Geloven in tijden van ellende.

Of ik er ook wat aan heb, aan het geloof, nu het allemaal even minder leuk is. Die vraag wordt wel gesteld, ja. Of je steun vindt aan God. Aan de gedachte dat Iemand je nabij is. Anderen kunnen het soms zeggen: “Als ik mijn geloof niet had, ik zou nergens zijn.”

En ik?

Heb ik er wat aan?

Hebe Kohlbrugge reageerde kort en een beetje kregelig: “Nooit!”, toen haar gevraagd werd of zij God ook had ervaren in het concentratiekamp. Ze vond het een soort ontkenning van de verschrikkelijkheid van het kamp. Alsof het een prettiger oord wordt, als je “God ervaart”.

Ze had een ander verhaal te vertellen.

Ik weet niet, of ik Hebe’s “Nooit!” zomaar zou herhalen. Ik ervaar de verwondering over het leven. Dat het er allemaal is en dat ik het mee mag maken. Dat ik het goede meemaak en dat ik het kwade meemaak. Het ene is niet uitzonderlijker dan het ander. Het is beide uitzonderlijk. De kans dat ik was geboren was praktisch nul. Ga maar na: als mijn oma een andere opa had getrouwd… en haar oma, en die haar oma, en de oma van die oma. Ze trouwden precies zó dat ik geboren werd. Ik kan er niet over uit. Zo bijzonder.

Dat is wel iets van een godservaring. Die mij draagt en troost en kracht geeft.Alles is veel groter, fascinerender en fantastischer dan je denkt.

Maar het is uiteindelijk ook niet míjn hele verhaal.

Laat ik hier beginnen: geloof is geen ‘verbandtrommel voor mindere tijden’. Soms wordt het wel zo gevoeld: “toen ik het moeilijk had, was God bij mij”. Ik haper bij die woorden. Daarvoor is het beeld van het verdronken kind te sterk. Hij had het veel moeilijker dan ik het ooit zal hebben. Was God dan niet bij hem? (Ja, zullen sommigen zeggen: God was bij hem in zijn dood, maar dat vind ik te gemakkelijk. En te moeilijk tegelijkertijd. God had dan ook wel in zijn leven kunnen zijn. Toch?)

Er is nóg een reden waarom ik het niet zo zou zeggen: het grote verbod in wat wij het Oude Testament noemen. Het verbod op huisgoden. Even iets over hen, over die huisgoden: zij zijn uitermate handige figuren. Ze beschermen je tegen diefstal, roofoverval, blikseminslag, plotselinge sterfte van kinderen, tegen alles eigenlijk. Je zet ze dagelijks voedsel en gebeden voor: en hup! zij gaan voor je aan het werk. Security Service. Especially made for you.

Zo is de God van Israël niet. Hij is géén huisgod.

Hij is er niet om mijn kwalen te verhelpen.

Wie is Hij dan wel?

Hier komt mijn verhaal. Ik geloof niet, omdat ik denk dat het leven daardoor gemakkelijker wordt. Ik geloof niet om het zelf gemakkelijker te hebben. Ik geloof evenmin trouwens dat ik het moeilijker heb doordat ik God trouw wil zijn. Om Augustinus te parafraseren (een gelovige uit de vierde eeuw): ik geloof niet om een beloning te ontvangen, ik geloof ook niet om een straf te ontlopen. Ik geloof, omdat ik overtuigd ben van de juistheid van het Verhaal.

Het Verhaal van God.

Dat het namelijk niet gaat om veiligheid, maar om recht. En om het herstel daarvan. Ik geloof dat het juist is om te leven voor de ander. Om je leven in te zetten voor anderen. Om het weg te geven.Om het uit te delen als zaad.

En ik geloof dat, om dàt leven voor elkaar te krijgen, het nodig is om te verlaten wat je hindert: mijn egoïsme, mijn hardheid, mijn ik-gerichtheid.

Ik geloof dat het juist is – en het enig juiste- om ruimte te scheppen voor het wonder van de ander. En om achter te laten wat mij daarin hindert: mijn ergernis aan de ander, mijn angst voor de ander, mijn haat jegens de ander.

Het Verhaal van God is het verhaal van: er zijn altijd mannen en vrouwen onderweg geweest naar een betere wereld. Zij hebben zichzelf als water gegeven voor de groei daarvan.

Nu ben ik geen Sint Fransiscus. Had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben geen moeder Theresa, had ik graag geweest, maar ik ben het niet. Ik ben ik. Maar ik geloof wel, dat God – en daar komt Hij dan- dat God het mij gééft om opener, eerlijker, ruimer te worden. Meer te worden zoals Hij.

Mijn leven wordt verbonden met Zijn Verhaal. Dat is de draagkracht en de spankracht van mijn bestaan. Ik geloof dat ik naar het juiste streef. Ook al lukt mij dat nog lang niet. Ik zit wel in de goede film, zeg maar.

Henri Nouwen heeft eens gezegd: “Het is niet van betekenis hoe lang je hebt geleefd. Het is van betekenis wat je hebt geleefd.”

Daarin helpt “mijn geloof” (dat helemaal mijn geloof niet is, maar het geloof van zovelen duizenden voor mij, na mij, en om mij heen) mij: het geeft mij inhoud aan dat “wat”. Inhoud aan”wat” ik leef.

Ook in beroerde tijden.

Advertenties

Sodom en Gomorra: het was de homoseks niet.

Nee, Sodom en Gomorra (hier) zijn niet de steden van de homo’s. Alle brieven, preken, e-mails en tegenwoordig zelfs messengerberichten ten spijt die dit wel beweren. God keerde de steden niet om vanwege homoseksuelen.

Ik zal je niet proberen te overtuigen met het argument dat in de tijden van de bijbelschrijvers seks tussen twee mannen of tussen twee vrouwen als een abjekte abberatie werd gezien – terwijl wij nu anders kijken; wij begrijpen dat er een gevoel, een harteklop, een verbondenheid in schuil gaat die niet veel anders is dan die tussen man en vrouw. Ik ben er wel van overtuigd dat het zo is: Paulus had geen idéé van zoiets als seksuele geaardheid. De Genesisschrijvers evenmin: hoe zouden ze kunnen. Pas de negentiende eeuw deed deze ontdekking: dat het niet om verdorven moraliteit gaat maar om liefde.

Niet iedere bijbellezer wordt door dit argument overtuigd. Dat is een feit, al betreur ik die.

Ik zal je ook niet lastig vallen met de gedachte: “dit zijn verouderde teksten.” of “dit is de wet”.  Ik deel die argumenten niet. De afspraak bij bijbelteksten is: we nemen ze serieus. Omdat wie leest, er van uit gaat dat er wijsheid te vinden is in deze woorden. Op z’n minst. En op z’n meest: dat jou, terwijl je leest, een werkelijkheid tegemoet komt die wij het kortst “God” kunnen noemen.

Ik hoef je niet te overtuigen dat het in Sodom en Gomorra niet om homoseksualiteit gaat. Het zijn de bijbelse geschriften zelf die het je voorzeggen. Eerder in Genesis wordt melding gemaakt van de zware zonden van de steden. Dat de ernst daarvan is doorgedrongen tot in de hemel. Beide steden deden de wereld schudden op hun grondvesten. Hun namen gaan als een grote afschrikking door de profeten. Jesaja noemt ze, Jeremia noemt ze. “Word niet omgekeerd zoals Sodom en Gomorra!” Doe niet wat die steden hebben gedaan. Maar wat deden zij dan?

Ezechiël vertelt het ons: de steden waren rijk, de inwoners aten hun brood met trots, maar was er een arme, dan boden zij geen hulp, was er een weduwe dan reikten zij niet hun hand, “zij bleven”, zo vertaalt Pieter van Oussoren “op veilige hoogte” (hier)

De steden waren arrogant. Op zichzelf gericht. En dáárom stortten zij ineen. Ze waren al dood, zeg maar, terwijl ze nog leefden.

Jezus zegt: “Ze aten, ze dronken, ze plantten, ze verbouwden, kochten en verkochten” (hier). Wij zouden parafraseren: het was één en al consumentisme. Maar dat er ook nog iets te dóen was in het leven. Voor een ander. Dat er überhaupt antwoord te geven was – dat ontging de Sodomieten ten volle.

Geen woord over seks. Laat staan over homo’s.

Wat staat er dan in  Genesis 19? Als we van dichtbij gaan kijken, blijkt dat het hele homoverhaal op één werkwoord vastzit: “opdat wij die mannen te grazen nemen”, las ik ergens. Jada in het hebreeuws. Het werkwoord betekent in bijna alle gevallen: nauwkeurig leren kennen. En in een aantal – niet onbelangrijke- gevallen betekent het werkwoord: seks hebben. De Statenvertaling zegt mooi, dat Adam Eva bekende. Ook daar staat datzelfde werkwoord: jada.

Willen de mannen hier wel allemaal seks? Van jong tot oud? Dat zou wel heel kras zijn. Het lijkt me ook niet aan de orde. Wat de stad wil is dit: laat die mannen naar buiten komen, dan kunnen wij eens flink uitzoeken wie zij zijn, waar zij vandaan komen en wat ze hier eigenlijk moeten, in die stad van ons. De stedelingen sluiten zich op in hun eigen identiteit die zij als superieur beschouwen. Zíj hoeven zich niet te verantwoorden. Dat moeten die vreemdelingen maar doen.

Bijbels de-wereld-op-zijn-kop, blijken de vreemdelingen Gods aanwezigheid te vertegenwoordigen. Zij zijn engelen van God. Maar dat weten die mannen niet!

En Lots poging dan om de stedelingen tot bedaren te krijgen door zijn eigen dochters aan te bieden? John Boswell deed een uitgebreide studie naar stadsoproer in rurale samenlevingen en kwam tot de schokkende slotsom: dreigende opstanden werden standaard met vrouwen geblust.

Dat is een gruwelijke conclusie, maar rechtvaardigt niet de gedachte “Lot vond het minder erg als de mannen i.p.v homoseks, heteroseks zouden hebben.”

Ik hoop dat het (al even verschrikkelijke!) verhaal uit Richteren 19 een absoluut nodige correctie is op de gedachte dat vrouwen wel ingezet zouden mogen worden voor de stadsvrede. In dat boek, in dat hoofdstuk wordt verkrachting verafschuwd en afgewezen.

Dus, lieve dreigbrievenschrijvers. God liet zijn toorn niet dalen over de “homo’s in de steden Sodom en Gomorra”.  U leest echt niet goed. God toornde over de harteloosheid van de stad, over de vreemdelingenhaat. En over de arrogante weigering om veiligheid, onderdak en brood te delen.

Daar zou ik nou wel eens een brief over willen schrijven: over onze harteloosheid. De harteloosheid van Europa die de wereld op zijn grondvesten laat schudden.

Desnoods anoniem.

 

Twaalf dagen. Niet twee.

Zo, de ergste hitte van het feest hebben we weer gehad. Mag ik er dan nog even op terug komen? Op kerst? Er zit me namelijk iets hoog. Dat iedereen veel te veel haast heeft.

Gisteren zal ik al weer kerstbomen buiten op straat liggen. “Gelukkig, dat hebben we achter de rug.”, zeiden ze. Ik las, dat in Amsterdam het dagelijkse bestaan zelfs Tweede Kerstdag al weer door holde: alle winkels open, de stadsreiniging veegde al weer, de toeristenindustrie draaide op volle toeren. Geen geduld, we moeten door. Twee dagen: we vinden het genoeg. We vinden het te veel.

Breaking news voor allen dan: kerst duurt niet twee dagen. Het feest telt twáálf dagen. Twaalf? Ja, twaalf. En als je een echte hardliner bent, kun je doortellen tot veertig dagen: tot aan twee februari. Ik ken iemand die de kerstboom na Pasen nog had staan. Maar dat was uit gezelligheid, en dat is iets anders.

Kerst, de christelijke variant daarvan, heeft in wezen niets met gezelligheid. Voor een dominee is dat ieder jaar opnieuw een heel gedoe. Het midwinterfeest is gezellig. Kerst is dat niet. Of zou het niet moeten zijn. Niet allereerst.

Wat zingen de christelijke kerstliederen? Ook de meest zoete? “Wereld, verloren in schuld”, “kyrië- eleis”, “Hij daalde neer van ’s Vaders troon.” En het scherpste: “Maar wie dit kindje kussen wil

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

Om in het volgende couplet nog meer de bitterheid van het leven op te zoeken

en daarna met Hem sterven,
om geest’lijk op te staan
en ’t leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
Bij de kerstkalkoen is het moeilijk sterven. Of er moet iets mis zijn geweest met het recept.
De kerstliederen hebben beter begrepen waar het om gaat, dan veel kerstsfeer voor waar wil hebben: dat er nood is, dat er schuld is, dat er pijn is, dat deze wereld geen paradijs is. En dat daar een roep van uit gaat. Dat het lijden van mensen om een antwoord roept. Om een heling, een aanwezigheid. Dat het niet mag verdwijnen zonder gezien of gehoord te zijn.
G’d antwoordt: Ik zal er zijn. Ik zal horen, ik zal zien, ik zal dragen
Je leest het in Lucas. Over de nacht, waarin herders waakten (prachtig beeld: er zijn mensen die de nacht doorstáán). En over Bethlehem, de stad die Huis van Brood heet. Wat is het brood? Het kind dat zich geeft.
G’d daalt af tot onder de planken van het wereldtoneel, schreef Oepke Noordmans ooit. Dat er draagkracht is, waar je dat niet dacht. Dat jij dus kunt zijn waar je dat niet had gedacht. Dat het misschien wel onze roeping is om dáár te zijn waar niemand zijn kan. Wat het ons ook kost.
De eerste twee dagen van kerst komen we daar niet zo aan toe. We scheppen een eigen hemel van vriendschap en familieliefde. Dat is niet niks. Maar het is niet kerst. Het is een vluchtheuveltje tegen de wereld. Ernst Daniël Smid zei op de radio: ‘even alle zorgen opzij’ Derde kerstdag zijn de zorgen er weer.
Dus zul je er toch iets mee moeten. Wat je weg werkt komt later met grotere kracht terug.
Tweede kerstdag leest de kerk de geschiedenis van Stefanus. De man diende mensen en volgde de Heer. Hij beleed dat het licht van Christus schijnen kan en schijnen zal. Hij werd gedood. Zijn naam betekent “Overwinningskrans”.  Wat? Overwinningskrans. Waarom? Omdat hij het juiste had gekozen.
Op vierde kerstdag leest de kerk de verschrikkelijke geschiedenis van de moord op honderden kinderen in Bethlehem. Omdat Herodes, de koning, bang was zijn macht te verliezen. Zo ver kan een mens dus zinken. Het lezen van de geschiedenis is al ruimte scheppen voor G’d. En willen horen naar al die plaatsen waar nòg kinderen het onderspit delven. Aleppo, Sierra-Leone, Bolivia. Dichterbij: als kinderen worden verwaarloosd, mishandeld, misbruikt.
Op de zevende kerstdag leest de kerk uit Romeinen 3. Het felle stuk over onze dood. Wij zijn het die deze wereld maken zoals die is. Wij verwaarlozen kinderen. Het zijn niet de aliëns onder ons die keer op keer oorlog bedenken.”Maar”, vervolgt Paulus: “buiten elke regel, redelijkheid en logica om (nomos) is nu de Heer verschenen.” Ondanks het duister is ook, altijd, het licht. Omdat er duister is, zal er ook altijd licht zijn.
Op 1 januari, achtste dag van kerst, leest de kerk over de besnijdenis van de Heer. Zijn toewijding aan de G’d die zegt: “Ik wel”.  “Op mij kun je aan” De toewijding snijdt. In ons.
Op de twaalfde kerstdag, 6 januari, leest de kerk over de magiërs. Magioi in het Grieks. Mensen die het leven in eigen hand willen houden. Zodra zij het kind op het spoor zijn, verdwijnt in de tekst (je vindt het in het Mattheus-evangelie) die aanduiding. Ze kunnen dan nog maar één ding: knielen.
Kerst gaat over: G’d die verschijnt.  Kerst vraagt: dat ook wíj verschijnen. Niet ontkennen. Niet wegduwen. Toelaten. Verstaan. Ja, zeggen.
Laat het feest daarom ook alle twaalf dagen duren. Al was het maar vanwege die laatste zin uit de Mattheuslezing: “door een droom gewaarschuwd, keerden zij niet terug naar Herodes, maar zij volgden een nieuwe weg.”
Nieuwe wegen vinden gaat niet zomaar in een dag.

 

In de waarheid te leven

zeist-580x260

 

Een paar honderd oudere, enigszins sjiek in het donker geklede mensen kwamen gisteren bij elkaar in de pure, witte kerk van de Broedergemeente in Zeist. Aan het Zusterplein. Ze gedachten Hebe Charlotte Kohlbrugge. Zij stierf vorige week in de leeftijd van 102-jaar.
Vóór in die kerk staat geen altaar. Zelfs geen avondmaalstafel. Meer een keukentafel, eigenlijk. Op een verhoging. Met een grote stoel er achter. Daar zit de voorganger, de hele dienst lang. Wonderlijk genoeg gaf het de samenkomst de sfeer van een vergadering met notulen, raadsverslagen en een voorzitter. Dat past wel bij Hebe, dacht ik. Haar verjaardagen waren ook altijd iets van “bijeenkomsten van het commandocentrum” geweest. Het moest wel ergens over gáán. De situatie in Midden Europa. Het engagement van haar verjaardagsgasten. Ze wilde het weten en vroeg je naar het hoe en het wat. Daarbij onthield ze je haar commentaar beslist niet. Maar ook haar meelevendheid hield ze niet verborgen.
“Een leven in de waarheid”, zo zei een van de voorgangers over haar. Als jonge vrouw was ze au-pair geweest bij een neef van Churchill. De eigenlijke Churchill was nogal tegen gevallen “een ouwe brompot” noemde ze hem eens. Zijn neef was onder de indruk van Duitsland, het waren de jaren dertig, want dáár gebeurde iets nieuws, iets sociaals. Heel anders dan het duffe, nuffige Engeland. Hebe wilde “dat heerlijke” wel meemaken en reisde af naar Nazi-Duitsland. “Maar het heerlijke bleek afschuwelijk te zijn”, zo liet ze de predikant voorlezen uit haar levensgeschiedenis. De Broedergemeente vraagt aan elk van haar leden om een levensbeschrijving te maken voor het geval dat…
Zo ook Hebe.
Het trof mij opnieuw. Een jonge vrouw in Duitsland en zíj zag wat miljoenen nog niet konden of wilden zien. Zou ik het hebben gezien? Ik weet het niet. “Waarom u wel?”, zoiets vroeg een interviewer haar een paar jaar geleden. “Dat weet ik niet.”, had zij geantwoord: “Dat weet alleen de Lieve Heer.”
Gisteren probeerden we de Lieve Heer het antwoord te ontfutselen. Hoe kon Hebe haar leven lang zo scherp zijn op recht en rechtvaardigheid? Was het haar karakter, haar overgrootvader, haar onaangepastheid? In de oorlog werkte zij in de illigaliteit (Oh, wat had zij een hekel aan het woord verzetsstrijdster, zei de dominee), ze werd gearresteerd en naar kamp Ravensbrück gedeporteerd. Na de oorlog bouwde zij in opdracht van de Nederlandse Hervormde kerk aan nieuwe bruggen met Duitsland. Nog weer later zocht zij dissidenten op in Tsjechie, de DDR en Roemenië. Hilarisch en indrukwekkend is haar relaas over de zoektocht naar Vaclav Havel in de jaren zeventig, toen het regime hem ergens had weggestopt. Uitgezet uit Tsjechië, reisde zij er unverfroren weer heen. Er was een vriend in nood. Anderhalve meter hoog en “zonder luister of gestalte” werd gisteren mooi gezegd. Maar daar kwam ze aan. En vònd Havel.
Dat is het grootste wonder.
Wat was dat? Ze vond haar drijfveren in het Johannesevangelie, werd verteld. Dat de waarheid je vrij maakt. Dat Jezus de waarheid is. En dat, wie uit de waarheid is, naar Zijn stem luistert. Het evangelie maakt je vrij van alles wat vanzelfsprekend is. Wat je zo op het oog niet ziet. Wat je als onder “een verstikkende deken houdt”, woorden van Hebe. Wie vrij is, is niet bang. En wie niet bang is, ziet scherp.
En dan waren er ook de mannen als Karl Barth, Oepke Noordmans, Miskotte, Rosenstock – die trage theologen. Beetje wereldvreemd ook. Maar juist daardoor: vlijmscherp. Miskotte schreef vóór de oorlog al “Edda en Thora”. Dat God de machten (lees: het nazisme, het heidendom) stom slaat.
Vaclav Havel werd genoemd. Zijn pamflet “Poging om in de waarheid te leven” had zij letterlijk en figuurlijk verslonden. Het was haar voeding geworden. Ik dacht aan mijn eigen studententijd. Dit boekje heb ik maanden in mijn zak meegedragen. En er keer op keer uit gelezen. Hij vertelt over een groentenman in Tsjechië die op een dag besluit: “Ik hang het bordje “Proletariers aller landen, verenigt u” niet meer in mijn etalage”. Daarmee ontmaskert hij het regime. En hij draagt de consequenties. “Wij moeten op onze plek gaatjes in de deken prikken”, zei Hebe. Ik ben nog eens naar haar toegereisd om haar de vraag te stellen, hoe je de deken herkent. “Door je verstand te gebruiken”, was haar eerste, korte antwoord. “En lees de goede boeken.”
Haar zuster Hanna werd genoemd. En toen werden de aanwezigen heel stil in de kerk. Haar zus met wie ze zoveel had gedeeld. Studie, gesprek, reizen. Ze hadden hun leven met elkaar gedeeld. Hanna stierf op 13 december 1999. Hebe stierf op 13 december 2016. Na díe zinnen werd de stilte nòg dieper.
Ik keek om mij heen. Met een schok besefte ik: dit zijn de mensen van mijn jeugd. Ineens herkende ik ze weer. Deze mensen die net niet helemaal deel uitmaken van de wereld. Omdat ze andere boeken lezen. Anders kijken. Anders leven. Langzamer en daardoor zo veel scherper.
Verontrust liep ik na afloop terug naar de auto. We namen afscheid van Hebe. “Dit àlles gaat voorbij”, dacht ik. Miskotte, Noordmans, Barth, Rosenstock. De kerk, ook de kerk, is hijgerig geworden. Wil er te graag bij horen. Is dat de deken van vandaag, in de kerk?
“Het enige gaatje in de deken kun je zelf zijn”, zei Hebe ooit. Ik zal mijn best doen het als een oproep te zien. De laatste uit het commandocentrum Kohlbrugge

Zondig

Een derde van de witte Nederlanders vertrouwt zijn medemens niet. Ze vinden zelfs niet dat de méésten anderen te vertrouwen zijn. Onderzoeksresultaten in Trouw.

Ik kijk altijd op van zulke berichten. Zouden er bij mij in de straat ook zulke wantrouwigen wonen? Een derde! Dat is nog al wat. Dat komt in ons straatje toch al gauw op zes personen. Wie zouden het zijn? Die nooit hun hand opsteken? Of zijn zij juist heel vertrouwensvol: “je weet dat het goed zit, dat hoef ik niet met zwaaien te bevestigen, steeds”?

Tot welke groep zouden de wantrouwigen zichzelf rekenen, eigenlijk? Denken ze, dat ze zelf wèl goed in elkaar zitten, maar de rest van de wereld niet? Of kennen ze zichzelf, belazeren ze de kluit en vertrouwen ze dáárom de ander niet?

Ik ben nogal van het vertrouwen. Ik vertrouw eigenlijk iedereen wel. Ik weet ook niet precies hoe dat komt. Het is zo. Ik denk: “Ik ben zelf geen heilige, maar ik doe toch redelijk aardig.” Dan zal het bij anderen niet anders zijn.

Er zijn geen categorieën mensen. Daar geloof ik niets van. Mensen doén wel goede of slechte dingen. En sommigen doen misschien meer slecht dan goed. Anderen doen misschien meer goed dan slecht. Maar niemand kwam uit een ander soort baarmoeder gekropen, dat die zou kunnen zeggen: “Mij heeft de domheid van het bestaan niet aangeraakt.”

Een paar dagen geleden voegde een rode Hyundai fout in. Ik moest vol op de rem. “Stom koekblik!”, schold ik en nam gelijk alle kleine auto’s maar mee. Kleine auto’s rijden altijd te langzaam op de snelweg. Ze maken nooit gebruik van hun spiegels. Ze voegen te langzaam in, ze geven veel te vroeg richting aan. Ze.

Drie minuten later haalde ik een vrachtwagen in. Een BMW achter mij moest vol in de remmen. Oeps.

Hierbij maak ik mijn verontschuldigingen aan de BMW-rijder.

Ik vertrouw de meeste mensen wel. Omdat het leven mij elke dag duidelijk maakt: de stommiteiten die zij uithalen, haal je zelf ook uit. We zijn allemaal even zondig. Of even goed.

Zelfs Hitler, daar ben ik steeds weer stil van: Eva Braun heeft echt van hem gehouden. Je kunt niet volhouden dat ze dan allebei slecht waren. Wat Hitler deed, was door- en door verrot. No discussion. Maar er was blijkbaar ook een andere toegang tot hem.

Als je jezelf kent, en je staat aan jezelf toe dat je bent die je bent, leer je barmhartigheid. Jij kunt er zijn. Maar barmhartigheid houdt niet op bij de grenzen van je eigen lichaam. Ze omhelst ook de ander. Barmhartigheid houdt niet op bij de grenzen van je eigen familie. Of van je vrienden. Ze gaat verder. Als jij er kunt zijn, dan kan ieder ander er zijn. Als jij je best doet, dan zullen anderen dat ook wel doen. Als anderen een stommiteit uithalen, of een onvervalste smerigheid, dan ben je er zelf ook toe in staat.

In de ochtend beginnen we allemaal de dag met een grote plas. Zoiets alleen al zou een band moeten scheppen. Voor honderd procent.

 

 

 

Trump won. Psalm 9 als commentaar bij de tijd.

We zochten deze tekst niet eens. Hij stond simpelweg op het rooster. Dus lazen we hem vanochtend. In de kerk. Mensen waren innerlijk nogal verrommeld binnen gekomen. “Het is een ramp”, zei er één. Ik had geen idee waar hij het over had. Mijn innerlijk was nog kalm als een bosmeertje bij zonsopgang. “Trump heeft gewonnen!”, vervolgde ze. Er was geen bosmeertje meer te bekennen.

We lazen Psalm 9. “U wil ik loven Heer, met heel mijn hart” Want? Waarom?

“Want U bent een burcht voor de verdrukte.” “De arme zal niet worden vergeten”

Ik dacht aan Trump. Hoe hij Latino’s had uitgekafferd, zijn idiote plan om een muur te bouwen. Zíjn vesting is er een van angst. Verdeeldheid zaaien. En zeggen dat hullie het hebben gedaan. Dat laatste werkt altijd weer. Gewoon zeggen, dat een ander schuld heeft. En dat jij, Trump, jij politicus, dat jij ervoor gaat zorgen dat die ander een toontje lager zal gaan zingen. Zodat wij gelukkig zullen worden.

“We will make Amerika great again!” Maar wie die wij dan precies zijn? En hoe groot is groot? Bij Trump horen heel veel mensen niet bij het “wij”.

Dat maakt angstig.

Hij heeft geen enkel respekt voor instituties

Dat maakt angstig.

Trump trekt zich niets aan van feiten

Dat maakt angstig

Hij is een sloper, geen bouwer

dat maakt angstig.

Psalm 9 zingt ineens tegen alle angst in: er zal een schuilplaats blijven voor de arme. Er zal een plek zijn voor de verdrukte. Het geweld zal niet winnen.

De psalm speelt nòg hoger spel. Het lied zegt: de vijand heeft al verloren. De volken hebben hun eigen graf gegraven. (Waarbij ik even in de kantlijn zet dat ‘de volken’ niet die gezellige folkloristische groepen zijn met hun eigen dansjes en baksels, maar ‘de volken’ zijn de woedende menigten die niet weten wat ze doen en op alles trappen wat van waarde is. Die dus. En die hebben al verloren.)

Dat moet je dus wel zo willen zien. Je kunt kiezen voor de angst. Populisme maakt mij bang, ik geef het toe. Maar de angst richt niets uit. Trump is toch president.

Je kunt ook kiezen voor de stabilitas. Ik blijf God trouw. De God die de ander de hand reikt. Vreemdeling, verschoppeling, uitgebraakte, weggeduwde. We lazen er ook nog eens Markus 2 bij.

En als ‘God’ geen woord is dat je ziel verlicht?

Dan helpen misschien die Engelse posters: keep calm and..

Keep calm, de goedheid blijft.

Keep calm, het recht blijft

Keep calm, zolang jij en ik, en jij, en jij, en jij, en jij

blijven zoeken naar recht van iedereen

zolang is er niets verloren

 

We baden vanmorgen met nog meer vuur dan anders.

 

Homohaat is niet altijd een vuistslag

Hun leven zou je zomaar geslaagd kunnen noemen. De een, Guido, is een geliefd professor kunstgeschiedenis in Londen, hij is getrouwd met een lieve vrouw en haar dochter, Leni, is zijn dochter geworden. Ze noemt hem “dad”. De ander, Costantino, runt een succesvol restaurant in Rome. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Een dochter en een gehandicapte zoon. Costantino is lief en zorgzaam voor hen alle drie.

Alle drie? Nee, voor alle vier. Voor zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon, èn voor Guido. “Zijn hand is teder als een bloem”,  schrijft Guido over hem. Maar die vierde liefde, die grote liefde, die mag er niet zijn. Kan er niet zijn. Moet er niet zijn. Een leven lang niet. Veertig jaar lang niet.

Guido en Costantino, beiden zijn Italiaan, beiden geboren in Rome, ze waren ooit buurjongens van elkaar, ze zijn van mijn leeftijd. Niemand heeft ooit rechtstreeks tegen hen gezegd, dat het niet kon. Zo werkt het niet, met homohaat. Het woord, haat, is een te grote jas. Voor een duivel die misschien klein is. Maar wel verwoestend aanwezig. Dat hij er niet mocht zijn heeft Guido begrepen “via de lucht”.  Dat laatste verzin ik een beetje, het komt uit eigen ervaring weggelopen. Je proeft het in de verwachtingen die tussen mensen rondzweven. Alle tienerjongens beginnen met tienermeisjes te flikflooien, te slijpen op muziek tijdens een klasseavond. Maar jij niet. Het valt niet op. Je weet: het valt op een dag wel op. Heb jij nog geen…? Nee, ik heb nog geen meisje. En je wacht op de onverholen honende toon in het antwoord: “Zeg, je bent toch geen…”  Nee zeg, ik ben geen.

De liefde van de mannen gaat ondergronds. Ze ontmoeten elkaar. In hotels, auto’s, bossen, parken. Het blust, voor even,hun hunkering, het wakkert, voor altijd, hun hunkering aan. Het wakkert nog meer aan: hun zelf-haat. Guido begint te drinken. Verliest zichzelf in een hoerenkast. Zegt later: “Nee, Costantino ik heb het nooit met een andere man gedaan.” Nog meer zelf-haat.

Homo-haat is lang niet altijd een slag in je gezicht. Het is een zure regen die miezerig en motterig op je neerdaalt. Die je meeneemt en kleiner maakt. Het zit in de blikken op een familiedag, verre familie die je zelden ziet. Het zit in het beginnen te mijden van zulke dagen. Het zit hem in een briefje in een damesblad “Ik heb niets tegen homo’s, maar …” Het zit in de stilte die valt als een kerkenraad ontdekt dat de man die jou rijdt, niet jouw chauffeur is, zomaar. Het zit hem in: daarna nooit meer gevraagd worden. Ineens. Het zit hem in: “Oh, maar jullie zijn een heel gewoon stel.” En het verzwegen: “Niet zoals die anderen”.  Welke anderen? Ik ben één van ‘die anderen’!

Homohaat lijkt een veel te groot woord. Terwijl de kracht hatelijk vernietigend is. De eindeloze discussies in de kerk, dat je er wel mag zijn, maar het niet mag doen. Dàt is het verwoestende. Dat je twee levens krijgt, als je niet oppast. Eén voor de buitenwereld. Eén voor binnen, als de voordeur dicht gaat.

Het zit ‘m in: “Uw vader ligt weer op de uitslaapkamer”, als je belt naar het ziekenhuis met de vraag “Hoe de operatie van mijn man is gegaan.”

Toen mijn man, jaren geleden, een nare uitslag had gekregen, omhelsden we elkaar in de wachtkamer. Juist kwam de arts naar buiten. Ze wilde ons wegsturen: ze zei “O nee, dit wil ik hier niet hebben.”

Homohaat is een moeras. Dat niet zomaar is droog te leggen. Van waaruit ineens giftig gas omhoog borrelt. Twee vrouwen die in Groningen tegen de grond worden geslagen onder de kreet “Plat op plat, dat vult geen gat.” Een man die in de metro in elkaar wordt getrapt “omdat hij erg gay keek”.

Op de dag dat Guido en Costantino besluiten dat het afgelopen moet zijn met hun onderwereld, op de dag dat Guido zegt “Ik schaam mij niet meer.”, op die dag worden zij beiden in elkaar geslagen.

Iemand schreef deze week: natuurlijk mag geweld tegen homo’s niet, maar ik onderscheid de leer van de Kerk daarvan. Hij bedoelde de leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Dat je er wel mag zijn, maar..

Er is geen onderscheid. In het moeras wacht het gif. En het wil naar buiten.

Over Schittering,

de achtste roman van Margaret Mazzantini

 

Een troonrede in drie woorden.

Paf! De bijbel flikt het weer. In drie woorden alles zeggen.

We lazen Amos, vanmorgen. Gewoon, zomaar, in een kringetje hoorders. Amos is een bijbelboek. En een personage. Het boek introduceert hem zelf: Amos, schapenfokker in Tekoa. Historisch zitten we dan ongeveer tweeëneenhalfduizend jaar geleden, maar dat is van minder belang. We lezen vandaag. Dat doet er toe.

“Waarom eigenlijk schapenfokker?” vraagt één van de hoorders. Waarom moet dat vermeld? “Waarom Tekoa?”, denk ik er achteraan. Waarom dàt vermeld? De bijbel is nooit zo scheutig met informatie. Het dumpt zijn verhalen vaak zonder franje. Nog niet zo lang geleden lazen we in Exodus hoe Mozes voor het eerst bij een priester in Midjan gaat eten. Mozes is vluchteling, kent deze hele priester niet, er zijn allerlei omstandigheden. Maar het verhaal zwijgt daarover. Het weet nog net tussen de tanden door te melden: de priester gaf zijn dochter aan Mozes ten huwelijk. Nog niet eens één zinnetje. Het eerste dinertje bij een onbekende en even later ben je getrouwd met diens dochter! Ik heb wel eens uitgebreidere liefdesgeschiedenissen gelezen, moet ik bekennen.

En dan hier ineens zo’n spraakwaterval. De naam, het beroep èn de woonplaats er ook nog bij. Het kan niet op. Maar waarom?

Thom Naastepad zegt: “Het maakt meteen duidelijk dat Amos niet uit een priestergeslacht stamt. Hij is geen beroemde spreker.” Geen Billy Graham of, van mijn part, geen Obama. Hij is een boer. Broer van Klazien uut Zalk, zeg maar.

Thom Naastepad kan het weten. Hij is onvoorstelbaar bijbelgeleerd. Hij was dat, eigenlijk. Naastepad leeft niet meer. Helaas.

Met dat broer van Klazien uut Zalk zit ik niet ver naast de bedoeling. Wie had er ooit van Zalk gehoord? Tekoa is net zoiets. Een afgelegen gat. Nergenshuizen. Moddergat. Het is geen Jeruzalem. Geen Hiergebeurthet.

Tekoa is meer een Hiergebeurtnooitwat.

Amos is schapenfokker. Bedacht op zijn schaapjes en op hun welbevinden. Hij werkt zorgzaam en aards. Hij let op de kleinen, waar hij er zelf één van is.

In groot tegenstelling tot de anderen die in dezelfde zin worden genoemd. De koningen uit zijn tijd Uziah en Jerobeam. Grote mannen die paleizen bewonen van ivoor. Hun volk kijkt naar hen op. Iederéén wil wel in een ivoren toren wonen. Met dure bedden van Hästings. Om op te luieren en tokkelend op je harp naar je X-factor te zoeken. Want daar heb je alle tijd voor als je rijk bent. Ik verzin het niet he. Het staat er. In dat boek van Amos. Dat de rijken van het land muziek maakten en dachten “Nu ben ik net zo goed als David, minstens”. En dat ze daarbij luxe bedden onder den kont hadden. Het ging goed in Nederland, pardon, in Israël. Zeker als je dat vergelijkt met de landen in de omgeving. Die deden het niet half zo goed. Groeicijfers die er mochten zijn. De beddenverkoop steeg tot ongekende hoogte. Er is veel om trots op te zijn.

Nooooou, zegt Amos. Hoe zit het precies met de ouderen in de verpleeghuizen? Hoe vaak per dag krijgen zij een schone luier? Hoe zit het met de vluchtelingen die jullie zo graag “onder controle willen krijgen?” Horen jullie hun stem, of blijven jullie doof? Hoe zit het met de arbeiders in de lage-lonen-landen waarvan jullie T-shirts kopen, twaalf voor een tientje. Hoe zit het daarmee?

En hij scheldt op de mensen die het alles overstemmen met vroom gezang. Met klokgelui en zegenbedes. Dat velen met mij voor u bidden. Woe-dend wordt Amos. Jullie slaan jezelf op de borst. Omdat het geld groeit.

Maar het leger armen groeit ook. De aarde wordt ontwricht. Doe! Daar! Wat! Aan!

Maar ja, wie luistert er nou naar een keuterboertje uit Tekoa?

Niemand.

“God”, zegt het bijbelboek. God luistert naar keuterboertjes. En naar armen. En naar de machtelozen die opzij worden gedrukt. Hij luistert.

Ik had het kunnen weten. Drie woorden: Amos, boer, Tekoa.

Meer heeft de bijbel niet nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

Geneigd tot alle kwaad, of hoe zit dat nou?

“Alle regels worden op een bepaald moment wel door iemand overtreden”,  schreef Beatrijs Ritsema als troost aan iemand die zich stoorde aan wildplassende mannen. Nu zie ik nooit een man zomaar zijn blaas tegen boom of muur legen, nou ja vooruit: een enkele keer langs de kant van de weg ofzo, maar briefschrijfster (ja, sorry mijn negentiende eeuwse hoofd denkt toch die kant op) had de indruk dat het wildplassen tsunami-achtige vormen begon aan te nemen. “Kun je niet tegen houden”, was het korte, droge commentaar van Beatrijs (hier)

Ik vond het wel mooi. Vooral, omdat ze in een notendop ons menselijk probleem bij de kop had. “Zo zit de mensheid in elkaar”, voegde ze er aan toe. Ik dacht: “zie nou, zondag 3, 4 en 5 in één regel samengevat”. Bert Keizer zou zeggen: “We zijn niet de leukste diersoort, helaas.”

Maar is het ook waar? Ik bedoel: ja – mensen zijn tot alles in staat wat gruwelijk is. Zesmiljoen keer zag de mensheid er geen enkel been in om een jood of jodin te vermoorden. Pol-Pot, Stalin en Mao vermoordden maar liefst twee honderd miljoen keer een mens. Twee! Honderd! Miljoen! Keer! De “War on terror” kostte 700.000 levens. En dan zwijg ik maar over de 6,6 miljard dollar die er mee gemoeid is tot nog toe. Of toch niet helemaal, ik zwijg niet helemaal: zouden de VS er nou niet iets leukers mee hebben kunnen doen? Iets waarmee ze zich populair hadden gemaakt in het Midden-Oosten? Ik weet niet: gratis wifi voor iedereen, ofzo. Of drinkwater, schoon drinkwater voor alle dorpen op alle plaatsen in de wereld? Had vast geen 6,6 miljard gekost. Maar nee. “We” kozen ervoor om met dit geld mensen dood te schieten. Ha fijn.

Dus ja: de mens als zodanig is geneigd alles te doen wat je maar kunt verzinnen aan narigheid. Goed doen lijkt wel pijn te doen.

Of niet? Vanmorgen een verhaaltje in de krant (die Wakkere voor Heel Nederland). Een man van in de negentig verloor zijn inkomen, doordat zijn dochter – die nog kon werken- gestorven was. Hij moest van pure armoe de straat op met een ijscokarretje. Ik ga even voorbij aan de treurigheid van deze feiten. Het gaat mij hier om: een voorbijganger zag hem en kocht zijn hele dagvoorraad. Ijscoverkoper in tranen, zo blij. Maar daar bleef het niet bij. De voorbijganger vond, terecht, dat oude mensen lekker in het zonnetje moesten kunnen zitten, al dan niet achter de geraniums en postte er iets over op Fb. Feestboek, inderdaad. Hij dacht drieduizend dollar op te halen. Binnen een niet eens zo lange tijd stond er 320.000 dollar op de rekening. De oude man hoeft nooit meer de straat op met een ijswagentje.

Zo héél beroerd is de mens dus ook weer niet. Tenzij de FB-mijnheer de 320.000 dollar in zijn eigen zak steekt. Wat niet uitgesloten is “want zo zit de mensheid in elkaar”.

Of toch niet? Zitten wij alleen maar zo in elkaar als we ons onbespied wanen? Als we denken “niemand kijkt”? Of als we ons, zoals Pol-Pot, of Mao, onaantastbaar wanen “ik heb er recht op, dit komt mij toe?” Ik vraag maar eens wat. Ik weet het niet helemaal zeker.

Paulus zegt, dat de rottigheid onze natuur is (Paulus was een ietwat late leerling van Jezus). Maar goed hij had dan ook zèlf mensen laten vermoorden. Ik snap dat hij dat van zichzelf vond. En ik herken het.

Ik herken het ook weer niet. Ik vind de meeste mensen eigenlijk best leuk. Ze hebben wel eens iets stekeligs. Maar om nou te zeggen: “alle mensen die ik ken zijn de hele dag maar bezig slecht te doen”. Nee.

Nog niet zo lang geleden zei een vader van een zieke dochter “je wilt niet geloven hoeveel aardige mensen er zijn”. Hij had veel hulp gekregen. Soms werkelijk onvoorstelbaar lieve, leuke en mooie hulp.

Misschien spreken we elkaar te weinig aan op elkaars mooie, leuke en aardige kanten? Als er altijd maar tegen je gezegd wordt dat je een naarling bent, ja dan word je er ook wel een. Al was het maar uit stille wraak.

Misschien moeten we eens een soort gekozen naiviteit aannemen? Dat we de ander bezien en benaderen als een leuk mens. Met mogelijkheden. En creativiteit. En leukigheid. Dat we zeggen: Elk mens is leuk. Zelfs niet-leuke mensen hebben iets leuks.

Ik zag vorige week iets bijzonders. Het duurde slechts een paar seconden. Midden in dat verschrikkelijke, mislukte, hanepikkerige gesprek van Jeroen Pauw met de vloggers uit Zaandam, zei raadslid Juliëtte Rot: “Ik zie in jullie groep zo veel talent, rappers, mensen met scholing, doe daar iets mee!”  Toen viel het gesprek heel even stil. De vlogger-zonder-bril glimlachte flauwtjes. Rot zag en benoemde: “Hej, je bent zó’n leuk iemand!”

Daarna brak het wantrouwen weer uit. Want tsja, de mens is nu eenmaal geneigd,

of niet?

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.