ook, dat het zwaartepunt van God bij mensen kwam te liggen. Hij verliet als het ware zijn hemel. Dat laatste zeg ik, trouwens, en niet Barthel.

Ik vond het een mooi antwoord. Een heldere definitie van “God”  en een krachtige verwoording van de “vondst” van de Joden. Chapeau. Niet iedereen echter vond de brief van Barthel zo treffend of  juist. Zeg “God” en je hebt gedonder in de glazen. En in Nederland zeker. Dus volgden er brieven, meer brieven aan Anco. Met andere antwoorden. In één van dez brieven werd gezegd: “als dat alles is, (wat Barthel zegt) dan kun je het woord God ook wel weglaten.”

Ik heb die afkeurende reaktie vaker gehoord. Ik begrijp haar eerlijk gezegd niet helemaal. Dat je het woord “God” ook weg kunt laten en dat daarmee de werkelijkheid niet ratelend in elkaar stort, dat lijkt mij evident. “God” lijkt mij niet een woord dat bíj de werkelijkheid komt, als een kers op een slagroomtaart, maar “God” is een woord waarmee wij de zoetheid van de slagroomtaart zelf in taal proberen om te zetten. God is ìn de slagroomtaart, om een slogan van ds. Hendrikse te parodiëren. Zonder het woord God gebruik je waarschijnlijk andere woorden om hetzelfde uit te drukken. Niet-christenen zien hetzelfde wat christenen zien. Ze delen dezelfde werkelijkheid. Christenen ordenen, wat zij zien, misschien anders.

Nog minder begrijp ik de uitroep “als dat alles is”. Alsof liefde, “ach ja, wat is nou liefde” en je haalt je schouders op. Er is zo’n verveeld liedje op een zeurmelodie “is this all there is?” De prachtigste dingen worden bezongen en de zangeres haalt vermoeid haar hand door haar haar.

Liefde ìs alles.

Het woord “God” kan ons helpen om dat niet te vergeten. Om ons er steeds weer op te focussen. Zoals een trompettist zijn ogen gaan glimmen als hij nieuwe trompetmuziek ontdekt in de bladmuziekhandel. Zo gaan onze ogen glimmen als we liefde ontdekken. En we moeten ons er op focussen, omdat ons leven zó snel is dat we er maar al te vaak aan voorbij lopen.

“Die aangeroepen wordt”, schijnt etymologisch de betekenis van “God” te zijn. Ik volg nu Huub Oosterhuis. Wij, wij roepen de liefde aan.

Dat Barthel aan het eind van zijn brief concludeert: “Nee God bestaat niet”,  dat zegt hij mij net iets te snel de hierboven genoemde dominee Hendrikse na. Hij had immers eerder betoogd, dat het leven te bijzonder is om woorden als “verwondering, goedheid, liefde” niet te gebruiken. En daarvan zal toch niemand ontkennen dat ze bestaan. Of wel?