Homohaat is niet altijd een vuistslag

Hun leven zou je zomaar geslaagd kunnen noemen. De een, Guido, is een geliefd professor kunstgeschiedenis in Londen, hij is getrouwd met een lieve vrouw en haar dochter, Leni, is zijn dochter geworden. Ze noemt hem “dad”. De ander, Costantino, runt een succesvol restaurant in Rome. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Een dochter en een gehandicapte zoon. Costantino is lief en zorgzaam voor hen alle drie.

Alle drie? Nee, voor alle vier. Voor zijn vrouw, zijn dochter, zijn zoon, èn voor Guido. “Zijn hand is teder als een bloem”,  schrijft Guido over hem. Maar die vierde liefde, die grote liefde, die mag er niet zijn. Kan er niet zijn. Moet er niet zijn. Een leven lang niet. Veertig jaar lang niet.

Guido en Costantino, beiden zijn Italiaan, beiden geboren in Rome, ze waren ooit buurjongens van elkaar, ze zijn van mijn leeftijd. Niemand heeft ooit rechtstreeks tegen hen gezegd, dat het niet kon. Zo werkt het niet, met homohaat. Het woord, haat, is een te grote jas. Voor een duivel die misschien klein is. Maar wel verwoestend aanwezig. Dat hij er niet mocht zijn heeft Guido begrepen “via de lucht”.  Dat laatste verzin ik een beetje, het komt uit eigen ervaring weggelopen. Je proeft het in de verwachtingen die tussen mensen rondzweven. Alle tienerjongens beginnen met tienermeisjes te flikflooien, te slijpen op muziek tijdens een klasseavond. Maar jij niet. Het valt niet op. Je weet: het valt op een dag wel op. Heb jij nog geen…? Nee, ik heb nog geen meisje. En je wacht op de onverholen honende toon in het antwoord: “Zeg, je bent toch geen…”  Nee zeg, ik ben geen.

De liefde van de mannen gaat ondergronds. Ze ontmoeten elkaar. In hotels, auto’s, bossen, parken. Het blust, voor even,hun hunkering, het wakkert, voor altijd, hun hunkering aan. Het wakkert nog meer aan: hun zelf-haat. Guido begint te drinken. Verliest zichzelf in een hoerenkast. Zegt later: “Nee, Costantino ik heb het nooit met een andere man gedaan.” Nog meer zelf-haat.

Homo-haat is lang niet altijd een slag in je gezicht. Het is een zure regen die miezerig en motterig op je neerdaalt. Die je meeneemt en kleiner maakt. Het zit in de blikken op een familiedag, verre familie die je zelden ziet. Het zit in het beginnen te mijden van zulke dagen. Het zit hem in een briefje in een damesblad “Ik heb niets tegen homo’s, maar …” Het zit in de stilte die valt als een kerkenraad ontdekt dat de man die jou rijdt, niet jouw chauffeur is, zomaar. Het zit hem in: daarna nooit meer gevraagd worden. Ineens. Het zit hem in: “Oh, maar jullie zijn een heel gewoon stel.” En het verzwegen: “Niet zoals die anderen”.  Welke anderen? Ik ben één van ‘die anderen’!

Homohaat lijkt een veel te groot woord. Terwijl de kracht hatelijk vernietigend is. De eindeloze discussies in de kerk, dat je er wel mag zijn, maar het niet mag doen. Dàt is het verwoestende. Dat je twee levens krijgt, als je niet oppast. Eén voor de buitenwereld. Eén voor binnen, als de voordeur dicht gaat.

Het zit ‘m in: “Uw vader ligt weer op de uitslaapkamer”, als je belt naar het ziekenhuis met de vraag “Hoe de operatie van mijn man is gegaan.”

Toen mijn man, jaren geleden, een nare uitslag had gekregen, omhelsden we elkaar in de wachtkamer. Juist kwam de arts naar buiten. Ze wilde ons wegsturen: ze zei “O nee, dit wil ik hier niet hebben.”

Homohaat is een moeras. Dat niet zomaar is droog te leggen. Van waaruit ineens giftig gas omhoog borrelt. Twee vrouwen die in Groningen tegen de grond worden geslagen onder de kreet “Plat op plat, dat vult geen gat.” Een man die in de metro in elkaar wordt getrapt “omdat hij erg gay keek”.

Op de dag dat Guido en Costantino besluiten dat het afgelopen moet zijn met hun onderwereld, op de dag dat Guido zegt “Ik schaam mij niet meer.”, op die dag worden zij beiden in elkaar geslagen.

Iemand schreef deze week: natuurlijk mag geweld tegen homo’s niet, maar ik onderscheid de leer van de Kerk daarvan. Hij bedoelde de leer van de Rooms-Katholieke Kerk. Dat je er wel mag zijn, maar..

Er is geen onderscheid. In het moeras wacht het gif. En het wil naar buiten.

Over Schittering,

de achtste roman van Margaret Mazzantini

 

Een troonrede in drie woorden.

Paf! De bijbel flikt het weer. In drie woorden alles zeggen.

We lazen Amos, vanmorgen. Gewoon, zomaar, in een kringetje hoorders. Amos is een bijbelboek. En een personage. Het boek introduceert hem zelf: Amos, schapenfokker in Tekoa. Historisch zitten we dan ongeveer tweeëneenhalfduizend jaar geleden, maar dat is van minder belang. We lezen vandaag. Dat doet er toe.

“Waarom eigenlijk schapenfokker?” vraagt één van de hoorders. Waarom moet dat vermeld? “Waarom Tekoa?”, denk ik er achteraan. Waarom dàt vermeld? De bijbel is nooit zo scheutig met informatie. Het dumpt zijn verhalen vaak zonder franje. Nog niet zo lang geleden lazen we in Exodus hoe Mozes voor het eerst bij een priester in Midjan gaat eten. Mozes is vluchteling, kent deze hele priester niet, er zijn allerlei omstandigheden. Maar het verhaal zwijgt daarover. Het weet nog net tussen de tanden door te melden: de priester gaf zijn dochter aan Mozes ten huwelijk. Nog niet eens één zinnetje. Het eerste dinertje bij een onbekende en even later ben je getrouwd met diens dochter! Ik heb wel eens uitgebreidere liefdesgeschiedenissen gelezen, moet ik bekennen.

En dan hier ineens zo’n spraakwaterval. De naam, het beroep èn de woonplaats er ook nog bij. Het kan niet op. Maar waarom?

Thom Naastepad zegt: “Het maakt meteen duidelijk dat Amos niet uit een priestergeslacht stamt. Hij is geen beroemde spreker.” Geen Billy Graham of, van mijn part, geen Obama. Hij is een boer. Broer van Klazien uut Zalk, zeg maar.

Thom Naastepad kan het weten. Hij is onvoorstelbaar bijbelgeleerd. Hij was dat, eigenlijk. Naastepad leeft niet meer. Helaas.

Met dat broer van Klazien uut Zalk zit ik niet ver naast de bedoeling. Wie had er ooit van Zalk gehoord? Tekoa is net zoiets. Een afgelegen gat. Nergenshuizen. Moddergat. Het is geen Jeruzalem. Geen Hiergebeurthet.

Tekoa is meer een Hiergebeurtnooitwat.

Amos is schapenfokker. Bedacht op zijn schaapjes en op hun welbevinden. Hij werkt zorgzaam en aards. Hij let op de kleinen, waar hij er zelf één van is.

In groot tegenstelling tot de anderen die in dezelfde zin worden genoemd. De koningen uit zijn tijd Uziah en Jerobeam. Grote mannen die paleizen bewonen van ivoor. Hun volk kijkt naar hen op. Iederéén wil wel in een ivoren toren wonen. Met dure bedden van Hästings. Om op te luieren en tokkelend op je harp naar je X-factor te zoeken. Want daar heb je alle tijd voor als je rijk bent. Ik verzin het niet he. Het staat er. In dat boek van Amos. Dat de rijken van het land muziek maakten en dachten “Nu ben ik net zo goed als David, minstens”. En dat ze daarbij luxe bedden onder den kont hadden. Het ging goed in Nederland, pardon, in Israël. Zeker als je dat vergelijkt met de landen in de omgeving. Die deden het niet half zo goed. Groeicijfers die er mochten zijn. De beddenverkoop steeg tot ongekende hoogte. Er is veel om trots op te zijn.

Nooooou, zegt Amos. Hoe zit het precies met de ouderen in de verpleeghuizen? Hoe vaak per dag krijgen zij een schone luier? Hoe zit het met de vluchtelingen die jullie zo graag “onder controle willen krijgen?” Horen jullie hun stem, of blijven jullie doof? Hoe zit het met de arbeiders in de lage-lonen-landen waarvan jullie T-shirts kopen, twaalf voor een tientje. Hoe zit het daarmee?

En hij scheldt op de mensen die het alles overstemmen met vroom gezang. Met klokgelui en zegenbedes. Dat velen met mij voor u bidden. Woe-dend wordt Amos. Jullie slaan jezelf op de borst. Omdat het geld groeit.

Maar het leger armen groeit ook. De aarde wordt ontwricht. Doe! Daar! Wat! Aan!

Maar ja, wie luistert er nou naar een keuterboertje uit Tekoa?

Niemand.

“God”, zegt het bijbelboek. God luistert naar keuterboertjes. En naar armen. En naar de machtelozen die opzij worden gedrukt. Hij luistert.

Ik had het kunnen weten. Drie woorden: Amos, boer, Tekoa.

Meer heeft de bijbel niet nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

Geneigd tot alle kwaad, of hoe zit dat nou?

“Alle regels worden op een bepaald moment wel door iemand overtreden”,  schreef Beatrijs Ritsema als troost aan iemand die zich stoorde aan wildplassende mannen. Nu zie ik nooit een man zomaar zijn blaas tegen boom of muur legen, nou ja vooruit: een enkele keer langs de kant van de weg ofzo, maar briefschrijfster (ja, sorry mijn negentiende eeuwse hoofd denkt toch die kant op) had de indruk dat het wildplassen tsunami-achtige vormen begon aan te nemen. “Kun je niet tegen houden”, was het korte, droge commentaar van Beatrijs (hier)

Ik vond het wel mooi. Vooral, omdat ze in een notendop ons menselijk probleem bij de kop had. “Zo zit de mensheid in elkaar”, voegde ze er aan toe. Ik dacht: “zie nou, zondag 3, 4 en 5 in één regel samengevat”. Bert Keizer zou zeggen: “We zijn niet de leukste diersoort, helaas.”

Maar is het ook waar? Ik bedoel: ja – mensen zijn tot alles in staat wat gruwelijk is. Zesmiljoen keer zag de mensheid er geen enkel been in om een jood of jodin te vermoorden. Pol-Pot, Stalin en Mao vermoordden maar liefst twee honderd miljoen keer een mens. Twee! Honderd! Miljoen! Keer! De “War on terror” kostte 700.000 levens. En dan zwijg ik maar over de 6,6 miljard dollar die er mee gemoeid is tot nog toe. Of toch niet helemaal, ik zwijg niet helemaal: zouden de VS er nou niet iets leukers mee hebben kunnen doen? Iets waarmee ze zich populair hadden gemaakt in het Midden-Oosten? Ik weet niet: gratis wifi voor iedereen, ofzo. Of drinkwater, schoon drinkwater voor alle dorpen op alle plaatsen in de wereld? Had vast geen 6,6 miljard gekost. Maar nee. “We” kozen ervoor om met dit geld mensen dood te schieten. Ha fijn.

Dus ja: de mens als zodanig is geneigd alles te doen wat je maar kunt verzinnen aan narigheid. Goed doen lijkt wel pijn te doen.

Of niet? Vanmorgen een verhaaltje in de krant (die Wakkere voor Heel Nederland). Een man van in de negentig verloor zijn inkomen, doordat zijn dochter – die nog kon werken- gestorven was. Hij moest van pure armoe de straat op met een ijscokarretje. Ik ga even voorbij aan de treurigheid van deze feiten. Het gaat mij hier om: een voorbijganger zag hem en kocht zijn hele dagvoorraad. Ijscoverkoper in tranen, zo blij. Maar daar bleef het niet bij. De voorbijganger vond, terecht, dat oude mensen lekker in het zonnetje moesten kunnen zitten, al dan niet achter de geraniums en postte er iets over op Fb. Feestboek, inderdaad. Hij dacht drieduizend dollar op te halen. Binnen een niet eens zo lange tijd stond er 320.000 dollar op de rekening. De oude man hoeft nooit meer de straat op met een ijswagentje.

Zo héél beroerd is de mens dus ook weer niet. Tenzij de FB-mijnheer de 320.000 dollar in zijn eigen zak steekt. Wat niet uitgesloten is “want zo zit de mensheid in elkaar”.

Of toch niet? Zitten wij alleen maar zo in elkaar als we ons onbespied wanen? Als we denken “niemand kijkt”? Of als we ons, zoals Pol-Pot, of Mao, onaantastbaar wanen “ik heb er recht op, dit komt mij toe?” Ik vraag maar eens wat. Ik weet het niet helemaal zeker.

Paulus zegt, dat de rottigheid onze natuur is (Paulus was een ietwat late leerling van Jezus). Maar goed hij had dan ook zèlf mensen laten vermoorden. Ik snap dat hij dat van zichzelf vond. En ik herken het.

Ik herken het ook weer niet. Ik vind de meeste mensen eigenlijk best leuk. Ze hebben wel eens iets stekeligs. Maar om nou te zeggen: “alle mensen die ik ken zijn de hele dag maar bezig slecht te doen”. Nee.

Nog niet zo lang geleden zei een vader van een zieke dochter “je wilt niet geloven hoeveel aardige mensen er zijn”. Hij had veel hulp gekregen. Soms werkelijk onvoorstelbaar lieve, leuke en mooie hulp.

Misschien spreken we elkaar te weinig aan op elkaars mooie, leuke en aardige kanten? Als er altijd maar tegen je gezegd wordt dat je een naarling bent, ja dan word je er ook wel een. Al was het maar uit stille wraak.

Misschien moeten we eens een soort gekozen naiviteit aannemen? Dat we de ander bezien en benaderen als een leuk mens. Met mogelijkheden. En creativiteit. En leukigheid. Dat we zeggen: Elk mens is leuk. Zelfs niet-leuke mensen hebben iets leuks.

Ik zag vorige week iets bijzonders. Het duurde slechts een paar seconden. Midden in dat verschrikkelijke, mislukte, hanepikkerige gesprek van Jeroen Pauw met de vloggers uit Zaandam, zei raadslid Juliëtte Rot: “Ik zie in jullie groep zo veel talent, rappers, mensen met scholing, doe daar iets mee!”  Toen viel het gesprek heel even stil. De vlogger-zonder-bril glimlachte flauwtjes. Rot zag en benoemde: “Hej, je bent zó’n leuk iemand!”

Daarna brak het wantrouwen weer uit. Want tsja, de mens is nu eenmaal geneigd,

of niet?

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.

Et Dieu crea la femme

En zo wordt het lichaam van de vrouw weer gekolonialiseerd door de man. Premier Valls en Franse burgemeesters in zijn voetspoor vinden dat vrije vrouwen op het strand natuurlijk vrouwen in bikini zijn. Een lapje meer is verdacht. Twee lapjes meer riekt naar onderdrukking. Bij drie lapjes meer, rukt de Franse rechtsstaat uit. Zou iemand willen weten, eigenlijk wat de vrouwen er zèlf van vinden?

We wijzen naar de Oosterse Man. Die heeft het gedaan. Die dwingt de vrouw zich te verbergen. En de Westerse Man? Laat die de vrouw zijn die ze is?

Wij keken onlangs per ongeluk een avondje RTL-8. Ja, zoiets overkomt je wel eens. Het was waarlijk een openbaring. Elk kwartier werd ons tien minuten lang uitgelegd hoe onbetrouwbaar het vrouwenlichaam is. Het drupt, voordat je het weet. Het riekt, wanneer je er niet op bedacht bent. Het laat haar groeien op griezelige plekken als benen en (oeioei!) oksels. Het zakt uit bij het ouder worden. Het wil altijd maar te dik zijn. Het heeft probleemhaar op plaatsen waar je wèl haar wilt (op je hoofd). Dooie punten, dor, futloos, droog. We begrepen het: als vrouw ga je als wrak door het leven.

Gelukkig heeft de man daar wat op gevonden. Nee, geen burka. Hoewel het me een geweldige remedie lijkt tegen alle genoemde problemen, is dit de Westerse Man toch iets te onsubtiel. De Westerse Men heeft wat anders voor u, dames: poeders, pillen, luiers, zalfjes, shampoos, verstevigde BH’s en wat niet al.

Louis Theroux maakte een reportage over de wereld van de plastische chirurgie. Tachtig procent van de cliënten zijn vrouwen. Hij volgde er enkele. Eén vrouw licht ik hier uit: een mooie vrouw. Oh, nee, pardon: ze had een “ernstig voorhoofd” en haar “borsten waren niet helemaal symmetrisch” en nog wat ongemakken. Niet mooi dus. En dat was een probleem. Want daardoor had ze een knipperlicht relatie. Dat begreep ze wel. Ze was niet mooi genoeg. Toen ze een paar maanden later helemaal opgepimpt was met borsten als meloenen, wilde haar knipperlichtvriend haar wel. Ik was benieuwd wat voor goddelijkheid die man dan was. Hij kwam voor de camera. Ik dacht: Oh ja. Zo’n man. Met zo’n vergeten lichaam. Maar zíj voldeed niet.

We zijn sinds de dagen van Augustinus (vierde eeuw) niet veel opgeschoten. Het lichaam is een onding. Het vrouwenlichaam is nog véél ondingeriger. Het mag alleen zichtbaar zijn als het slank is, symmetrisch is, gestyled is, jong is, strak is en ( vrees ik) blank is. Oh ja, en als het niet ruikt, natuurlijk. Vrouwen mogen vooral niet ruiken. Wij? Wij dwingen de vrouwen in een ideaalbeeld waaraan zij niet voldoen kan en waaraan zij niet hoeft te voldoen. Vrouwen zijn vrouwen en zo zijn ze mooi.

Been van mijn gebeente, weet je nog. En vlees van mijn vlees.

Beter nog: vrouwen zijn van zichzelf.

Of ze nu in bikini lopen. Of in een burkini

Bemoeien wij ons wel met onze eigen te dikke buik, heren.

 

Natuur schepping? Dacht het niet.

 

De middeleeuwer wist het wel. Schepping: dat is de kruidentuin in de kloosterhof. In het midden van de wandelgangen waarin hij bad en mediteerde, schiep de monnik een wereld van orde. Vier kwarten, naar de vier windstreken, en daarin giftige, helende, nuttige en sierlijke gewassen, planten, kruiden en groenten. Alles geordend “naar hun aard”. Alles op de juiste plek.

Buiten de kloosterhof heersten chaos, wolven, ziekten, de plotselinge dood, honger, droogte, struikrovers, brand, botbreuken, demonen. Tohuwabohu.

De gedachte dat de natuur de schepping was, kwam eeuwen na hem op. In het hoofd van de dromerige edelman die in de wouden over de bergen het maanlicht zag schijnen en zich daar heel bijzonder bij ging voelen. Die genoeg geld had om het vanuit zijn jachthuis te bekijken.

Natuurlijk: de gelovige middeleeuwer was er van overtuigd dat hemel en aarde door God in elkaar waren geknutseld. Maar dat was niet het interessante. Interessant werd het pas, als die wereld voor de mens bewoonbaar werd.

Dat is ze niet van zichzelf, bewoonbaar. Dat ligt aan ons, vederloze, klauwloze, vachtloze wezens. En aan de wereld. Die moraalloze. gewetensloze werkelijkheid. Het kan de wereld niets schelen of er mensen wonen aan de kust.Ze gooit er gedachtenloos torenhoge golven zee over heen. En luistert niet, als mensen met hun laatste adem om genade roepen.

Het kan de wereld niet schelen, of er mensen wonen op de vulcaanhelling. Ze strooit er gedachtenloos meters kokende lava overheen. En luistert niet.

Schepping is wat zó geordend wordt, dat er te leven valt. Schepping is een toneel, getimmerd van het hout uit het bos, waarop ons leven wordt gespeeld.

Vóór ons huis geselt de regen in striemen de straat, vandaag. Achter ons huis ligt een tuin, door hoge hagen omgeven. De wind is er getemperd, de regen valt er met minder venijn. Daar kunnen rozen groeien. We snoeien dagelijks, wieden, zaaien, begieteren. Eén moment van onoplettendheid en de dood treedt de hof binnen. Laat de fuchsia haar bloemen vallen. Slaat het gras bruin uit.

Schepping is: dat de chaos niet alles overneemt. Omdat er een woord werd gevonden waar je mee verder kunt. God zei. Staat er in Genesis 1.  Mensen houden zich vast aan een plan, een orde. Iemand sprak woorden die je troostten. Iemand sprak woorden die je er van langs gaven. Iemand sprak woorden die je in beweging zetten. Jij zelf sprak woorden. En daar ging je.

Schepping is: je dacht na je echtscheiding: “Ik ga me bedrinken.” En maanden later kwam je tot de ontdekking, dat je toch was gaan opruimen. Je stopte op een ochtend de lege flessen in een krat en bracht ze weg. Naar de glasbak.

Het leven nam de ondergang over.En dat is een groot wonder. De monnik bouwde niet zonder reden de wandelgangen om zijn tuin. Het wonder omgeeft alles.

Schepping is: na elke oorlog staan weer mensen op die de rommel enigszins aan kant gaan brengen. Grafen delven voor de doden. Huizen bouwen voor de overlevenden. Monnikenwerk. Maar ze doen het.

Twee weken na een verwoestende orkaan over de Filippijnen, hadden de vissers aan de kust her en der al weer onderkomens neergezet van het afvalhout en gevonden puin. Aan één van de hutjes hing een kartonnetje. “Kauwgom te koop”,  stond er op. Kauwgom!

Het is de romanticus  die de zaak ging verwarren. Hij haalde schepping en natuur door elkaar. In zijn fatale vergissing te denken dat de aarde lief, goed, zacht en aardig is. De romanticus dacht, dat de zee hem een verhaal te vertellen had. De zee zegt niets, de zee zwijgt. En zelfs dat niet. De kijker, díe vertelt het verhaal.

Schepping is mensenwerk.

 

De onttoverde wereld.

zonOnze wereld is niet betoverd. Dat weten we al sinds Balthasar Bekker zijn boek daarover schreef. In de jaren ’90 van de zeventiende eeuw. Of, zo je wilt: je weet het sinds je een jaar of acht was. Bij ons vliegen er geen heksen rond, geen feeën, er worden geen toverspreuken over je uitgesproken, de zon wordt niet door gnomen gestolen in de avond en niet door hemelwezens teruggekruid in de ochtend. Bij ons botsen zwarte gaten op elkaar en gaan er zwaartekrachtgolven door de ruimte. Het is allemaal na te rekenen. Al het bestaande houdt zich aan vastgelegde wetmatigheden. Je wordt ziek van een virus, een bacil of een haperend gen. Maar nooit door een djinn.

Onze geschiedenis is ook onttoverd, inmiddels. De Oranjes zijn niet meer door welke-god-dan-ook gezonden, een aangespoelde walvis is geen teken meer van naderend onheil, de orkaan Kathrina geen straf op begane zonden. Het gaat zoals het gaat.

Het heeft ons veel gegeven. Ik ben niet bang meer voor een donker bos. Onder mijn bed ligt stof en geen monster. Diep, zwart water, vraagt van mij goede zwemskills, maar geen gebeden, angsten of brandende kaarsen. We zijn vrij geworden. En goddank, er worden geen vrouwen meer verbrand op verdenking van zwarte kunsten.

En toch is dit niet het hele verhaal. Ja, dat verbaast mij zelf ook. Wij weten wel dat de wereld onttoverd is, maar wij ervaren haar níet zo. Wij leven ook niet onttoverd. Het zou een gekke, gevaarlijke wereld worden, als we dat wel deden.

Als mijn dochter verliefd wordt, ben ik verrukt en verbaasd. Ik voel mij als vader ook gekwetst natuurlijk, want ìk was tot nu toe alles voor haar. Ik zal mij in mijn nieuwe rol moeten voegen. Ik vind het mooi en ik vind het moeilijk. Maar waar ik niet aan denk zijn hormonen, feronomen, voortplantingsdrift of wat er technisch ook maar bij komt kijken. De techniek van verliefd-zijn loopt mij zelfs ontzettend in de weg. Ze maakt het wonder tot een plattitude. Erger nog: de techniek ontneemt elke betekenis aan mijn dochter, aan haar verliefdheid. Aan mij. En aan mijn vaderschap. Die laatste was immers ook niet veel meer dan een optelsom van hormonen, voorplanting, genen.

Dat, om maar wat te noemen Ditriech Bonhoeffer op 8 april 1945 werd geëxecuteerd, een paar dagen voordat het kamp waar hij geïnterneerd zat bevrijd zou worden, is volstrekt toevallig. Het gebeurde. Omdat het gebeurde. Het is een betekenisloos feit.

Op 5 mei 1945 werd in de bossen van Leersum een familie tot de laatste zoon door Duitse Nazi’s vermoord. Zinloos. Betekenisloos.

Zo betekenisloos als de mus die eergisteren op onze tuintafel door een gaai werd doodgepikt en opgegeten.

Maar wie het hoort, wordt getroffen. Het is afschuwelijk, zeggen we. Het is onrechtvaardig, roepen we. Het kan niet. Dat iemand, terwijl vrijheid zó dichtbij was, vermoord werd. We horen er een oproep in, een stem, een tegenover dat ons uit balans trekt. Ik kan tenminste nooit Bonhoeffers vers

En wilt gij ons de bitt’re beker geven

met gal gevuld tot aan de hoogste rand

dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

aan uit uw goede, uw geliefde hand

zingen, zonder tranen.

Er is een frame, een intuïtie, een basisgen van mijn part (maar dat geloof ik niet), er is iets in ons, waardoor de dingen betekenis krijgen. Alsof er een prediktorpapiertje in ons huist dat bij sommige dingen uitslaat met een kring en bij andere dingen niet.

We lopen te hoop tegen een asielbeleid dat slachtoffers kost, of omgekeerd: dat ons te veel lijkt te kosten. Maar niemand zegt: mwah, asielbeleid, het zal me mijn derrière corroderen. In de onttoverde wereld, zou de laatste gelijk krijgen.

De intuïtie, het frame, of basisgen, ik zou het willen identificeren als God. Om het zichtbaar te maken, en bespreekbaar. Waar slaan wij op uit, en waarom?

De zon ging vuurrood, groot en rond onder, een paar dagen geleden. Ik reed naar huis. De laatste koeien stonden loom in de wei. Ik stopte, zette de auto aan de kant en keek. Het was betoverend.

 

Zinvol zinloos

95487-unbearable-lightness-of-being-quotes“Ja, ik ervaar mijn bijdrage aan het leven als zinvol. Mee eens, een beetje mee eens, neutraal, een beetje mee oneens, mee oneens”

Of ik het maar even wilde aanstrepen. Mijn pen bleef weifelend rondjes draaien rond de woorden “oneens”. Ik ben dominee. Geen heel goede, geen heel slechte. Maar zelfs al was ik de beste, wie zit er tegenwoordig op een dominee te wachten? Ik ben getrouwd, maar ik heb geen kinderen. Dus voor veel toekomst zorg ik ook niet. Ik heb geen mensen gered, geen steen in een rivier verlegd, ik ben geen revolutie begonnen. Ik ben er.

En daar is het dan mee gezegd.

Ik kon geen antwoord geven. Wat is zinvol? Is de bijdrage van de mensen met grote namen wel zinvol? Barack Obama? Angela Merkel? Ik bewonder ze. Min of meer. Maar is dat een bewijs van hun zinvolheid? Moet je over duizend jaar nog herinnerd worden? Mwah. Nero herinneren wij ons ook nog steeds. Maar of het nou zo zinvol is om mensen in de fik te steken, zoals hij deed? Of een stad af te branden en daar harp bij te spelen?

Ooit was ik jaloers op een leeftijdsgenoot. Hij was 24, gepromoveerd en had al drie klinkende, historische, studies op zijn naam staan. Ik zag hem onlangs weer. Nog altijd gepromoveerd. Nog altijd drie historische studies. Maar daarna? Niets. Niets bijzonders. Hij was getrouwd. En schreef nog steeds. Hij was net zo dik geworden als ik.

Dus.

We lazen uit de Hebreeënbrief. In dezelfde weken dat deze onmogelijke vraag werd gesteld. Een brief vol “waarom doen we dit eigenlijk?”. Vol: “Wat heeft dit voor zin?” Vol: “Zullen we er maar niet mee stoppen?”

Er zijn mensen die onder de onbenulligheid van hun leven bezwijken. Ik begrijp hen. Ik verdraag de ondraaglijke lichtheid van het bestaan niet. Niet zomaar.

De schrijfster van de Hebreeën doet iets geks. Ze zegt niet: “Oh, maar je bijdrage is ontzettend waardevol!”. Ze overtuigt mij niet van mijn fantastische aanwezigheid. Nergens een compliment. Daarin is ze zuiniger zelfs dan Paulus. Die kan, naast zijn kritiek, dan tenminste nog ergens zeggen: “Ik dank God voor jullie geloof.” Mevrouw Hebreeën dankt nergens voor.

Nergens? Nee. Ze slaat mij over en begint over een kosmologische werkelijkheid. Totaal niet op thema. Totaal op thema. Ze vertelt een verhaal zo groot als een mythe. Dat Jezus (verhip, niet ik, maar een ander) de Hogepriester van deze wereld is. En dat hij liefdevol is en goed en zuiver. Hij brengt het ultieme offer. Hij is zelf het ultieme offer.

Hij wel. Alle betekenis is er. Buiten jou. Zegt de schrijfster.

En ikzelf? Ach, gaat mevrouw Hebreeën opgewekt verder. Kijk, weet je. Dit is de hemelse hogepriester. De aardse hogepriesters, dat waren knullige persoonlijkheden, dat ben jij ook, knullig, geef maar toe. Dat geeft niet. Dat is mooi. Zo moet het zijn. Want zij konden zij zich daardoor inleven in jouw verdriet. En jij in dat van hen. Zij begrijpen jouw gemis. En jij dat van hen. Ze voelen zelf jouw kleinheid-waar-je-groot-had-willen-zijn. En jij dat van hen. En zo komt het goed. Waar je elkaar begrijpt, deelt de betekenis zich. Het zinvolle wordt aan jou verleend.

Ach, zegt ze nog een keer monter. Weet je. Er is eigenlijk een stróóm van knullige persoonlijkheden. Je bent niet alleen. Generatie op generatie. Abraham, Sara, David, Mozes, Deborah. Grote namen? Misschien. Maar dan vooral groot in klein-zijn. Veel grootsheid zagen zij niet. Veel grote dingen deden zij niet –

maar

in hun binnenste wisten zij: het is goed. Zij vertrouwden God.

Zij vertrouwden het grote verhaal. Ze droegen het verder. Ze werden er zelf onderdeel van.

 

Of mijn bijdrage zinvol is? Ik zet een kringel om “mee oneens”.

Ik kringel nog een keer: rondom “mee eens”

Ik ben er.

En dat is geweldig.

 

Want in mij vindt het eigenlijke een rustplaats,

zo lang ik er ben.

Vertrouw ik.

Alle kleine beetjes helpen. Toch?

Volslagen krankzinnig … mooi.

De muziek was goddelijk, zei Mike Bodde, maar we moesten maar niet te veel op de inhoud letten (hier). Hij doelde op de aria “Wie wunderbarlich is doch diese Strafe” uit de Mattheuspassion van Bach. Want die inhoud: die was volslagen krankzinnig. “Barmhartige heer offert zijn eigen zoon.” Tot zover Boddé ’s diepte-analyse van het lied.

Nu ben ik zelf niet zo dol op Bach. Te frutterig, te corsetterig en dwangmatig, sorry. Maar ik snap wel, dat de eventuele goddelijkheid van zijn muziek àlles te maken heeft met de inhoud ervan. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar scheuren. Bach moet zelf hebben geloofd wat hij op muziek zette. Goddelijke muziek ontstaat niet op een flutinhoud.

Je zou mogen verwachten dat een kommaliefhebber als Witteman niet akkoord gaat met: “laten we de tekst hier voor het gemak maar even vergeten.” Hij deed het wel: er mee akkoord gaan.

Kom op, mannen: het gáát om de tekst.

En ja; die is volslagen krankzinnig.

Volslagen krankzinnig, mooi.

“Hoe wonderbaar is deze straf,

de goede Herder lijdt voor zijn schapen

de schuld, betaalt de Heer, de Rechtvaardige

voor zijn knechten”

In het Duits rijmt het. Maar dat had je al begrepen. Hoe komt Bach, of eigenlijk zijn librettist, nu bij deze tekst? En wat zouden wij er mee moeten?

Het komt uit de bijbel (open deur). In het Oude Testament staat een tekst die indringend vertelt over iemand die mishandeld wordt (Jesaja 53, onder andere). Zijn baardharen worden uitgetrokken, hij wordt geslagen. hij krijgt met de zweep, en iedereen denkt: “Zo, die is door God en alleman gehaat zeg.” Maar dan komt onverwacht de clou: hij droeg onze straf. Hij werd geslagen en wij genazen er van.

Duidelijk he? Nee. Raadseltaal.

Maar goed, de tekst komt terug, later. Als Jezus is gekruisigd. Die hele martelgang van Hem leek één gruwelijke fout. Jezus was meer dan een goed mens. Hij had dit niet verdiend.

Maar leg je nu Jesaja bij de kruisdood van Jezus, en dat deden zijn leerlingen, dan lijken raadselstukjes op hun plek te vallen. Híj verdiende geen straf, maar de mensen wel. Het wonder is: zij werden niet gestraft. Maar Hij wel.

Het beeld van de goede Herder die de straf draagt voor zijn schapen, dat is onder andere door Petrus zo gezegd. Hij schrijft er over in één van zijn brieven. Hij droeg de straf die voor de mensen, voor ons, bedoeld was.

Nog steeds raadseltaal?

Ja- het blijven teksten die groter zijn dan wij. Nooit kan ik helemaal zeggen dat ik het snap. Net als poëzie: ik lees het, het doet iets met mij. Maar als je mij vraagt: leg het uit, dan sta ik met een mond vol tanden.

En toch.

Dit is wat ik er van begrijp.

Als ik kijk naar de afgelopen week. Brussel, Ankara, maar als ik daarbij ook denk aan Mosul, aan Homs, aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven onder de bommen van de Westerse mogendheden en aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven door messen en bommen van IS, en dan is dat nog maar een versimpeling van alles wat er gaande is. Ik noem dan nog niet eens de vrouwen die deze week door hun mannen zijn mishandeld, of de mannen die zijn vermoord, of het alledaagse onrecht van de rijke die overal doorheen komt terwijl de arme overal voor lijkt te moeten boeten. Als ik die wereld zie, dan denk ik: zo veel kwaad, zo veel rotzooi. Dat kan toch niet onbeantwoord blijven? Het kan toch niet altijd maar zo doorgaan?

Wilders riep gelijk om het dichtgooien van de grenzen. Het aanpakken van de misdadigers. Het preventief fouilleren van “donker getinte personen”. Hij was de enige niet. We willen voorkomen. We willen ook rechtzetten.

Zo veel rechtvaardigheid hebben mensen dan nog wel in hun donder. Wat oneerlijk is mag niet de vrije hand hebben. We willen dat het oneerlijke stopt.

Omdat dat de basisstructuur van ons bestaan is, zeggen de schriften. God is rechtvaardig. Zeg: de energie achter alle dingen. Ik zeg: de stem die in alle dingen spreekt.

Kwaad moet worden rechtgezet.

En wat zegt nu de aria? Die zegt dat alles al rechtgezet ìs.

Huh? Oh!

Jezus heeft de straf gedragen

niemand zal meer worden gestraft

 

straf is helemaal het woord niet

leven, dat is het woord

ga vrijuit – dat is het woord.

 

Voor mij betekent Goede Vrijdag allereerst: wij zijn vrij  –

en daarna volgt in één adem: laat ook anderen vrij

straf hen niet.

Deze week begonnen mensen in Brussel op de straten en muren te tekenen en te schrijven. Het waren woorden van hoop. Ze tekenden een nieuwe wereld. Eentje, waarin mensen elkaar niet meer zouden doden, maar waarin mensen elkaar het leven zouden gunnen. Wat ze ook maar op hun kerfstok zouden hebben.

Ephimenco, een columnist in dagblad Trouw, geloofde er niet in. “Met krijt en bloemen win je geen oorlog.”

Ik dacht: “Voor wie het wel geloven is de oorlog al voorbij. Voor wie het wel geloven heeft haat geen macht meer. Voor wie het wel geloven heeft de dood geen greep op ons.”

Maar ja, ik snap het wel: dat te geloven is tamelijk

krankzinnig

Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde