Vluchtelingen en wij.

Het overweldigt me allemaal een beetje. Al die mensen. Die met zo’n enorme innerlijke drang op weg zijn naar de vrijheid. Ze komen met bootjes. In vrachtwagens. Lopend. Met treinen.

En toen de treinen niet meer reden. Gingen ze weer lopen.

Het bonkt in hun hoofd: Niet meer wat was. Niet meer.

Het antwoord van Europa overweldigt mij ook. De angst.  De angst om de vluchtelingen op te nemen. En het wegkijken. Het verschrikkelijke wegkijken. Weken, nee maanden hielden politici hun mond. De eurocrisis. Dat was het probleem van Europa. Zeiden ze. Dat hielden vol. Ook toen de eurocrisis meer en meer een schaamlapje werd. Om de echte crisis niet te hoeven zien. De crisis van onze beschaving.

Ik voel mij klein en machteloos als ik onze politici zuinig hoor rekenen. Tienduizend. Dertig duizend. Geen mens meer. Het kost te veel, anders. De rek bij de Nederlanders wordt anders overvraagd…

de rek bij de Nederlanders? Pardon? Wij zijn net terug van onze heerlijke vakanties. Overal in Europa en verder weg. Er is nog helemaal niets van onze draagkracht gevraagd.

In 1956 sloegen één miljoen Hongaren op de vlucht. Eén miljoen! Het was voor Europa volstrekt vanzelfsprekend dat ze zouden worden opgevangen. Zelfs Wilhelmina maakte plek voor een gezin. Gewoon, bij haar op paleis het Loo.

Maar vandaag?

“Het zijn economische vluchtelingen” roept de een. Alsof “ze” daardoor ineens niet meer op de vlucht zijn. Alsof “ze” ineens geen hulp meer nodig hebben. Zelfs al zou het zo zijn, dat ze met verkeerde beelden op weg zouden zijn gegaan. Als ik door eigen schuld de weg ben kwijt geraakt, hoop ik ook dat iemand mij zal helpen.
Ik geloof niet zo in het “economische vluchteling” scenario. Het zijn mensen die het vertrouwen in hun land volstrekt hebben verloren. Ze verwachten het niet meer; dat ze daar een toekomst zouden hebben. Ze trekken weg. Op de vlucht voor IS. Op de vlucht voor geweld. En ja, dat ook, op de vlucht voor uitzichtloosheid.

Iemand schreef in de Metro over zijn vader. Die was in de jaren zestig uit Liverpool weg gegaan. Naar Nederland. Hij had thuis vrienden die niets deden, drugs gebruikten, crimineel dreigden te worden. Hij moest daar uit, wilde hij een ander leven. Wilde hij blijven leven. Zijn vrienden waren dood, inmiddels. Doodgeblowed.

Ik word overweldigd. Door de benauwde houding van Europa.

Toen 71 mannen gestikt bleken in een vrachtwagen, twitterden in heel Europa anderen: “wat jammer, maar 71”. Je hoorde het zinnetje “dat scheelt weer mooi 300 uitkeringen” ineens weer terug echoën.

Ik denk aan een twitterbericht van nog langer geleden. Drieduizend jaar geleden, om precies te zijn. “Wees hartelijk voor een vreemdeling, want jij bent zelf vreemdeling.”

Zo simpel kan het soms zijn.

 

Advertenties

Mijn broer…

Als mijn broer in de penarie zat en hij zou bij mij aankloppen, dan nam ik hem zonder meer onder mijn hoede. In hem voelt het immers alsof ik zelf hulp nodig heb.

Als ik in het buitenland ben en een landgenoot komt in de problemen en ze verstaat de taal niet, dan schiet ik te hulp. Op z’n minst zou ik vragen “kan ik iets voor u doen?”. Haar taal, haar lichaamsbewegingen, haar manier van kijken: ik herken er het mijne in. Mijn taal. Mijn manier van doen. En dat verplicht.

Mensen zijn groepsdieren. Groepen vormen zich rondom herkenning. Ik meen eens gelezen te hebben dat we mensen met dezelfde naam elkaar vanzelf een stukje aardiger vinden dan een ander.

Ik ben dol op Sybrand Buma. Maar dat begreep je.

It’s what nature desires. Zorg voor hen die op je lijken.

Vanavond lazen we aan tafel een bizar gedeelte uit Marcus. De broers van Jezus en zijn moeder (zijn moeder! Je krijgt al weke knieën als je aan je moeder denkt) laten hem roepen. Marcus suggereert, dat ze zich zorgen om hem maken. Hij lijkt totaal de weg kwijt. De mensen zeggen: je familie zoekt je. En dan geeft Jezus een antwoord, dat de angst bevestigt. Hij is niet goed wijs. Jezus antwoordt: “Mijn broers? Mijn moeder? Wie zijn dat?”

Als een bezetene roept hij: “wie de wil van mijn vader doet. Die zijn mijn broers. En die is mijn moeder.”

Mijn natuur zegt: waanzin. Het is waanzin om je gelijken zo te schofferen.

Of is Jezus geniaal?

En verbreekt hij alle natuurlijke banden met opzet.

Rekt hij de mensenfamilie op?

Heeft Jezus gelijk dan word je een broer van iemand die in niets op jou lijkt.

Tinkebell deed een gek voorstel: geef tegenpolen dezelfde naam. Geef Geert Wilders de naam Mohammed erbij. En geef elke Mohammed de naam Geert erbij. Ze zullen iets voor elkaar gaan voelen, iets familiairs. Ze zullen zich verbonden voelen met elkaar en voor elkaar instaan. Tegenpolen worden één.

Ik vind Jezus geniaal. Ook als ik hem niet geniaal vind, vind ik hem geniaal. Dat heb ik lang geleden al besloten.

“De wil van de Vader” schuift hij over alle mensen heen. Alle mensen gaan elkaar herkennen.

Als mijn vader mijn vader is, dan ben jij een vreemde voor mij. Als jij dan bij mij aanklopt, houd ik mijn deur gesloten.  Vreemdelingen komen er van nature niet in. Kom je met honderd, duizend, drieduizend tegelijk, dan haal ik de brandspuit van de muur en spuit je van mijn stoep af. Ik heb ook nog wel een roestige handgranaat in mijn linnenkast. Voor als je blijft komen. Mijn huis is mijn huis. Mijn familie mijn familie. Je komt er niet in.

“God is je Vader” zegt Jezus. En ineens lijken we allemaal op elkaar. Gelukszoekers, vluchtelingen, luxe-boot-bezitters, angstigen achter de Europese grenzen. Er is geen ‘mijn huis’. Er is alleen ‘huis van de vader’. En daar woon jij dus ook.

Er klopt een broer aan je deur, Europa.

Er kloppen broers aan je deur.

Zusters

Moeders

ze lijken niet op je

ze zijn als jij.

Laat je ze niet binnen?

Ze zullen binnen komen.

ze zullen in je koelkast kijken en het lekkers er uit halen

ze zetten je TV aan

en gaan op de bank zitten

jouw bank

want dat is wat ze doen, broers

ze beschouwen jouw huis als hun huis.

En gelijk hebben ze.

Religie? Man, alles is religie

Neem nu Griekenland. Het woord waar we al weer sinds een jaar slapeloze nachten van hebben. Politici maken zich dik en druk, vliegen heen-en-weer, net als hun beschuldigingen. “Wij”, nee: “jullie”. Wij doen het economisch goed. Sowieso doen wij het goed. Jullie niet.

Griekenland is een afspraak. Een vondst uit de negentiende eeuw. Net als “Duitsland”, “Nederland”, “Frankrijk”.

In 1829 onttrok Griekenland zich aan de Turkse overheid. Niet geheel toevallig juist tóen. Het waren de jaren van de romantiek. Er moest zoiets bestaan, dacht men, als een ‘volksgeest’. En die moest omtuind door eigen grenzen, vond men. Daar nog een eigen monarch bij. En een eigen geschiedenis, waar je trots op kunt terugkijken. En het plaatje was compleet: één volk, één land, één regering, één cultuur. Overal op de Griekse archipel werden weer Hera’s geboren, en Helena’s en Arthexerxessen. De Grieks-sprekende moslims werden de Middellandse Zee overgejaagd. Het romantische plaatje moet niet verstoord worden, ej.

Een zeventiende-eeuwer zou er van opgekeken hebben. Ik sla honderd jaar over, inderdaad. De achttiende eeuw begon al voorzichtig met ‘volksaard’ enzo, dus vandaar. Het moet hier niet àl te genuanceerd worden. Je had een landsheer, dacht de zeventiende-eeuwer. Daar merkte je wat van, als er belastingen geïnd moesten worden. Of als er recruten nodig waren voor een oorlog. Maar verder? Je was bewoner van je stad, je dorp, je vlek, je modderpoel. Nationale trots? Nog nooit van gehoord.

Griekenland bestaat, omdat we het geloven. We geloven dat de Grieken bij elkaar horen. Wij horen daar dan weer niet bij. Omdat zij de hele dag olijven en knoflook eten in de zon en wij niet? Misschien. Maar meer, doordat het gevierd wordt en wij aan dat vieren niet meedoen. De Griekse nationale dagen gelden hier niet als vrije dag. De militaire parade in Athene wordt hier niet uitgezonden. Wij steken de Griekse vlag niet uit en wij zingen het Griekse volkslied niet. Ook al klinkt dat laatste wel heel gezellig. Wij lopen ook niet in minirok de erewacht langs de Acropolis, trouwens. Zij wel.

De oude Grieken waren niet gek, toen ze zeiden dat Pallas Athene een godin was. Allereerst godin. Dan pas stad. Zij waren geen ‘mensen die het nog niet helemaal begrepen hadden’. Zij begrepen het beter dan wij: macht is macht voor zover mensen macht erkennen. Je moet er aan werken om het zo te houden. Macht groeit met de moeite die mensen zich er voor getroosten. Offer je offers op het altaar van Athene. Daar vaart de stad wel bij.

Houden mensen op zich te identificeren met, zich te binden aan – dan valt de stad uiteen.

Griekenland bestaat niet. Griekenland wordt gesmeed. In de verhalen, de symbolen, de rituelen.

Christenen uit de eerste eeuwen waren ook niet gek, trouwens, toen zíj zeiden dat je aan de staatsceremonieën niet deel moest nemen. Macht kwam alleen toe aan Christus, de pantokratoor. Macht is alleen macht voor zover het mensen dient. Zoals de God in wie zij geloofden, mensen dient.

Dat hun oproep de verhalen als verhalen te erkennen maar nooit als absolute waarheden, dat die ooit zou leiden tot een nieuw, christelijk nationalisme – Christus is de ware macht, Christus staat aan onze kant, dus wij hebben de ware macht, hoppa- dat had de eerste eeuw onmogelijk kunnen voorzien.

Religie is: het verhaal is waarheid geworden.

Wij zijn geen negentiende-eeuwers meer. Wij zouden het verhaal kunnen herschrijven, als we zouden willen. Niet langer de natiestaat doorvertellen, maar iets nieuws: dat er een wij, en enkel een wij bestaat. Een verhaal van ‘één mensenfamilie’, waartoe wij allen behoren. Ophouden met ‘het is hun probleem’ Het is òns probleem. Als het een probleem is. Want: geld? Bestaat geld?

Eén aarde, één mensenfamilie. Al het andere is van ondergeschikt belang.

Blijf ik wel Grieks eten. Dat dan weer wel.

 

Kwetst u maar!

Hou ik van Hans Teeuwen? Neuh. Niet echt. Ik draai hem weg, zodra ik hem hoor. Ik heb een heel rijtje van mensen die ik censureer. Paul de Leeuw. Jochem Meyer. Geer en gelijk ook maar Goor. Pauw en Witteman vroeger. Pauw tegenwoordig. De televisie blijft veel uit, zo. Lekker rustig.

Ik houd niet van schreeuwen. Tenminste, niet als anderen dat doen. Ik vind De Leeuw plat. En zijn humor moet altijd anderen hebben. Ben ik ook al niet van. Pauw en Witteman vond ik verzuurd in hun stalen gelijk. En wel erg gemakkelijk in hun eentonige gezeik op godsdienst. En Hans Teeuwen? Hij kwetst mij, daar kom ik rond voor uit en dus ga ik niet vrijwillig bij hem zitten.

Ephimenco is een twijfelgeval. Ik ben niet dol op hem, maar lees tussen mijn oogharen toch stiekem wat hij schrijft. Vooruit. Ik moet in mijn voorkeuren nou ook niet àl te gesloten worden, ej.

Moeten deze mannen, ja allemaal mannen, Freud zal wel weten waarom, daarom het zwijgen worden opgelegd? Moet er een grens zijn aan kwetsen? Aan platheid? Banaliteit?

In mijn eigen wereld doe ik dat wel. Iedereen heeft zijn censor, denk ik. Anderen walgen van Wagner. Of vinden Maarten van Rossem een kwal. Er zit een uitknop aan de televisie. De krant kan dicht. En je kunt je abonnement opzeggen. Dus ja, er is een grens.

Maar of die door de wet moet worden vastgelegd? Ik twijfel. Ik ben bang van Dieudonné. En Wilders ondermijnt de rechtsstaat met zijn geschal. Het ontkennen van de holocaust doet mij de maag omdraaien. Maar dat doen de ontkenners van de global-warming-up ook. Waar liggen de grenzen?

Fatsoen kan geen norm zijn. Fatsoen is diffuus. Wat ik fatsoenlijk vind, vind jij burgerlijk. Fatsoen maakt, bovendien de kring steeds kleiner. Is het eerst onfatsoenlijk om God belachelijk te maken. Later is het onfatsoenlijk om zijn dienaren te beledigen, daarna om Gods gelovigen te bespotten, en daarna…. Fatsoen trekt de lijnen steeds strakker, totdat het leven er uit is en wij: inderdaad, in de dictatuur van het fatsoen zijn beland. Fatsoen ordent alleen mijn persoonlijk leven. En dat van jou op een andere manier. En God verhoede het, dat de een voor de ander gaat bepalen wat fatsoenlijk is.

Gekwetstheid kan geen norm zijn Want dezelfde dynamiek. Gisteren werd ik gekwetst door Teeuwen, vandaag is hij weg maar kwetst de buurman mij met zijn poepende hond. Het laatste wagentje van de trein blijft altijd schudden, hoe kort je de trein ook maakt. Uiteindelijk houden we een dwangbevel over van alle gekwetsten van deze aardkloot. Orden je eigen leven er mee. Je samenleven met je naaste misschien. Maar zeker niet de samenleving. God verhoede het!

Er is slechts één ordenend principe voor ons allemaal. Vrijheid.

Met slechts één grens is: wie die vrijheid bedreigt. De RAF werd terecht vervolgd. Of RARA toentertijd. Djihadisten worden terecht met een vergrootglas gevolgd. Zij willen immers dat Hun Wil de vorm van de samenleving zal bepalen.  En Hun Wil, Mijn Wil, zal altijd, vroeg of laat, eindigen met jouw onvrijheid. Met jouw dood, als het moet. Volgens hen moet, dan. Niets vrijheid.

Democratie is het paradijs niet, maar een betere tuin legde tot nog toe niemand aan. Ik bedoel: ik zou niet weten hoe je een plek op een andere manier kunt inrichten zodat iedereen er in leven kan: christenen, heidenen, republikeinen, homo-haters, Gerard Joling, democraten, islamieten, D ’66 ers. Laat iedereen zich dus maar uitspreken, ook als hun vormen smerig zijn, onderbroekerig, hetzerig. Stel er je eigen woord-wapens maar tegenover.

Hoe walgelijk ik uw mening misschien ook vind. Ik zal uw recht verdedigen om uw mening te uiten. Hans Teeuwen, ga je gang.

Haar zal ik verdedigen.

En als jij haar aanvalt,

zal ik jou niet in elkaar slaan

en niet doden

dan dien ik jou van repliek

met mijn woorden.

 

Of ik zet de teevee uit. Dat kan ook.

Alsof ik geen buitenlander ben…

racismeNu gaat dit bericht weer rond op Facebook. En het geldt als een getuigenis van grote waarheid. De buitenlander besteelt ons! Hij vernedert ons! Hij zal ons vernietigen! En wij? Wij zitten allemaal in sneue bejaardentehuizen, waar we maar één maal in de twee weken worden gedouched. En zíj hebben daar schuld aan!

Maar ik ben geen racist.

Nee, een racist is mijnheer/ mevrouw niet. Maar wel een even domme als gevaarlijke gifmenger. Met een opeenstapeling van losse flarden wordt in het stuk een bedreigde wereld opgeroepen die in werkelijkheid zo niet bestaat. En de remedie die wordt gesuggereerd “wees dankbaar, of wij hebben het recht om je uit ons land te verwijderen’ is lulkoek. Was het gewone borrel lulkoek, dan maakte ik mij niet druk, maar dat is het niet. Het is gevaarlijke lulkoek. Op basis van een fout recept.

Feller dan een leugen is een halve waarheid. En feller dan een halve waarheid zijn een heleboel halve waarheden bij elkaar.

Eerst maar de waarheid dan. Ja, er zijn Bulgaren die de Nederlandse belastingdienst hebben opgelicht, en ja er zijn Antillianen en Surinamers die met hun al dan niet terechte kritiek de sfeer rondom Sinterklaas aardig verstjeerd hebben. En ja, sommige bejaardentehuizen bieden slechte service.

Tot zover de grotere en kleinere waarheidjes. Nu de rest. Wat hebben Bulgaren gemeen met Surinamers? Of Antillianen met Marokkanen? Niets. Het is appels en peren in één mand knikkeren en ze dan gaan vergelijken. Sowieso is het altijd tricky om mensen in groepen te gaan indelen. Is Aboutaleb verantwoordelijk voor de ontspoorde Marokkaans-Nederlandse jongere? Draagt de bejubelde Bulgaarse tenor Rousse schuld aan het bedrog van andere Bulgaren? Wat heb ik met Paul de Leeuw? Ben ik een Gerard Joling?

“Er is hier”, zei Haman tegen de koning Ahasveros: “een volk onder ons, dat onze taal niet spreekt en zich niet aan onze wetten houdt.” Dat er veel meer volkeren in zijn land woonden, dat verzweeg hij. En ‘de wetten waaraan dat ene volk zich niet hield’ was er maar één, deze namelijk: dat ene volk boog niet voor Haman als die voorbij kwam wandelen.

Eén bevolkingsgroep ontbreekt opvallend in het stuk van Facebook. Dat zijn de ‘originele’, de ‘witte’ Nederlanders. Ze worden opgevoerd als slachtoffers. Zijn ze dat ook?

Het huilende voorbeeld, van die zielige oudjes, is dat waar? Inmiddels is wel gebleken dat verpleegtehuizen nogal van elkaar verschillen. En een tehuis, dat zijn ouderen één maal in de twee weken onder de douche zet, is gewoon een slecht tehuis. Daar hebben buitenlanders niets mee te maken. Sterker nog: als er geklaagd wordt over ondermaatse zorg voor ouderen, dan heeft dat meer te maken met de veranderingen in ons belastingstelsel, sinds wij in de jaren negentig het neo-liberalisme hebben omarmd, dan met de Marokkaan om de hoek. Wij vonden het, de kiezers, een geweldig goed idee om de belastingen te verlagen. Wij vonden het een goed idee om de private sektor meer financiën te verschaffen ten koste van de publieke sektor. De scholen, de universiteiten, de zorg; zij zuchten onder bezuinigingen, omdat wij er voor kózen dat daar minder geld naar toe zou gaan. De grote huizen die gebouwd werden en de grote auto’s die gekocht werden – wat waren we blij dat we rijker werden!- gingen ten koste van de belangen van ons allemaal. Geld kan maar één keer uitgegeven worden. Zelfs in Nederland. De oudere gaat een keer in de twee weken onder de douche, omdat wij vier keer per jaar met vakantie wilden. Dat is hoe het zit. Sorry PVV.

En dan nog iets. Waarom vermeldt de tekst niet, hoeveel geld ‘witte” Nederlanders wegsluizen bij reisverzekeraars? Hoeveel zij onterecht declareren bij brandverzekeraars? Hoeveel nooit gekochte camera’s, computers, merkkleding wordt er gedeclareerd? Hoe zij de belastingen piepelen? Het loopt in de miljoenen per jaar. Ik roep maar even de familie in herinnering die voor 2,7 miljoen aan onterechte PGB’s uit de staatsruif plukte. Ze waren lelieblank. Maar niet schuldeloos. Moet ik mij nu verantwoorden voor hun gedrag, omdat ik toevallig óók wit ben?

Het stuk ademt deze geest: wij zijn de goede wij. En er bestaat een natuurrecht, waarom wij op dit stukje grond mogen wonen. “Zij” zijn hier binnengekomen. En ‘zij’ moeten zich buigen voor ‘onze’ regels.

Wij zijn geen goede wij. Er zit niet zo veel verschil tussen hullie en ons. En – breaking news- er is geen natuurrecht dat ons Nederland toewijst als rechtmatige grond. Ook ik ben een voorbijganger. Toen ik mijn ogen opendeed, had ik geen idéé wie ik was, waar ik woonde, dàt ik überhaupt ergens woonde. En op een dag ga ik ook weer dood. Ik heb geen recht. Ik kreeg het. Net zoals de man of vrouw die van elders hier naar toe kwam. Als ik vind dat die dankbaar moeten zijn, dan ik zelf ook.

Er is geen god die mij iets toewijst. Ik deed geen examen, waardoor ik hier wel en een ander hier niet zou mogen wonen. Als er een god is, dan is die god-over-ons-allen.

De wereld globaliseert. Mensen wonen soms hier en soms daar. En hier nemen ze wat, daar laten ze wat. En jij, jij bent daar een onderdeel van. Zelfs in je ‘eigen’ land. Er is geen eigen land. Wen er maar aan.

En bespaar ons zulke onzinteksten op Facebook.

Onopgeefbaar verbonden?

“De kerk is geroepen gestalte te geven aan haar onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël.”, zegt de grondwet van de kerk waarvan ik lid ben. Het is een duidelijke stellingname tegenover wat de geschiedenis van de kerk toont: haar haat tegen de Joden. Tot drie, vier, generaties geleden dachten christenen: de Joden hebben Christus verworpen, zij zijn blind en tellen niet meer mee, wíj hebben de Heer aangenomen en daarom hebben wij de waarheid. Het is altijd een geruststellende positie: te weten dat je aan de goede kant staat. Het verheft je ver boven andere mensen en ver boven alle kritiek. Het is ook een gevaarlijke positie: waar de kritiek verstomt, vallen slachtoffers. En dat is dan ook gebeurd: op grote schaal. Zo groot, dat de kerk en al haar pretenties er bijna onder bezwijken. In naam van de Heer zijn vele, vele Joden vermoord. Pogroms startten met angsten en leugens tegen de “vreemde Joden”, ze werden nog eens extra aangezwengeld door kerkelijk godsdienstige theologieën. De Joden, die waren het volk dat God niet meer wilde hebben. En daarom hielpen “wij” een handje door hen uit te sluiten, op te jagen en desnoods te vermoorden. Het bloed van Abel roept tot ons geweten.

De Tweede Wereldoorlog met zijn Shoah schudde ons hardhandig wakker. Dat die Endlösung in een land vol kerken en christenen uitgedacht werd móest de gedachten aan de kerkelijke uitmuntendheid wel breken.

Mede door het werk van Karl Barth, bisschop Niemöller en Dietrich Bonhoeffer ontdekte de kerk een nieuwe plek: naast het Joodse volk. Wij hebben de waarheid niet. De Joden leerden haar kennen en gaven haar door.

En daarmee ging veel kantelen: dat de waarheid geen vaststaande leer is, maar een begrip dat jouw relatie met de werkelijkheid uitdrukt, bijvoorbeeld. Maar ook: dat het gaat om wat je doet en niet om wat je zegt te geloven. En ook: dat de aarde het middelpunt van ons leven is en niet een hemel van welke soort dan ook.

Het revolutionaire van de Bijbelse geschriften is dit: dat er een naaste is. En dat die net is als jij.

Ik ben er nog altijd stil van: van die omwenteling. Wij dachten dat wij het hadden, we leerden dat alles wat een mens zoekt bij de naaste in bewaring ligt. Wij werden weer die wij waren: de heidenen die de G’d van Israël leerden kennen.

Dat daarmee óók de beelden van G’d als de Oppermachtige, de Baas, de Onveranderlijke op de helling gingen, hoeft bijna geen betoog meer. Ook G’d bleek van aards materiaal. De aarde is Zijn domein.

Zonder Joden zou de Kerk het Instituut zijn gebleven dat de weg naar de hemel wist. Doordat de Kerk gedwongen werd naar zichzelf te kijken via de ogen van de Joodse geschriften en via haar eigen geschiedenis met de Joden, stortte haar arrogantie neer en hervond zij zichzelf. Zij is de aardse gemeenschap van mensen.

Het was dus nodig, om in de kerkorde te zetten: onopgeefbaar verbonden

maar

de tijd schreed voort sinds 1951, het jaar waarin Israël voor het eerst in de Hervormde kerkorde werd genoemd. En er kwamen nieuwe vragen. Met wie is de kerk verbonden als zij zegt: “het volk Israël”?

Ligt dat volk geborgen in de Schriften? Gaat het om mensen die er vandaag niet meer zijn?

Zijn wij verbonden met het gelóóf van het “volk Israël” ? Met hun verhalen, getuigenissen en commentaren?

Of gaat het om mensen die vandaag leven.

En wie dan?

Zijn wij verbonden met de religieuze Joden? Met alle Joden?

En de dringenste vraag van alle vragen: is de Kerk verbonden met de Joden èn de staat Israël?

en als dat laatste het geval is: wat betekent die verbondenheid dan?

er zijn er die zeggen: het gaat alleen om de geestelijke erfenis. Dat wij onze Joodse wortels herkennen en erkennen.

er zijn er die zeggen: wij zijn alleen verbonden met de religieuze Joden

er zijn er die zeggen: de Kerk is verbonden met de Joden en met hun staat.

Als ik serieus neem, wat ik hierboven zei: dat wij van de Joden leerden dat het om de aarde gaat en dat geloven vooral betekent: handelen – dan kan ik niet anders zeggen dan: wie verbonden is met de Joden is ook verbonden met de staat Israël. Of je dat nu leuk vindt of niet. Ik zeg het eerlijk: ik kan mij op dit moment leukere verbondenheden voorstellen.

Ik schaam mij voor de oorlog tussen Israël en de Palestijnen. En ik ben mij bewust van alle vooronderstelling die deze zin al in zich draagt. Is het een oorlog? Of is het een conflict? Is het een bezetting? Of is het legitieme zelfverdediging van de staat Israël? Is het een oorlog tegen de Palestijnen? Tegen Hamas? Of tegen de Islam, misschien? Alle posities zijn in de kerk te vinden.

Ik denk: wij zijn verbonden met de Joden. En daarmee met de staat.

Maar verbondenheid sluit kritiek niet uit. In tegendeel. Verbondenheid roept juist op tot zowel solidariteit als kritiek.

We leerden van de Joden dat het leven gevonden wordt door de naaste. En we leerden het sleutelwoord: rechtvaardigheid.

Mag de kerk de vragen opnieuw aan de staat Israël stellen? In hoeverre zijn de Palestijnen jullie naasten? En wat betekent het om recht aan hen te doen?

Geen vrede door geweld.

Israël

Soms ben ik jaloers op de Dalai Lama. Hij strijdt voor een land, en hij strijdt “aan de goede kant”. Hij is het slachtoffer. De daders zijn anderen. Hij roept op tot een geweldloze overwinning bovendien. Het maakt zijn glimlach oprecht en zijn boodschap van vrede en verlichting geloofwaardig. Misschien komt het door de afstand en is mijn blik daardoor niet scherp, maar hij lijkt niet verstrikt in macht.

Ik ben christen. Ik sleep tweeduizend jaar narigheid met mij mee. Nou ja, beetje overdreven misschien, maar toch: de kruistochten werden niet door animisten uitgevoerd en de boeddhisten waren niet de bedenkers van het antisemitisme. Nee, dat waren wij.

En in onze tijd zitten we vastgeklonken aan de strijd van Israël. Alles wat wij, christenen, over G’d zeggen, hebben wij immers van de Joden geleerd. Hoe wij aankijken tegen verantwoordelijkheid, recht, individualiteit, geschiedenis: zonder de Joden hadden wij anders gedacht. De schoonheid van de Psalmen leerden wij van hen. De diepte van de verhalen, Sara, Abraham, Jakob en Esau, Ruth, Saul, David, Debora, Tamar en al die anderen, hoorden wij van hen. Wij zijn aan hen schatplichtig. Ondanks onze meningsverschillen. Wij zijn aan hen verbonden, onlosmakelijk.

De Joden strijden óók voor hun land. Maar in niets lijken zij het slachtoffer. Dit keer niet. Het enorme geweld waarmee de Gazastrook wordt aangevallen, de overvloed aan indrukwekkende beelden; Palestijnse vrouwen, mannen, vaders, moeders die huilen om hun gedode kinderen – het schroeft je de keel langzaam dicht. Welk goed doel wordt hier mee gediend?

Er zijn christenen die aan de benauwdheid ontsnappen door te wijzen op de Bijbelse teksten. Er zijn landbeloften! G’d heeft ooit beloofd dat zijn volk zal terugkeren op de plek waarvandaan het verdreven werd. “Die tijd”, zeggen zij: “is nu.” Het recht van strijden ligt volgens hen in de opdracht van G’d om de vijanden uit het land te verdrijven. De Kanaäniet toén. De Palestijn vandaag.

Ik kan er niet mee uit de voeten, met deze uitleg. Als wij geloven dat Christus het volkomen offer was, hoe kunnen wij dan ooit nieuwe offers verantwoorden? Ik begrijp dat niet. In Christus is de geschiedenis omgedraaid, zeggen christenen, wij hebben onze schuld gezien, ons geweld en we zijn ons kapot geschrokken: op die weg niet meer verder. We hebben ook de liefde gezien waarmee ons leven wordt gevoed en gevuld en we dachten: dat wordt onze weg. Ik zeg het een beetje houtje-touwtje, en ik weet dat Christus nu juist een punt van vervreemding is tussen Joden en christenen: het gaat mij er om, wat christenen zeggen. Ik leef in verbondenheid met Israël, ook met de politieke staat Israël. Ik leef in verbondenheid met de Joden. Maar ik kan niet leven in verbondenheid met het geweld dat de staat Israël nu uitoefent.

Ik hoor Uri Avnery nog zeggen, op de Kerkendag in Utrecht meer dan tien jaar geleden: ‘er komt een dag, waarop de Israëli hun ramen opendoen en tegen hun buren zeggen: we zijn moe! We willen niet meer! Laat er vrede zijn! Er komt een dag, waarop de Palestijnen hun ramen openen en zeggen: “ook wij zijn moe! Laat er vrede zijn!”

Misschien kan alleen dit ons antwoord zijn: Israël, je beschadigt jezelf als je doorgaat met dit geweld. En je bereikt niet wat je ten diepste wilt: veilige grond. Je voedt je vijanden meer en meer jouw vijanden te zijn.

Misschien kunnen we dit van de Dalai Lama leren: vrede kan pas vrede zijn als je je geweld verlaat.

Over markt en vrijheid.

De vrije markt, wat is er zo aantrekkelijk aan? Dat het geld kan rollen, zullen politici zeggen en ze zullen er blij bij kijken. Want als het geld rolt, groeit de economie, kunnen mensen meer kopen, groeit de economie nog harder en wordt iedereen gelukkig. Je kunt je niet voorstellen dat er een beter systeem zou zijn, dan.

Maar is het ook waar? Dat van het geld misschien wel, maar daar zit dan ook gelijk het probleem. Ik ben geen econoom, ik geef het  toe, maar ik vertrouw twee dingen niet. Aan m’n water niet, zeg maar. Allereerst die vanzelfsprekendheid dat geld zal doen wat het moet doen, als de belemmeringen maar weggenomen worden. Ik denk niet dat er zoiets als een ‘onzichtbare hand’ bestaat die alles ten goede keert in de vrije economie. Ik geloof zelfs niet dat de beeldspraak van de onzichtbare hand werkt. Achter het geld zitten en leven mensen. En die doen niet altijd wat goed is om te doen, helaas. Dat is één.

Mijn tweede argwaan borrelt uit dezelfde bron: de vrije markt geeft ruimte aan het geld, maar waar zijn de andere waarden? Zorg voor de natuurlijke bronnen, bijvoorbeeld? Of voor de zwakke elementen, zoals dieren en – ook  dat – werknemers?

Mijn beide argwanen vloeiden samen in een zinnetje dat gisteren zomaar voorbij rolde. In het hart van economie, nog wel, en van vrijheid, keuzemogelijkheden en groei: bij Achmea. Een bestuurder zei met ronde blauwe ogen: “werknemers moeten beseffen dat ze een grote kostenpost zijn”. Laat de woorden vooral even op u inwerken. Mensen zijn kostenposten.

En wat wil de economie? Juist. De kostenposten verkleinen. Of verwijderen, in dit geval.

Het schokte mij, het gemak waarmee mensen terzijde worden geschoven. Vierduizend! Is er een economische noodzaak? Ik zei al, ik ben geen expert op dit gebied, maar Ephimenco rekende gauw op een bierviltje uit, hoeveel miljoen de verzekeringsmaatschappij had verdiend in het afgelopen jaar. En als bonus noemde hij ook even de salarissen van de topman en de iets mindere-top-mannen.

“Geld stroomt daarheen waar het nodig is”, zegt een wet van de vrije markt. Achmea laat zien, dat dit slechts ten dele geldt. De werknemers heten kostenpost, de topman blijft en verdient weer meer dan het jaar daarvoor. De vooronderstelling dat hij het geld méér nodig heeft dan de werknemers en dat het dus heel rechtmatig is allemaal, dat gaat mij toch enigszins te ver. Maar goed, mij ontbreekt naast kennis, ook het geloof.

Ik geloof wel. Dat doen we allemaal uiteindelijk. Maar ik geloof, dat je mensen in het midden van je denken moet stellen. En niet het geld. Als je een leefbare wereld wilt, tenminste. En naast de mensen, treden dan ook de dieren en de natuurlijke bronnen naar voren. En om die te beschermen heb je regels nodig. Niet, omdat geld onrechtvaardig zou zijn. Geld is, welbeschouwd, niets. Maar de mensen zelf zijn niet helemaal zuiver op de graat. Zij krijgen altijd de kolder in de kop, zodra geld in hun vizier verschijnt. En hoe meer geld, hoe meer kolder.

Ik ben voor de vrije mens. Beteugel dus de markt.

De geit van Jan Mankes. Haar vrede.

656951b9-d589-4b9a-b220-dcc4eb362fb5_GeitIn 1914 schilderde Jan Mankes een geit. Hoog op de poten, schitterend wit en met ogen om in te verdwalen. Het was het eerste oorlogsjaar. Mankes was zich daarvan bewust. Hij schreef aan een vriend: “Wij gaan moeizame tijden tegemoet.” Willem van Toorn schreef, ruim tachtig jaar later, een gedicht over het dier. Hij beschrijft haar, zoals wij haar op het doek zien. Hij schrijft haar los van het doek en wekt haar weer tot leven. Zij staat in levende lijve voor ons. In al haar rust. Zij is tevreden op de plek waar zij staat. Al zou zij ook ergens anders kunnen zijn. In een stal met hooi en een vrouwenstem die haar roept. Ze blijft waar ze is. In heelheid met zichzelf en haar omgeving.

Het is 1914. In Europa wordt zwaar gevochten. Jonge mannen worden opgeroepen voor de oorlog. Ze sterven. Miljoenen gebroken levens. Honderdduizenden zullen zwaar gehavend van het front terugkeren. De bommen dreunen nog in hun oren, de modder, het bloed, de regen hebben zich in hun ogen geëtst.

Het is niet de wereld van de geit. Zij is wit. Zij kijkt ons aan.

Vandaag gedenken wij hoe 95 jaar geleden de “Grote Oorlog” werd beëindigd.

Je vraagt je af: waarom begonnen we haar ooit? En waarom beginnen we de oorlog steeds en steeds weer?

Jan Mankes

Geit,

 

Zo hoog in beeld staat ze dat wij van onder aan

een kleine helling naar haar kijken, een lage wal

tussen bosrand en veld. Drie berken staan

voor avondlijk land achter haar. Er zal

 

een huis nabij zijn, Een geurende stal

en herfstig hooi. Een vrouwenstem die haar roept

Maar naar dit ander leven wil zij niet toe,

zij wil daar staan, voelend hoe de avond valt,

 

en louter wit zijn, tot haar oren toe

die net binnen de lijst passen. Haar ogen,

als van het meisje dat ze ook is, geloken

maar waakzaam onder de blik die zij vermoedt

van de onbescheiden kijkers die wij zijn.

 

1914. Haar aarde is niet de onze,

waar juist dit jaar het moorden is begonnen

dat ons lat bloeden uit miljoenen wonden,

Zij staat in onze droom van vrede. Zij kijkt ons aan.

 

 

Lampedusa, 130 doden.

album_large_572876Hier bij mijn slaap klopt het getal in het ritme van mijn hart: 130. Honderddertig doden. Zij stierven in de hoop op een nieuw bestaan voor de kusten van “Fort Europa”. Zo werd het genoemd, elke maand, bij de wakes voor uitzetcentrum Zestienhoven. Honderddertig.

Ik liet de honden uit. Honderddertig doden.

Ik verpootte cyclamen. Honderddertig doden.

Ik ruimde de vaatwasser uit. Zette nieuwe kopjes erin.

Ik keek naar buiten.

Honderddertig doden.

Wat valt er te doen?

Ik zet de radio aan. Ik hoor politici, verslaggevers, reporters, mensen van de straat. Ze praten over Krol, de voorzitter van de vijftigpluspartij. Ze praten over de crisis die moet worden bestreden. Ik hoor ze praten over ons en onszelf.

Honderddertig doden.

Is er nog iemand die roept, dat het zo niet kan? Dat wij ons niet moeten opsluiten in onze rijkdommen? Dat wij niet zo bang en klein moeten zijn?

“Als we onze welvaart niet willen delen”,  wie zei het toch?: “Dan komen ze het hier halen.”

Honderddertig doden. En onschuldig zijn wij niet.