Rouw. Een ode aan het leven.

Nee, geen dankdienst voor mij als ik dood ben. Ik begrijp de keuze van anderen, maar voor mij is het te vroeg. Alles op z’n tijd. Die dank, die komt wel. Na de rouw. Sla de rouw niet over. De pijn niet. Noch het verdriet. Organiseer na mijn dood een rouwdienst. Trek het zwartste zwart aan, leg zwaar geurende lelies op mijn kist en vraag de organist traag en diep te spelen. Ik hoop dat er gehuild wordt. Dat het van de balkons klinkt en aan de gewelven kleeft: hier is iemand dood gegaan. Iemand die er was en was en was. Die iemand verdween, zomaar, en wij begrijpen er niets van.

Toast niet op het leven, als je mijn lichaam net in de aarde hebt begraven. Dat leven komt wel weer. Maar nu niet. Laat er hete troostsoep zijn. Of bedrukt zwijgen bij een kop koffie. Iedereen is vrij bij zijn afscheid te doen wat hem past. Voor mij echter geen al te jofel doen over de dood. De dood is niet grappig, licht of leuk. Hij is verschrikkelijk. Die ene is weg.  Een arm wordt van je afgerukt. Het hart uit je lijf getrokken. Een stuk van je ziel wordt losgescheurd. En het komt nooit meer terug. Nooit. Meer.

Ik weet wel: de dood maakt ons handelen zinvol. Stel dat we voor altijd zouden leven, Dan hoefde niets vandaag. Dan kon alles altijd nog morgen. Dan hoefde uiteindelijk helemaal niets. Ik weet óók, heel goed zelfs: de dood is niet bij machte om al het leven te vernietigen. De dood kan iets moois hebben. Iets troostends: het gaat hier voorbij. Goddank. Maar dat alles is theorie. Dat kun je bedenken zo lang de dood ver weg is. Zo lang je met een kopje koffie in de hand op de bank zit. Met je liefste dicht bij je.

Maar als de schaduw valt, is het met het verheven denken gedaan. Dan is dood rauw. Wat was, was. Wat er niet was, zal er dus nooit meer zijn. Wat werd gezegd is nu gezegd, wat werd verlangd is nu verlangd En wat uitbleef, zal voor altijd uitblijven.

“Is dit voor jou ook een treurige dag?”, vroeg een lieve neef aan mij, terwijl wij achter de baar liepen van mijn oudste broer. Hij, mijn broer, en ik hadden geen simpele relatie. Wij moesten altijd vele dwaalgangen door om elkaar te vinden. We waren de tocht niet vaak begonnen. “Ja”, antwoordde ik. “Ja, toch wel. Want nu weet ik dat het dit is. Nooit meer zullen we nog probéren om iets van elkaar te begrijpen.” De dood is een doek dat valt. Het oordeel is er. Het is klaar.

Verzwijg de pijn niet.

En als ik dan word uitgedragen, langzaam wiegend op de schouders van zes stokoude reumatische zwarte kraaien, zing dan met elkaar. Zing een lied. Het lied van de Steppe. Huub Oosterhuis’ lied van de steppe. Dat die – toch!- weer zal gaan bloeien.

Wanneer je dan met dichtgeknepen stem die veel te hogen noten zingt van: Dode, dode sta op! Die machteloze hulpkreet. Als je die zingt, dan zal ik een kaars omduwen. Mijn geest zal een kaars op de avondmaalstafel omduwen. Zodat je, wanneer je de schrik door de rijen hoort gaan, wéét: ik zou het óók willen. Opstaan.

En leven.

Want dat leven. Dat wint.

Maar eerst. De rouw.

Valse hoop bestaat niet.

Het is een nuttig woord gebleken voor allen die tegen een verruiming van de asielwet zijn: valse hoop. Neemt iemand het op voor vluchtelingen, dan is dit stopbord gauw neergezet. “We gaan ze halen”, de actie van Rikko Voorberg om naar de vluchtelingenkampen in Griekenland te reizen, kreeg het te horen: “Jullie geven valse hoop!” De kerkdienst in de Haagse Bethelkapel. “Valse hoop!”  De inzet voor vluchtelingen uit Azerbeidjan: valse hoop! Voor vluchtelingen uit Armenië: valse hoop!

Een mooi woord om de ander weg te zetten als dom en naïef.

Volgens mij kun je de valse-hoop-troefkaart alleen inzetten bij wanneer iets groter is dan jijzelf. Een arts die weet dat je niet meer geneest, geeft valse hoop als hij het tegenovergestelde beweert. Je zegt: “Ik zal voor altijd bij je blijven.”, terwijl je wéét “ik hou niet van je”,  dán geef je valse hoop. De werkelijkheid is onbuigzaam, maar jij doet alsof je toch met je handen buigen kunt.

De asielwet is niet groter dan wij. Hij is geschreven door ons. Elke wet is door mensen bedacht. Uitzonderingen zijn niet te maken, wellicht. Maar iets anders bedenken kan natuurlijk wel. Het waren geen goden die zeiden: trek grenzen en houd mensen daarmee van elkaar gescheiden.

Wanneer de bedenkers van de wetten zeggen: “Geef geen valse hoop!”, dan verschuilen ze zich. Achter hun verantwoordelijkheid. Ze doen alsof er geen keuze is. Alsof het nu eenmaal zo is dat wij hier wel mogen wonen en zij niet. Alsof ook vanuit het universum gegeven is wie “wij” zijn en wie “zij”. Het zijn stuk voor stuk ontwerpen die wij zelf hebben gemaakt. Waarvoor wij dus verantwoordelijkheid dragen.

De enige goddelijke wet die ik ken luidt: heb lief. De wees, de weduwe en de vreemdeling. Wees gastvrij. Getuig van de hoop die in u is. Geef niet op.

Met die wet begint een avontuur. Vol vragen, waarop het antwoord pas gegeven wordt, zodra het gegeven wordt. Wie komt er dan bij ons wonen? Dat weet je pas als je het weet. Hoe wordt ons land dan? Dat weet je pas als je het weet. Wat ìs gastvrijheid? Moet dan iederéén hier komen? Wanneer zeg je dan nee?

Misschien kan een staat niet met deze openheid leven, maar als wij dat nou zelf wel zouden kunnen?

Met verbazing hoorde ik de afgelopen maanden dominees zeggen: die kerkdienst in Den Haag – als het nou allemaal mislukt, hoe beëindig je die dan? Waarom wel dit gezin en geen ander?

Ik dacht: dat zijn nou precies de vragen van het geloof. Je weet het niet.

Inmiddels weten we het wel. Hoe het is afgelopen. Het is een beetje gemakkelijk om nu mijn gelijk binnen te halen. Zo van “zie je wel?”

Het is ook te vroeg om mijn gelijk binnen te halen. Ik ben er nog helemaal niet gerust op. Wat gaat Harbers doen? Schuift hij de zeshonderd “schrijnende gevallen” vooruit? Wacht hij totdat we even niet opletten? Stuurt hij ze tijdens onze zomervakantie alsnog het land uit?

De VVD voorzegt “een nu echt keihard en radicaal asielbeleid”. Om te beginnen, nemen we volgend jaar 250 minder asielzoekers op.

Ik protesteer daar nu alvast tegen. Ik begin mijn éénmans-actie “Valse Hoop!”. Want als er één ding is gebleken, ook buiten het geloof, dan dit: valse hoop kan soms zomaar echte hoop blijken te zijn. Omdat het mensenwerk is.

Nashville zal licht zaaien

 

Nog onder de lichtkring van kerst plofte de Nashville-verklaring op de mat. Een ijskoude tekst over gender, huwelijk en seksualiteit. In veertien artikelen delen tweehonderdvijftig predikanten en bijbelleraren even zovele klappen uit aan alle mensen die niet passen in hun kaders van “het huwelijk is door God gewild als levenslang verbond tussen één man en één vrouw. Klappen worden uitgedeeld aan homoseksuelen, lesbiënnes, aan transgenders, mensen met een intersekseconditie, aan mensen die gescheiden zijn, hertrouwd zijn. Aan bijna iedereen. Behalve aan henzelf.

Zij zijn, blijkbaar, man naar Gods wil. Getrouwd zoals God het wil. Zij zijn, blijkbaar, de norm. En ze staan, blijkbaar, op de positie om anderen hun plek te ontzeggen.

Ik lees de woorden “Wij erkennen”, “wij wijzen af” en ik weet:  ik val veertien keer in hun afwijzing. Ik lees dat “homoseksualiteit een positionering is”, een keuze. Alsof iemand ooit zichzelf afvraagt: “Kom, wat zal ik eens worden? Homo? Hetero? Bi, misschien?”  Ook transgenders kiezen niet om man of vrouw te worden, ze zíjn man, ze zíjn vrouw. Maar hun lichaam klopt niet met wie zij zijn.

Een dag lang dacht ik: “Ik laat dit niet dichtbij komen. Ik gun hen mijn verdriet niet. Ik sta hen niet toe om mij te kwetsen. Ik zwijg. Het is te genant. Te erg. Te dom.” Ik scrolde langs de websites van de EO, van het CIP van het Nederlands Dagblad – ik las de reacties. Homo’s gaan naar de hel. U wacht het laatste oordeel! God zal u straffen voor uw dwaling. Er staat geschreven: alleen een man, alleen een vrouw. Ik las vuur. Liefdeloosheid. Kou. Veel kou. Verbroken contact.

Het kwam toch dichterbij. Dat is wat vuile praat doet: het bezoedelt je ziel. Het kruipt onder je huid. Het trekt je naar beneden. Wie zijn zij, dat zij vies maken wat voor mij zuiver en heilig is?

Toevallig verscheen óók op die zaterdag in het Algemeen Dagblad een interview met mijn man. Hij vertelt daarin over zijn ziek-zijn, de dreiging van de dood die er jaren was, hij vertelt over zijn schilderkunst en over zijn grote levenslust. De dood week dankzij een nier die ik kon doneren. Ik ben zijn mantelzorger. En dan zou ons huwelijk zondig zijn?  Niet naar Gods wil?

Het kwaad kruipt van twéé kanten dichterbij. Op weg naar een viering met dak- en thuislozen in de stad, luister ik naar de radio. Daar vertellen mensen dat ze het nú zeker weten: godsdienst is het finale kwaad. Dominees zijn slechte mensen. Christenen zijn hypocriet.

Van de orthodoxen mogen wij niet bestaan. Van de seculiere Nederlander mogen wij óók niet bestaan. Iemand schreef: het is een heidens karwei om als LHBTI’er in de kerk uit de kast te komen, maar het is duivels werk om in de wereld als christelijke LHBTI’er uit de kast te komen.

Zo was het tot maandag.

Toen begonnen de panelen te schuiven. Er verscheen een regenboogvlag aan een kerk. Eerst in Bodegraven. Toen in Woerden. In Amsterdam; één, twee, drie, vier. Meterslange wimpels werden aan torens gehangen. Dominees keerden zich naar de LHBTI’ers in hun gemeenschappen en daarbuiten. Ds. De Smouter, directeur van de EO notabene, schreef: “Geloof Nashville niet! Wie je ook bent, je bent welkom bij God.” Zo’n helder geluid heeft de omroep nog nooit laten horen. Het stadhuis van Amsterdam, Utrecht, Amersfoort gaven verklaringen af. Over inclusiviteit. En dat geen mens géén plek onder de zon zou hebben.

Er verschijnen artikelen in de kranten van homoseksuele christenen. Ogen die je aankijken. Monden die zeggen: hier ben ik. Je krijgt me niet weg. Al zou ik niet in jouw ideale wereld passen, ik pas wel in de wereld van God.

 

De ondertekenaars zelf beginnen te schuiven. “Het is zo niet bedoeld”, schutteren ze. “Wat jammer dat we niet worden begrepen”, haspelen ze. Hun namen werden van internet afgehaald. Door henzelf. Ze trekken een jas aan die hen niet past: “Wij zijn slachtoffer. Mogen wij dan geen christen meer zijn in dit land?” Ze blijken een muis die brulde.

Dat mensen het zullen zien. In hun eigen gemeentes. Dat mensen de verhalen van alle mensen zullen horen, het eerst van hen die niet zijn zoals je zelf bent. Dat het contact hersteld wordt. Waar pennen sloegen, zullen handen elkaar zoeken.

Dit verhaal is nog niet ten einde. Wat ferm als een “stukje positionering” in de wereld werd gezet, zou wel eens een mosterdzaadje kunnen zijn. Zoals de Heer in zijn gelijkenis vertelt: “Een boer ging uit om graan te zaaien, maar toen hij achterom keek, stond er een mosterdplant.” Onbedoeld zouden de opstellers wel eens een nieuwe openheid hebben kunnen zaaien.

Overal wordt gesproken. Over wie wij zijn als mens. Wat onze diepste drijfveren zijn, onze liefdes, onze huwelijken, onze teleurstellingen.

“Wat je ook van de verklaring vindt”, zei iemand, zelf orthodox: “Dit doe je niet. Je zet mensen niet in een hoek. Je zet daar je handtekening niet onder. Je schrijft mensen niet af.”

“Ik ben niet zo van de statements”, schreef iemand anders, “maar ik kan er niet meer omheen. Hier komt ‘ie: ik ben christen. En ik ben homo.”  Onder zijn bericht begon het al gauw te kolken van warme, lieve, hartelijke en goede wensen en woorden. “Homo betekent toch mens?”, vroeg iemand gevat.

Ik denk aan pater Van Kilsdonk. In de jaren tachtig al bezocht hij homoseksuele mannen die ziek waren geworden door het HIV-virus. Wat wisten we daar toen van? Van de ziekte. Van homoseksualiteit? Toen was het nog veel méér: “Wij wijzen af!”  Pater van Kilsdonk niet. Hij wees niet af, hij bevestigde. Hij schreef: Als wij op deze aarde zoveel vrouwen en vrouwen en mannen en mannen gadeslaan die zelfs in een bedreigende cultuur niet ophouden een eigen liefdesaanleg met ontroerende ernst en bloei te handhaven, dan kan een gelovige niet anders begrijpen: deze behoefte en deze kunst om te beminnen en om bemind te worden, is niet zomaar een toeval, nog minder een ongeval. Zij is een vondst, een ontwerp van de Schepper. Zij is een gave én opgave. Net zoals zon, maan en sterren dat zijn, of zwart, bruin of blank, of man en vrouw als paar.”

Hij zal gelijk krijgen op het eind. Daar ben ik van overtuigd. Want het licht breekt door. Dat vierden we. In die kerstkring.

Elizabethsknuffel

Ik heb hem gezien, de knuffel van Elisabeth!
Lucas schrijft er zo ontroerend over. In zijn evangelie. Hij tekent Maria in haar haast om over de bergen te komen. Ze is zwanger, Maria. Ze is nauwelijks veertien, vijftien jaar. Een kind. Een meisje. Zwanger.

En geen vader bekend.

Al vanaf het allereerste moment wordt er over haar gezegd: zal wel een slet geweest zijn. Ze zal wel met de soldaten meegegaan zijn. Ze zal haar geld wel horizontaal verdiend hebben. Ze zal.

Het is niet moeilijk om vrouwen te vernederen.

Vernederen is nooit moeilijk. Je ziet iemand die anders is dan jij en je barst in een spottende lach uit. Je dolt wat. Je zeikt de ander af. Jij bent de held. De ander voelt zich vies. Ongewenst. Niet de moeite waard.

Bergen zijn niet alleen maar verheffingen in het landschap.

Maria haast zich. Naar Elisabeth. Ook zíj is in zwanger. Maar geen veertien meer. Eerder zestig. Zij weet van spot. Hoe je iemand kan afbreken. “Moet dat nog, op háár leeftijd?” “Dóen zij het dan nog?”

Wie heeft toch ooit vastgelegd, dat gepest moet worden wie van de norm afwijkt? Wie bepaalt de norm eigenlijk?

Elisabeth ziet Maria aankomen. En zegent haar. Elisabeth zegent Maria: jij bent de meest gezegende vrouw onder alle vrouwen, zegt ze. Een zegen van Abraham geeft ze door. Aan hem werd gezegd: jij bent de gezegende onder de volkeren. Elisabeth omarmt Maria en Maria groéit. Wordt Maria. Al zóu zij met een soldaat gevreeën hebben: zij is een gezegende vrouw. “En”  vervolgt Elisabeth kordaat: “Gezegend is de vrucht van je schoot!” Dat je niet dacht dat er reden tot schaamte zou zijn. Jij zult een prachtige moeder worden van een prachtig kind.

Dit weekend verscheen de Nashvilleverklaring. Honderd dominees (allemaal man, allemaal in een zwart pak, stel ik mij voor) ondertekenden een verklaring waarin zij nog maar eens uitdrukten dat zíj de norm zijn. Norm van mannelijkheid. En dat zij dus ook wel even de norm van vrouwelijkheid kunnen bepalen. Hun seksualiteit is hoe het hoort: één man en één vrouw. Wij verklaren, zeggen ze veertien keer. Wij verklaren dat iedereen die normaal is bij God hoort. En wij wijzen af dat iedereen die eigenaardig, anders, vreemd, scheef, krom, raar of typisch is óók bij God zou horen.

Het is niet moeilijk om mensen te vernederen.

Mensen eren. Verhogen. Doen stralen. Dat is de kunst.

Ik heb hem gezien, die Elisabethsknuffel. In de indringende serie van Margriet van der Linden. “How to be gay”. Een Syrisch journalist, vluchteling, vertelt hoe hij is gemarteld. “Omdat ik homoseksueel ben”.  Ze (mannen, zwarte jurken) hadden het op zijn computer ontdekt. Margriet was stil. Ze keken uit over een heet en kaal Libanees landschap. Een vliegtuig vloog over. “Ik heb al zo vaak gedroomd dat ik er in zou zitten.”, zei de journalist. Ogen verscholen achter een zonnebril. “Dat je in dat vliegtuig zou zitten?”, vraagt Margriet. De man begint te huilen. Margriet doet een stap naar hem toe. Ze slaat haar arm om hem heen. Samen kijken ze het vliegtuig na. Hoop, een klein beetje hoop wordt geboren.

Zo. En nu denk ik dat ik erg aan een groepshug toe ben.

God kleineert niet. God maakt groot.

Dat zong Maria al.

Zuivere tijden.

 

We leven in zuivere tijden.

Mensen willen het allerbeste. Voor zichzelf. Voor hun kinderen. Voor de wereld. En daar hebben ze ook een plaatje bij: bij dat allerbeste. Het moet mooi zijn. Goed zijn. Het moet kloppen. Het moet op een foto passen.

Alles heeft betekenis gekregen.

Welke woorden je gebruikt: “goede feestdagen!” moet het zijn want dan voelt iederéén zich thuis. “Nee! Goede kerstdagen! KERSTdagen”, dàt moet het zijn. We verkwanselen onze cultuur niet zomaar. Zelfs niet als we niets met Jezus hebben. Kerststol, feeststol, dames en heren, reizigers. Zwart, bruin, blank, wit, gekleurd, van kleur. Bij de kassa van de Albert Heyn stotterde een klant verward: “Nou eehhh, goede, eh.., dagen dan maar.” ze bloosde er bij.

Nooit meer onschuldig zeggen dat je naar de wintermarkt in Brugge gaat.

En nooit meer onschuldig je kerstmenu vertellen. “Wààt? Eet jij hèrt!” Dat kan niet meer anno 2018. En een sigaartje na is al helemáál .. Maar vegan is óók niets.  De “Omdat het december is”-Allerhande probeerde het. Er braken net geen gele, groene, of roze hesjes los.

Sla is ineens een statement geworden.

Natuurlijk. Er zit een krachtig verlangen achter: een verlangen naar een wereld die niemand zal kwetsen, die geen onnodig leed zal brengen, die ons verbetert.

Maar schade is er ook.

We zijn in strenge tijden terecht gekomen.

Leviticus is in de Bijbel het strengste boek dat je vinden kunt. Scherper dan hier zul je niet gauw vinden wat goed is en wat niet. Het boek dwingt de lezer om rücksichtlos voor het goede te kiezen.

In geen enkel ander boek wordt ook de doodstraf zó vaak uitgevaardigd als hier. Je hoeft maar een stap naar links, of een stap naar rechts te zetten, of je bent dóód. Gestenigd, gewurgd of van een flatgebouw geworpen, desnoods.

Dat is de ellende van zuiver. Er zit, voor je het weet, een vlek op.

Die vlek kun je wegpoetsen. Okej. Je kunt mensen verwijderen die je niet goed gezind zijn. Die niet in je ideologie passen. Die niet doen wat jij wilt. Je ziet de teksten ook voorbij komen: “Staat iemand in je aura, verwijder die dan.”

Leviticus revisited.

Maar op een dag kom je er achter dat je zelf de vlek bent. Op het witte tafellaken van een ander. En dan?

Waar zijn de krachten van mildheid gebleven? De krachten van vriendschap. Van mededogen. Van begrip?

Al rook ik nooit meer een sigaar, ik ben niet zuiver. En zal dat niet worden.
Al zeg ik altijd dat ik naar de kerstmarkt ga in mijn kersttrui, zuiver word ik niet.

Ik ben wind, toeval en mollenwerk (naar Szymborska)

Ik denk dat het de kunst is om daarvan te leren houden. Wij modderen ons een weg. Zuiverheid is strijd. Modder is een kinderspel.

Allen een prachtig, winters, kerstfeest toegewenst.

Met een vlek op je nieuwe, witte bloes

Psalm 73

 

Het werd een gesprek over politiek. Over macht. En geweld.

Hoe je er je tanden op kunt stukbijten dat de brutalen de halve wereld bezitten. Met een grote mond kun je je blijkbaar alles veroorloven.

Het werd een gesprek over Trump. We vroegen ons af: “Waarom kan niemand die man stoppen? Zelfs als hij de ene dag het ene zegt en de volgende dag het tegenovergestelde, blijft het hele politieke bedrijf gewoon doorgaan.”

“Ik hoorde hoe hij een stadion vol Amerikanen ophitste over de vluchtelingen uit Latijns-Amerika.”, merkte een van ons op. “Hij riep tegen de massa: “Dus wat zijn zij….?” En de massa krijste terug: “A-NI-MALS!”

We lazen de psalm kort na de Kristallnachtherdenking. We vielen stil.

De gedachten dwarrelden wat neer, iemand van ons hernam het gesprek. “Is het eerlijk dat we zo spreken?”, vroeg hij: “Ik bedoel, hoe hebben wij blanke Europeanen ons in de geschiedenis opgesteld? Hebben wij niet óók gedaan alsof de wereld van ons was?” “De mannen en vrouwen uit Afrika die wij als slaaf verkochten?” “De Indianen in Noord- en Zuid-Amerika hebben vermoord?” “Wij deden toch ook, alsof dat allemaal kon? En alsof er geen god is die het ziet of merkt?”

Psalm 73 spreekt over mensen die “hun mond in de hemel zetten” en “wier tong op aarde rondgaat”.  Ploert en schender, noemt Huub Oosterhuis ze wel in andere psalmteksten.

Er is een slag volk dat leeft ten koste van een ander. En wie zegt, dat wij dat slag niet zelf zijn?

Vanzelfsprekend was dit gesprek niet. Vroeger (vroeger?) werd het gedeelte over de mensen-die-schadelijk-leven nooit gelezen. “We zongen eigenlijk alleen maar over de hemel waar we naar toe gaan en hoe fijn dat is.”

Psalm 73 was, dankzij knip- en plakwerk, ooit ontdaan van zijn actualiteit, zijn aardsheid. Het was een lied geworden dat bezingt hoe de vrome naar de hemel gaat.

Het lot van heel de kerk. Als tegenbeweging op weg gegaan, dwazen van de Heer die geloven in de zachte krachten, in zegenen en delen, als proeftuin van Gods werkelijkheid begonnen: een hoekje op de aarde waar we in elk geval probéren om het anders te doen. Geen ploert te zijn. En geen schender. Ooit bedacht als spiegel: hoe ploertig ben ik zelf?

Ooit – is de kerk geworden tot een “spiritueel genootschap tot verbreiding van zielenzaken”. Ik zeg het maar eens zo. Ik hoop dat je het herkent. De kerk als een groep : geïnteresseerden in wonderlijke zaken. Ga je na de dood naar de hemel? Ja/nee.

“De Kerk moet zich niet bemoeien met..”, hoor je soms zeggen. Niet met vluchtelingen, niet met geld, niet met economie, niet met verdeling van rijkdommen, niet met politiek, niet met het aardse leven.

Psalm 73 roept ons tot de orde: de kerk moet zich er wel mee bemoeien! Het is haar kern. Een thuis te zijn voor vreemdeling en wees. Voor mensen van elke taal, elke kleur, elke afkomst en van elke toekomst.

“Ik was bijna uitgegleden”, zingt de psalmdichter. Uitgegleden over wat? “Over de gedachte van ‘trek je er niks van aan’, en over de gedachte van ‘doe maar net als ieder ander.’

De kerk doet niet als ieder ander. Zo zou het niet moeten zijn. Ze doet als de Heer.

Het werd een gesprek over politiek. En over macht

En zo moet het zijn, voor wie psalm 73 leest.

In zijn geheel.

 

Wie dient, blijft.

 

Goed. We kunnen een nieuw streepje zetten bij de column “populistische presidenten”. Na de Filipijnen, Polen, Hong Kong, Hongarije, de Verenigde Staten, heeft nu Brazilië óók zijn sterke man: Bolsonaro.  Opnieuw klinkt hetzelfde wapenarsenaal: ons land het eerst, weg met het uitschot, lang leve de familiewaarden, handel voorop, ons ras het beste. Hetzelfde offensief klinkt: wij worden bedreigd, aangevallen, vergeten, bedrogen, in de luren gelegd. Hetzelfde wondermiddel: ik ben degene die jullie nodig hebben. Ik los alles op.

Overal waren het christenen die met enthousiasme de populistische kandidaten steunden. Overal poetste de kerken de schoenen van de sterke mannen (mannen! Ja! Steeds weer.) En de mannen koketteerden op hun beurt met de sterke mannen van de kerken, bisschoppen, predikers, evangelisten. “Brazilië boven alles en God boven allen”, riep Bolsonaro. God als parel boven op zijn regering. Als stempel van goedkeuring. Macht die macht bevestigt.

Ik huiver. Ik heb het gevoel in het verkeerde kippenhok terecht te zijn gekomen. En ik begrijp het niet: die ogen die gaan stralen wanneer de macht “aan ons” gegeven wordt. Dat geloof in “eindelijk (eindelijk!) iemand die schoon schip gaat maken”.

Alsof schone schepen kunnen bestaan zonder mensen te slachtofferen. Sterke mannen willen vijanden. Zullen vijanden vinden. Bedenken desnoods. En ze zullen niet rusten, totdat hun vijand weg zal zijn. Om dan het spel opnieuw te beginnen.

Prawo i Sprawiedliwosci, de Poolse regeringspartij, die haar pijlen richt op “communistische krachten” en daarmee bedoelt: iedereen die democratisch, Europees, liberaal, niet-roomskatholiek is heeft te vrezen. Victor Orbán in Hongarije die tegen vluchtelingen kettert. Trump die onverbloemd anti-semitische taal uitkraamt “allen betaald door Soros zullen moeten verdwijnen”. Die stadions vol mensen laat schreeuwen dat de vluchtelingen “kakkerlakken” zijn. Trump: “Wat zijn zij?” Tribunes, kolkend in hun antwoord: “Kakkerlakken!”

Bolsonaro die èn anti-semitisch is, èn anti-feministisch, èn anti-LGTB, èn…… en de christenen dansen op de straten. Eindelijk een vent aan het roer.

In het Bijbelboek Samuel staat een intrigerend zinnetje over koning Saul. Dat “hij boven alle manschappen uitstak” namelijk. Hij is het toonbeeld van een leider. Iemand die weet hoe het moet. Willem Barnard tekent daarbij aan: maar het is de vraag op wie hij het meest lijkt; “op de farao van Egypte of op een knecht des Heren.” Daarmee raakt Barnard aan een van de kernpunten uit de Bijbelse geschriften. Wat geloof je? Wat volg je?

Egypte, Babel, Fenicië – alle volkeren rondom- geloven de macht. Opgelegde, uitgevoerde macht. Maar voor Israël zou het anders moeten zijn. Dienstbaarheid zou hun leidraad moeten zijn.  Niet omhoogkijken, maar naar beneden kijken. God, de God van Israël laat zich niet gebruiken als sieraad op het hoofd van de sterke man. Hij is die woont onder de verworpene, de weggestuurde. De verdrevene. En die blíjft vragen: de wees, de weduwe, de vreemde, de vluchteling, de andere – wat heb je voor hen gedaan?

Ishwarbai Patel was een Indiase activist. Hij overleed al in 2010, maar deze week stond er een in memoriam van hem in de krant. Hij was zijn leven lang betrokken op de sloppenwijken van zijn land. Zo bouwde hij er twee miljoen toiletten. Hij zei eens: “De rijken van ons land kijken neer op de inwoners van de sloppen. Zij noemen hen crimineel, opvreters, de schande van de natie. Maar in feite zijn de sloppenbewoners het kapitaal van ons land: ze werken hard, ze kosten weinig, ze verbruiken weinig, ze zijn de basis van de rijkdom aan de top. We zouden hen moeten koesteren” Ishwarbai sprak de taal van de verbinding. Niet van de verdeling. Hij vernederde niemand, hij eerde de ander.

Danste er maar eens iemand voor hem. Voor mensen zoals hij.

Ik dans vandaag voor hem.

 

 

Zo’n klein berichtje.

 

Het zat een beetje weggemoffeld tussen berichten over allerlei rechtszaken. Zoveel jaar voor moord, zoveel jaar voor kidnapping. Ineens begon de nieuwslezer op de radio over uitkeringsgerechtigden. Uit onderzoek was gebleken dat “uitkeringsgerechtigden massaal hun bezittingen in het buitenland verzwegen”. Voor mijn geestesoog verschenen lange, witte jachten met cocktaildrinkende dames en heren, huizen met zwembaden en auto’s met chauffeur. Aan mijn fantasie ligt het niet. Ondertussen koutte de nieuwslezer door; het ging om 17 miljoen niet opgegeven bezit “van honderden personen”.

“Oh”, dacht ik: “Dus dat zwembad kunnen we alvast doorstrepen”. 17 miljoen gedeeld door honderden, dan hou je slechts zeer gemiddelde huizen over.

Waar moesten we aan denken? “Aan tweede huizen in Turkije, bijvoorbeeld”, antwoordde de nieuwslezer gedienstig. En hup, verder ging het al naar het weerbericht. Dat het te warm is voor de tijd van het jaar.

Ik vroeg me af wie dit bericht had ingestoken? En met welk doel? Moest ik nu begrijpen dat uitkeringsgerechtigden allemaal ten onrechte elke maand hun geld opstrijken? Moest ik begrijpen dat het vooral de Turkse Nederlanders zijn die vals spelen? Wéér die Turkse Nederlanders? Wat moest ik nu eigenlijk weten?

Of ging het om de slotzin:  “dat alle mensen het ten onrechte ontvangen geld moeten terugbetalen”? Moest ik ervan doordrongen worden dat ons kabinet daadkrachtig is en tegen elke misstand opstaat?

Dan was het zinnetje: “Waarschijnlijk kunnen de betrokkenen niets terugbetalen, aangezien velen op of onder het bijstandsniveau leven” erg verwarrend. Want waar betaalden ze dat tweede huis dan van?

Vragen, vragen, vragen.

Er sijpelt vaker van die vaagheid door. Een paar weken geleden hoorden we over Poolse arbeiders die “massaal uitkeringen aanvragen” en vervolgens naar hun land terugkeren om daar op hun lauweren te rusten.

Ook toen die vieze bijsmaak. Uitkeringen en buitenlanders, die combinatie. Wat wil het bericht van mij?

Het wordt niet gezegd, dat is het giftige. Er wordt met semi-feiten gestrooid. Er wordt iets ingemasseerd, maar de masseur toont zich niet. Ontkent waarschijnlijk dat hij masseert.

Ondertussen doet het gif zijn werk.

Twee weken geleden was er een inspraakavond over nieuwbouw hier in de buurt. Nieuwbouw is een beetje groot woord: het gaat om tien huizen. Op het voormalige voetbalveld. Daar is onrust over, omdat sommigen hun hondenuitlaatplek niet kwijt willen. Na een onrustig rondje kwam het finale argument tegen nieuwbouw: “straks zitten daar asielzoekers van onze centen!”

Achter het masker van keurige cijfers en feiten daalt een dreinsregen op ons neer. Van ksenofobie, argwaan, wantrouwen. Een motregen waar we smerig nat van worden. De indruk wordt gewekt dat wij – fatsoenlijke Nederlanders die nooit iemand benadelen- achteruit worden gesteld. Dat ons geluk aan ons onthouden wordt. Dat we beter af zouden zijn zonder al die armoedzaaiers, gelukszoekers, ondankbaren.

Alsof je vanzelf op een jacht terecht komt door naar beneden te trappen.

 

 

De paranimfen van G’d

 

“Geld en Groei” ze waren de Knabbel en Babbel uit de troonrede. De zinnen die Rutte schreef juichten, omdat beide er weer waren. We hebben weer geld! En we groeien weer! De enige vraag die nog openstond: we moeten ervoor zorgen dat nu iedereen ervan gaat profiteren. De champagne stroomt inmiddels al zó lang bij wie geld heeft, dat er nu wel wat priklimonade geschonken mag worden bij wie dat niet heeft.

Geld en groei zijn twee paladijnen van een oeroude god. Van Baäl. Baas. Of van Ra, de zonnegod. Of van de Economie, huisgod van de rich and famous. En ja, het ìs heerlijk als je tot die groep behoort.

Ooit stonden heren in rok en dames in het lang glazen leeg te drinken op het grote balkon van de opera in Budapeszt. De zon ging onder. Wij wandelden in onze sjofele toeristenkleren voorbij. Ik voelde jaloezie. Waar zij stonden, wilde ik staan.

De weg naar dat balkon is die van, juist, geld en groei.

Maar. Er zit een lelijke kant aan dit verhaal. De Tsjech Sedlacek heeft dit een paar jaar terug scherp onder woorden gebracht. “Economie lijkt een neutrale, natuurkundige grootheid, maar is dat niet. Economie vraagt geloof in egoïsme en dat is een morele positie.” Een positie die, bij voorbaat al, anderen uitsluit.

Die mensen staan daar op het balkon, doordat anderen er niet staan. Zij hebben geld, doordat anderen het niet hebben. Marx schreef in zijn Das Kapital dat geld uiteindelijk op hopen terecht zal komen bij enkelen. En dat de velen niet zullen hebben.

Geld en groei hebben meer iets van een knikkerbak. Wie het diepst gaat met zijn egoïsme zal de meeste knikkers ontvangen. De rest heeft het nakijken.

In de Bijbelse geschriften heeft Baäl een tegenspeler. Een klein godje van een klein volkje. Ergens in de marge. JHWH. Ik ben er, betekent die naam. Ook híj heeft twee paranimfen. Chesed en Emet. Waar die twee verschijnen, daar is IK BEN. Waar IK BEN is, daar zijn zij.

Chesed en Emet zijn niet zo eenvoudig te vertalen als geld en groei. Ze zijn ook minder zichtbaar. Net als hun G’d. – die ik met een hoofdletter schrijf omdat je anders over hem (hem?) heen zou kijken.

Ze betekenen zoiets als “vriendschap en waarheid”,  of “liefde en echtheid”,  of “mild en waar”.  Het zijn twee woorden die niet omhoog klimmen tot in de torens van glas, ver verheven boven de schoonmakers, de rioolreinigers, de modderkruipers. Het zijn twee woorden die naar beneden komen. Ze dromen niet van een godenwereld. Ze willen, zal ik maar zeggen, mens onder de mensen worden

Het echte wonder gebeurt natuurlijk, waar mensen van hun balkon afkomen.

De vraag had niet moeten zijn: hoe worden wij sterk en rijk. De vraag had moeten zijn: hoe worden wij mild, echt, hartelijk, eerlijk, vriendelijk – kortom: hoe worden wij mens.

 

God wil geen god zijn.

 

Ooit was het duidelijk: goden leefden hun eigen soap-serie. In hun hemel. Ze vreeën, ruzieden, voerden oorlog en maakten het weer goed met elkaar, net naar het hen uitkwam. De gevolgen van hun gedrag waren voelbaar op aarde. De aarde van de mensen. Onweer? Dan was Wodan kwaad. Of Zeus. Had hij weer ruzie met zijn Hera. Het enige wat de mensen konden doen was smeken. Eerbiedig smeken. Met de pet in de hand. Smeken om een gunst. “Oh lieve Wodan, laat de bliksem niet bij mij inslaan.” “Oh machtige Zeus, laat de storm aan mijn huis voorbijgaan”. Want u weet toch wel hoe goed ik mijn best doe? Hoe ik alleen maar aan u mijn offers breng? Hoe ik het waard ben? Oh nee, niet waard ben: maar u, u bent het waard.

En als de goden dan  een goede dag hadden,  kreeg je het. Even een gelukje.

Fikte het huis van je buurman af. Blikseminslag.

De verwarring begon, toen de God van Israël het toneel betrad. Hem was het niet genoeg: douceurtjes uit te delen. Hem was het niet genoeg: God in de hemel te zijn. Met gouden kranen en eeuwige godendrank. Hij, schrijft Mozes, Hij daalt af. Hij verlaat zijn hemel.  “Ik heb het gejammer van de mensen gehoord”, zegt Hij. “Hoe ze worden gemarteld. Hoe ze worden gekleineerd. Ik heb het gehoord.” Ik ben afgedaald. En jij, Mozes, jij gaat nu op pad. Zeg tegen Farao: “Zo niet langer!”

Een gelukkige gebedsverhoring is niet genoeg. Want die buurman. Waarom zou de regen wel op jouw akker vallen en niet op die van hem? God, de God van Israël staat voor: het moet hier helemáál anders. Voor jou. En voor je buurman..

En? Gingen de mensen? Voor een andere wereld? Ja, soms. Franciscus van Assisi, bijvoorbeeld. Hij verliet zijn paradijs, kleedde zich uit, en deelde zijn leven met de armen.  Of moeder Theresa. Of Hebe Kohlbrugge. Of Miep Gies. Of al die mensen die we niet bij name kennen – die zich gaven, deelden, inzetten. In grote en kleine gebaren.

Vaak gaan mensen ook niet. Gaan de oproep van God niet aan. Blijven stil staan. En nemen er genoegen mee: als ik nou bid. En U geeft mij. Dan zal ik U prijzen.

Mensen nemen er genoegen mee.

God niet.

er blijft een stem, een verlangen roepen: geen gunsten maar recht

(afbeelding: Ikoon van Wassil Wasin, Mozes voor Farao)