Wow, waarin zit Arjen Lubach nou weer verstrikt?

Als we goed zouden doorrekenen, had de meester beloofd, dan zouden we aan het eind van de middag “De Reddertjes” gaan kijken. Op TV. Met een video-recorder. Het waren de jaren zeventig en toen deed je dat zo. Grote opwinding in de klas! “De Reddertjes”! De sommen waren gauw gemaakt.

Ik herinner mij het verhaal van de tekenfilm niet meer. Het was iets met twee muizen en een meeuw. Ik herinner me nog wel dat ze ergens op een gegeven moment in een mandje zaten, die muizen, en dat mandje, op zijn beurt, hing daarbij onder de nek van de meeuw. Ze droegen alle drie kleren, trouwens. En ze konden praten. Ze gingen iemand redden, denk ik. Daar zal de titel wel van zijn.

Ik was tien of elf. Het was mij inmiddels wel duidelijk dat je pratende muizen niet in de werkelijkheid van de sommen zou tegenkomen. Niet als je met de blik van de wetenschap zou kijken. Er bleven genoeg vragen over bij het rekenen: als tien plus tien twintig is, welke tien bedoel je dan? En waarom deze tien? Ik bedoel tien peren is toch andere koek dan tien stuks fruit of tien schepen vol graan. De vraag echter: kunnen muizen praten, hoorde daar niet bij. Ik vermoed dat ik toen a heel goed begreep waarom niet.

Ik geloofde de film van A tot Z. Ik accepteerde de muts van muis Bianca moeiteloos. Ik geloofde in de leren cap van de meeuw. Niet omdat ik toen nog een kind was – ik geloof er vandaag de dag nog in- maar omdat er iets werd verteld dat alleen op deze manier verteld kan worden. “De Reddertjes” was een film over vriendschap, vertrouwen, kracht, en het rotsvaste weten dat wie goed doet goed zal ontmoeten. Ik weet het verhaal niet meer, maar de boodschap kwam wel over. Juist door de vreemdheid. Keek ik beter. En zo.

Goed. Enfin.

Gisteren sprak Arjen Lubach met Gert-Jan Segers. Over godsdienst in de openbare ruimte. Het gesprek vond plaats in een gebouw groter dan de menselijke maat: in de Pieterskerk in Leiden. En wat beweerde Lubach daar onder die eeuwen-oude gewelven? “Als je de fantasie loslaat, waar blijven we dan?” Nee, we moesten ons enkel en alleen op wetenschappelijke feiten baseren. Punt uit. Klaar.

Klaar? Nee. Helemaal niet klaar! Zijn uitspraak galmde nog lang na in mijn schedelpan. Waar zouden we zijn als we de fantasie loslieten? Maar mijnheer Lubach: wij léven van de fantasie!

Nee, correct: tien plus tien blijft twintig. En een leeg plein kun je niet vol mensen fantaseren. Dat zijn sprookjes. Touché.

Maar na de feiten, komen de interpretaties. En die kunnen niet anders bestaan dan dankzij onze fantasie. Gaat u even mee? Mijn identiteit, om maar ergens te beginnen, is een vrucht van fantasie. Van de verhalen die ik over mijzelf vertel. En anderen natuurlijk. Zonder die wisselwerking gaat er iets fout. Als mijn verhalen niet rijmen met de verhalen van anderen over mij, word ik narcist. Losgezongen van andere mensen in elk geval. Nog iets: dat de economie stijgt, omdat de president van Amerika gelachen heeft, of dat de dollar in elkaar zakt omdat de president van Rusland gehoest heeft- producten van onze fantasie. Of wou u beweren, dat het goddelijke wetten zijn die de koers van de dollar bepalen? De dollar zèlf: onze fantasie. Een papierworm ziet er toch echt iets anders in.

Vrede, ook een fantasie.

Verzoening,

heelheid,

liefde-

ach ja, de liefde. De liefde is wel de grootste fantasie van alle. Verliefdheid, zeggen de nucleair biologen is een product van hormonen, feromonen en voortplantingsdriften. Verliefdheid, zeggen de psychologen, is een product van het gat in onze behoeften.

Maar wat zegt onze fantasie? Liefde, aaah, de liefde is een roos, is een roos, is een roos. Is een roos. Zij is een geschenk. Ze tilt ons op tot waar we thuis behoren. De liefde maakt ons mooi. Mooier nog dan we waren.

Wat valt te leven, denk je? Leef je met feromonen (mag ik, uuuh, mag ik even achter je oren ruiken of uuh, of de jouwe overeenstemmen met mijn feromonen?). Of leef je met “aaaaah, aaaaah, jij, jij,  enkel jij”?

Arjen Lubach kon niet begrijpen hoe je onderwijs kunt toestaan waarin “een onderwijzer eerst zegt dat tien plus tien twintig is en vervolgens vertelt dat er een man uit een grot kwam gekropen en dat die god is”.  Mijn god, Lubach! Is dat wat je te zeggen hebt over het christelijk geloof? “Een man die uit een grot kwam gekropen en die is god”?  Hou dan je mond, zou ik zeggen.

Okay. Ik ben niet kinderachtig. Zelfs al zou het zo zijn “de man uit de grot is god”.  Dan nog. Dan nog. Begrijp je dan niet dat ìn dat verhaal de grote dingen verborgen zijn die we in de rekensommen niet terug kunnen vinden? Leven, namelijk? Een interpretatie die alle dingen ten goede keert? Juist ook, wanneer de rekensommen van je eigen leven een beetje in de min uitvallen.

Nee, je lijkt het niet te begrijpen. Jongen toch.

Bevrijd je, uit je benarde visie, Lubach. Of zoals Segers notabene, als dàt geen fantasie is, tegen je zei: “Twijfel eens wat vaker”

Ik weet nog wel een paar muizen die je erbij willen helpen.