Je hebt geen tijd voor haat.

Een meisje huppelde om het hunebed. Zij was acht. Hij was meer dan vijfduizend jaar oud. Het was nog getuige geweest van de mensen die hun jacht opgaven, die boeren werden en op één plek waren gaan wonen. Toen de missionarissen door Drenthe trokken was het hunebed al oeroud geweest. En dat was het nog. Als het hunebed vertellen kon… Maar dat kan het niet. Het betaalt zijn ouderdom en al zijn ervaring met onwetendheid. In hem heerst stilte. En zelfs dat niet eens.

Het meisje was een vrolijke, dansende lichtvonk rondom de onbewogen achtergrond. Zoals alle leven dat is. Bij wat een ingang leek, stopte ze haar springende pas. Ze draaide zich om en poseerde. Of haar vader een foto van haar kon nemen? Ze keek verwachtingsvol.

In mijn kast staat een fotoboek van monumentale bomen, verspreid door heel Europa. Reuzen zijn het. En dat zijn ze al eeuwen. Ouderdom wordt niet meer door tijd geraakt. Sinds de mensen kunnen fotograferen, blijven ze aan hun voet stilstaan. Rijzige dames met kapsels als soepborden en jurken tot op de grond raakten ooit met hun fijne handen hun stam aan. Jongens met matrozepakjes en ernstige blik, die tot diep in de lens boorde, kerfden hun naam in het schors. Studenten hingen als jolige vruchten tussen hun takken, de pet in het stof gevallen. Volwassen mannen leunden op stokken met zilveren knop. Ze leken met hun kloeke snorren de kanten van de foto’s rechtop te houden.

Ze zijn allemaal dood. Hun wereld is verdwenen. Alleen de bomen bleven.

Het had iets ontroerend. En kwetsbaars. Dat meisje bij het hunebed. Zij zal verdwijnen. Ook zij. De stenen zullen liggen waar zij altijd lagen. Maar weten zullen zij niets. Zij zagen het meisje nooit.

Alleen wij mensen weten wie mensen zijn. En alleen wij kunnen van hen houden. Wij kennen de straf van het zwijgen niet. Wij betaalden ervoor met onze sterfelijkheid.

Het zou ons barmhartig moeten maken. En liefdevol.

Advertenties

Over onvolmaaktheid, ergernis en aanvaarding.

Tussen de Mies-Bouwman-lieve-mensen kwam hij gisteren dan toch ook tevoorschijn. Pal na een jongetje dat zijn verjaardagsgeld in de bus kwam doen. Mijnheer Critisch. “Het is opvallend”, sprak hij van onder een strakke snor: “dat Giro 555 nauwelijks aandacht trok, toen er voor de Syrische vluchtelingen werd gecollecteerd.” Terwijl dat toch ook groot lijden was en nog steeds is. “Bovendien”, vervolgde hij: “is het geld dat na de aardbeving op Haïti werd ingezameld, lang niet allemaal goed gebruikt.” Er liggen nog veel projekten onbegonnen te wachten.

Hij wilde maar zeggen: “Het is nog maar de vraag, of we zo goed doen met z’n allen, nu we zo begaan zijn met de Filippino’s.”

Nu gaat het, volgens mij, helemaal niet om ons goed doen, maar om mensen die alles kwijt zijn geraakt; hun huis, hun zekerheid, hun buren, hun familie, hun geld, hun eten en drinken. Alles. Hoewel sommigen met veerkracht uit de rotzooi hutjes hebben opgetrokken, even kwetsbaar als zij zelf, kunnen de inwoners van de Filippijnen nu niet zonder hulp van buitenaf.

Toen er in 1953 een stormramp over Zeeland trok, was het erg fijn dat Zweden houten huizen doneerde, Duitsland woonwagens, en andere landen, dekens, geld, en medicijnen.

Komt al het geld goed terecht? Nee. Er zijn altijd goochemerds die geld naar zich toe weten te trekken, in het management, in de verdere organisatie, bij de mensen die hulp nodig hebben. Het gaat nooit goed. Nooit helemaal. Er zijn strijkstokken, fouten, vergissingen en kwade bedoelingen.

Het is mensenwerk, namelijk. Het is nogal oppervlakkig om te zeggen “dat ‘ze’ het niet goed doen”.  Wij, op dezelfde plaats, zouden het niet beter doen. Ik hielp ooit mee op een grote jongerenbijeenkomst, tachtigduizend jongens en meisjes bij elkaar. Ik was verantwoordelijk voor de maaltijdverstrekking. Het waren allemaal gezonde, goed gevoede en sterke mensen. En toch hoefde er niets te gebeuren of ze stonden ruzie te maken over een maaltijd, een appel of een toetje. Het foute is bij ons nooit ver weg.

Daar kun je van schrikken. Je kunt je er afzijdig van willen houden. Het klinkt heel verantwoord, critisch en rationeel om te zeggen, dat de directeur van de hulporganisatie nu eerst maar eens salaris moet inleveren, voordat je zelf geeft. Maar het helpt niemand. Wij mensen zijn niet rationeel.

Het is niet te verklaren waarom we voor Syrië niet zo gul waren. En de antwoorden die te bedenken zijn, verheffen ons niet bepaald.  Tegen die feiten kun je protesteren of je verzetten. De feiten veranderen er niet van.

Wij doen de dingen maar voor de helft.

We zouden dat ook kunnen aanvaarden. Dat betekent nog niet, dat we alles goed zouden moeten vinden. Het betekent ook niet, dat we niet naar verbetering moeten streven. Het betekent wel, dat we de helft die we kunnen doen, dan nu ook maar doen.

“We falen allemaal”,  zegt de hoofdpersoon in de film “La grande belezza”: “dat zou je barmhartig moeten stemmen.”

Mijnheer Critisch zag een aantal jongens auto’s wassen voor Giro 55. Voor hen was het wel goed, oordeelde hij: dan leerden ze in elk geval dat er meer was dan alleen hun eigen wereldje. Er klonk iets in mee: “maar wij, grote mensen, moeten beter weten.”

“Nee”, dacht ik: “wij moeten niet beter weten. Wij moeten niets, maar doen wat er te doen is.”