Een troonrede in drie woorden.

Paf! De bijbel flikt het weer. In drie woorden alles zeggen.

We lazen Amos, vanmorgen. Gewoon, zomaar, in een kringetje hoorders. Amos is een bijbelboek. En een personage. Het boek introduceert hem zelf: Amos, schapenfokker in Tekoa. Historisch zitten we dan ongeveer tweeëneenhalfduizend jaar geleden, maar dat is van minder belang. We lezen vandaag. Dat doet er toe.

“Waarom eigenlijk schapenfokker?” vraagt één van de hoorders. Waarom moet dat vermeld? “Waarom Tekoa?”, denk ik er achteraan. Waarom dàt vermeld? De bijbel is nooit zo scheutig met informatie. Het dumpt zijn verhalen vaak zonder franje. Nog niet zo lang geleden lazen we in Exodus hoe Mozes voor het eerst bij een priester in Midjan gaat eten. Mozes is vluchteling, kent deze hele priester niet, er zijn allerlei omstandigheden. Maar het verhaal zwijgt daarover. Het weet nog net tussen de tanden door te melden: de priester gaf zijn dochter aan Mozes ten huwelijk. Nog niet eens één zinnetje. Het eerste dinertje bij een onbekende en even later ben je getrouwd met diens dochter! Ik heb wel eens uitgebreidere liefdesgeschiedenissen gelezen, moet ik bekennen.

En dan hier ineens zo’n spraakwaterval. De naam, het beroep èn de woonplaats er ook nog bij. Het kan niet op. Maar waarom?

Thom Naastepad zegt: “Het maakt meteen duidelijk dat Amos niet uit een priestergeslacht stamt. Hij is geen beroemde spreker.” Geen Billy Graham of, van mijn part, geen Obama. Hij is een boer. Broer van Klazien uut Zalk, zeg maar.

Thom Naastepad kan het weten. Hij is onvoorstelbaar bijbelgeleerd. Hij was dat, eigenlijk. Naastepad leeft niet meer. Helaas.

Met dat broer van Klazien uut Zalk zit ik niet ver naast de bedoeling. Wie had er ooit van Zalk gehoord? Tekoa is net zoiets. Een afgelegen gat. Nergenshuizen. Moddergat. Het is geen Jeruzalem. Geen Hiergebeurthet.

Tekoa is meer een Hiergebeurtnooitwat.

Amos is schapenfokker. Bedacht op zijn schaapjes en op hun welbevinden. Hij werkt zorgzaam en aards. Hij let op de kleinen, waar hij er zelf één van is.

In groot tegenstelling tot de anderen die in dezelfde zin worden genoemd. De koningen uit zijn tijd Uziah en Jerobeam. Grote mannen die paleizen bewonen van ivoor. Hun volk kijkt naar hen op. Iederéén wil wel in een ivoren toren wonen. Met dure bedden van Hästings. Om op te luieren en tokkelend op je harp naar je X-factor te zoeken. Want daar heb je alle tijd voor als je rijk bent. Ik verzin het niet he. Het staat er. In dat boek van Amos. Dat de rijken van het land muziek maakten en dachten “Nu ben ik net zo goed als David, minstens”. En dat ze daarbij luxe bedden onder den kont hadden. Het ging goed in Nederland, pardon, in Israël. Zeker als je dat vergelijkt met de landen in de omgeving. Die deden het niet half zo goed. Groeicijfers die er mochten zijn. De beddenverkoop steeg tot ongekende hoogte. Er is veel om trots op te zijn.

Nooooou, zegt Amos. Hoe zit het precies met de ouderen in de verpleeghuizen? Hoe vaak per dag krijgen zij een schone luier? Hoe zit het met de vluchtelingen die jullie zo graag “onder controle willen krijgen?” Horen jullie hun stem, of blijven jullie doof? Hoe zit het met de arbeiders in de lage-lonen-landen waarvan jullie T-shirts kopen, twaalf voor een tientje. Hoe zit het daarmee?

En hij scheldt op de mensen die het alles overstemmen met vroom gezang. Met klokgelui en zegenbedes. Dat velen met mij voor u bidden. Woe-dend wordt Amos. Jullie slaan jezelf op de borst. Omdat het geld groeit.

Maar het leger armen groeit ook. De aarde wordt ontwricht. Doe! Daar! Wat! Aan!

Maar ja, wie luistert er nou naar een keuterboertje uit Tekoa?

Niemand.

“God”, zegt het bijbelboek. God luistert naar keuterboertjes. En naar armen. En naar de machtelozen die opzij worden gedrukt. Hij luistert.

Ik had het kunnen weten. Drie woorden: Amos, boer, Tekoa.

Meer heeft de bijbel niet nodig om de vinger op de zere plek te leggen.

Advertenties

Natuur schepping? Dacht het niet.

 

De middeleeuwer wist het wel. Schepping: dat is de kruidentuin in de kloosterhof. In het midden van de wandelgangen waarin hij bad en mediteerde, schiep de monnik een wereld van orde. Vier kwarten, naar de vier windstreken, en daarin giftige, helende, nuttige en sierlijke gewassen, planten, kruiden en groenten. Alles geordend “naar hun aard”. Alles op de juiste plek.

Buiten de kloosterhof heersten chaos, wolven, ziekten, de plotselinge dood, honger, droogte, struikrovers, brand, botbreuken, demonen. Tohuwabohu.

De gedachte dat de natuur de schepping was, kwam eeuwen na hem op. In het hoofd van de dromerige edelman die in de wouden over de bergen het maanlicht zag schijnen en zich daar heel bijzonder bij ging voelen. Die genoeg geld had om het vanuit zijn jachthuis te bekijken.

Natuurlijk: de gelovige middeleeuwer was er van overtuigd dat hemel en aarde door God in elkaar waren geknutseld. Maar dat was niet het interessante. Interessant werd het pas, als die wereld voor de mens bewoonbaar werd.

Dat is ze niet van zichzelf, bewoonbaar. Dat ligt aan ons, vederloze, klauwloze, vachtloze wezens. En aan de wereld. Die moraalloze. gewetensloze werkelijkheid. Het kan de wereld niets schelen of er mensen wonen aan de kust.Ze gooit er gedachtenloos torenhoge golven zee over heen. En luistert niet, als mensen met hun laatste adem om genade roepen.

Het kan de wereld niet schelen, of er mensen wonen op de vulcaanhelling. Ze strooit er gedachtenloos meters kokende lava overheen. En luistert niet.

Schepping is wat zó geordend wordt, dat er te leven valt. Schepping is een toneel, getimmerd van het hout uit het bos, waarop ons leven wordt gespeeld.

Vóór ons huis geselt de regen in striemen de straat, vandaag. Achter ons huis ligt een tuin, door hoge hagen omgeven. De wind is er getemperd, de regen valt er met minder venijn. Daar kunnen rozen groeien. We snoeien dagelijks, wieden, zaaien, begieteren. Eén moment van onoplettendheid en de dood treedt de hof binnen. Laat de fuchsia haar bloemen vallen. Slaat het gras bruin uit.

Schepping is: dat de chaos niet alles overneemt. Omdat er een woord werd gevonden waar je mee verder kunt. God zei. Staat er in Genesis 1.  Mensen houden zich vast aan een plan, een orde. Iemand sprak woorden die je troostten. Iemand sprak woorden die je er van langs gaven. Iemand sprak woorden die je in beweging zetten. Jij zelf sprak woorden. En daar ging je.

Schepping is: je dacht na je echtscheiding: “Ik ga me bedrinken.” En maanden later kwam je tot de ontdekking, dat je toch was gaan opruimen. Je stopte op een ochtend de lege flessen in een krat en bracht ze weg. Naar de glasbak.

Het leven nam de ondergang over.En dat is een groot wonder. De monnik bouwde niet zonder reden de wandelgangen om zijn tuin. Het wonder omgeeft alles.

Schepping is: na elke oorlog staan weer mensen op die de rommel enigszins aan kant gaan brengen. Grafen delven voor de doden. Huizen bouwen voor de overlevenden. Monnikenwerk. Maar ze doen het.

Twee weken na een verwoestende orkaan over de Filippijnen, hadden de vissers aan de kust her en der al weer onderkomens neergezet van het afvalhout en gevonden puin. Aan één van de hutjes hing een kartonnetje. “Kauwgom te koop”,  stond er op. Kauwgom!

Het is de romanticus  die de zaak ging verwarren. Hij haalde schepping en natuur door elkaar. In zijn fatale vergissing te denken dat de aarde lief, goed, zacht en aardig is. De romanticus dacht, dat de zee hem een verhaal te vertellen had. De zee zegt niets, de zee zwijgt. En zelfs dat niet. De kijker, díe vertelt het verhaal.

Schepping is mensenwerk.

 

De onttoverde wereld.

zonOnze wereld is niet betoverd. Dat weten we al sinds Balthasar Bekker zijn boek daarover schreef. In de jaren ’90 van de zeventiende eeuw. Of, zo je wilt: je weet het sinds je een jaar of acht was. Bij ons vliegen er geen heksen rond, geen feeën, er worden geen toverspreuken over je uitgesproken, de zon wordt niet door gnomen gestolen in de avond en niet door hemelwezens teruggekruid in de ochtend. Bij ons botsen zwarte gaten op elkaar en gaan er zwaartekrachtgolven door de ruimte. Het is allemaal na te rekenen. Al het bestaande houdt zich aan vastgelegde wetmatigheden. Je wordt ziek van een virus, een bacil of een haperend gen. Maar nooit door een djinn.

Onze geschiedenis is ook onttoverd, inmiddels. De Oranjes zijn niet meer door welke-god-dan-ook gezonden, een aangespoelde walvis is geen teken meer van naderend onheil, de orkaan Kathrina geen straf op begane zonden. Het gaat zoals het gaat.

Het heeft ons veel gegeven. Ik ben niet bang meer voor een donker bos. Onder mijn bed ligt stof en geen monster. Diep, zwart water, vraagt van mij goede zwemskills, maar geen gebeden, angsten of brandende kaarsen. We zijn vrij geworden. En goddank, er worden geen vrouwen meer verbrand op verdenking van zwarte kunsten.

En toch is dit niet het hele verhaal. Ja, dat verbaast mij zelf ook. Wij weten wel dat de wereld onttoverd is, maar wij ervaren haar níet zo. Wij leven ook niet onttoverd. Het zou een gekke, gevaarlijke wereld worden, als we dat wel deden.

Als mijn dochter verliefd wordt, ben ik verrukt en verbaasd. Ik voel mij als vader ook gekwetst natuurlijk, want ìk was tot nu toe alles voor haar. Ik zal mij in mijn nieuwe rol moeten voegen. Ik vind het mooi en ik vind het moeilijk. Maar waar ik niet aan denk zijn hormonen, feronomen, voortplantingsdrift of wat er technisch ook maar bij komt kijken. De techniek van verliefd-zijn loopt mij zelfs ontzettend in de weg. Ze maakt het wonder tot een plattitude. Erger nog: de techniek ontneemt elke betekenis aan mijn dochter, aan haar verliefdheid. Aan mij. En aan mijn vaderschap. Die laatste was immers ook niet veel meer dan een optelsom van hormonen, voorplanting, genen.

Dat, om maar wat te noemen Ditriech Bonhoeffer op 8 april 1945 werd geëxecuteerd, een paar dagen voordat het kamp waar hij geïnterneerd zat bevrijd zou worden, is volstrekt toevallig. Het gebeurde. Omdat het gebeurde. Het is een betekenisloos feit.

Op 5 mei 1945 werd in de bossen van Leersum een familie tot de laatste zoon door Duitse Nazi’s vermoord. Zinloos. Betekenisloos.

Zo betekenisloos als de mus die eergisteren op onze tuintafel door een gaai werd doodgepikt en opgegeten.

Maar wie het hoort, wordt getroffen. Het is afschuwelijk, zeggen we. Het is onrechtvaardig, roepen we. Het kan niet. Dat iemand, terwijl vrijheid zó dichtbij was, vermoord werd. We horen er een oproep in, een stem, een tegenover dat ons uit balans trekt. Ik kan tenminste nooit Bonhoeffers vers

En wilt gij ons de bitt’re beker geven

met gal gevuld tot aan de hoogste rand

dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

aan uit uw goede, uw geliefde hand

zingen, zonder tranen.

Er is een frame, een intuïtie, een basisgen van mijn part (maar dat geloof ik niet), er is iets in ons, waardoor de dingen betekenis krijgen. Alsof er een prediktorpapiertje in ons huist dat bij sommige dingen uitslaat met een kring en bij andere dingen niet.

We lopen te hoop tegen een asielbeleid dat slachtoffers kost, of omgekeerd: dat ons te veel lijkt te kosten. Maar niemand zegt: mwah, asielbeleid, het zal me mijn derrière corroderen. In de onttoverde wereld, zou de laatste gelijk krijgen.

De intuïtie, het frame, of basisgen, ik zou het willen identificeren als God. Om het zichtbaar te maken, en bespreekbaar. Waar slaan wij op uit, en waarom?

De zon ging vuurrood, groot en rond onder, een paar dagen geleden. Ik reed naar huis. De laatste koeien stonden loom in de wei. Ik stopte, zette de auto aan de kant en keek. Het was betoverend.

 

Zinvol zinloos

95487-unbearable-lightness-of-being-quotes“Ja, ik ervaar mijn bijdrage aan het leven als zinvol. Mee eens, een beetje mee eens, neutraal, een beetje mee oneens, mee oneens”

Of ik het maar even wilde aanstrepen. Mijn pen bleef weifelend rondjes draaien rond de woorden “oneens”. Ik ben dominee. Geen heel goede, geen heel slechte. Maar zelfs al was ik de beste, wie zit er tegenwoordig op een dominee te wachten? Ik ben getrouwd, maar ik heb geen kinderen. Dus voor veel toekomst zorg ik ook niet. Ik heb geen mensen gered, geen steen in een rivier verlegd, ik ben geen revolutie begonnen. Ik ben er.

En daar is het dan mee gezegd.

Ik kon geen antwoord geven. Wat is zinvol? Is de bijdrage van de mensen met grote namen wel zinvol? Barack Obama? Angela Merkel? Ik bewonder ze. Min of meer. Maar is dat een bewijs van hun zinvolheid? Moet je over duizend jaar nog herinnerd worden? Mwah. Nero herinneren wij ons ook nog steeds. Maar of het nou zo zinvol is om mensen in de fik te steken, zoals hij deed? Of een stad af te branden en daar harp bij te spelen?

Ooit was ik jaloers op een leeftijdsgenoot. Hij was 24, gepromoveerd en had al drie klinkende, historische, studies op zijn naam staan. Ik zag hem onlangs weer. Nog altijd gepromoveerd. Nog altijd drie historische studies. Maar daarna? Niets. Niets bijzonders. Hij was getrouwd. En schreef nog steeds. Hij was net zo dik geworden als ik.

Dus.

We lazen uit de Hebreeënbrief. In dezelfde weken dat deze onmogelijke vraag werd gesteld. Een brief vol “waarom doen we dit eigenlijk?”. Vol: “Wat heeft dit voor zin?” Vol: “Zullen we er maar niet mee stoppen?”

Er zijn mensen die onder de onbenulligheid van hun leven bezwijken. Ik begrijp hen. Ik verdraag de ondraaglijke lichtheid van het bestaan niet. Niet zomaar.

De schrijfster van de Hebreeën doet iets geks. Ze zegt niet: “Oh, maar je bijdrage is ontzettend waardevol!”. Ze overtuigt mij niet van mijn fantastische aanwezigheid. Nergens een compliment. Daarin is ze zuiniger zelfs dan Paulus. Die kan, naast zijn kritiek, dan tenminste nog ergens zeggen: “Ik dank God voor jullie geloof.” Mevrouw Hebreeën dankt nergens voor.

Nergens? Nee. Ze slaat mij over en begint over een kosmologische werkelijkheid. Totaal niet op thema. Totaal op thema. Ze vertelt een verhaal zo groot als een mythe. Dat Jezus (verhip, niet ik, maar een ander) de Hogepriester van deze wereld is. En dat hij liefdevol is en goed en zuiver. Hij brengt het ultieme offer. Hij is zelf het ultieme offer.

Hij wel. Alle betekenis is er. Buiten jou. Zegt de schrijfster.

En ikzelf? Ach, gaat mevrouw Hebreeën opgewekt verder. Kijk, weet je. Dit is de hemelse hogepriester. De aardse hogepriesters, dat waren knullige persoonlijkheden, dat ben jij ook, knullig, geef maar toe. Dat geeft niet. Dat is mooi. Zo moet het zijn. Want zij konden zij zich daardoor inleven in jouw verdriet. En jij in dat van hen. Zij begrijpen jouw gemis. En jij dat van hen. Ze voelen zelf jouw kleinheid-waar-je-groot-had-willen-zijn. En jij dat van hen. En zo komt het goed. Waar je elkaar begrijpt, deelt de betekenis zich. Het zinvolle wordt aan jou verleend.

Ach, zegt ze nog een keer monter. Weet je. Er is eigenlijk een stróóm van knullige persoonlijkheden. Je bent niet alleen. Generatie op generatie. Abraham, Sara, David, Mozes, Deborah. Grote namen? Misschien. Maar dan vooral groot in klein-zijn. Veel grootsheid zagen zij niet. Veel grote dingen deden zij niet –

maar

in hun binnenste wisten zij: het is goed. Zij vertrouwden God.

Zij vertrouwden het grote verhaal. Ze droegen het verder. Ze werden er zelf onderdeel van.

 

Of mijn bijdrage zinvol is? Ik zet een kringel om “mee oneens”.

Ik kringel nog een keer: rondom “mee eens”

Ik ben er.

En dat is geweldig.

 

Want in mij vindt het eigenlijke een rustplaats,

zo lang ik er ben.

Vertrouw ik.

Alle kleine beetjes helpen. Toch?

Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde

 

God in Nederland, God uit Nederland?

kerk

Al een week staart het onderzoek “God in Nederland 2016” mij aan. Wat moet ik er van vinden, dat het aantal kerkelijk betrokkenen daalt? Dat “de Nederlandse cultuur niet christelijk meer is”, zoals commentaren overal melden. Moet ik het erg vinden? Moet ik er überhaupt een mening over hebben?

Ik weet het niet.

Ik deel niet in de opgewonden stemmen dat het secularisme nu gewonnen heeft. Ik deel evenmin in de opgetogen gedachte dat het nu beter wordt. Een samenleving zonder kerk is niet mijn wereld. Ik kijk er niet naar uit, dat de verhalen van Abraham, Rebekka, Mozes, Deborah, David, Jezus, Maria Magdalena, dat die uit onze samenleving verdwijnen.

Ik stond voor het enorme schilderij “Bathseba” van Rembrandt. Hij toonde haar met een brief in haar hand. En in haar ogen schilderde hij het ondeelbare moment tussen gevleid-zijn en gekrenkt-zijn. Gevleid dat David haar schrijft, gekwetst dat David haar schrijft. Ik dacht: “Maar wie verstaat dit schilderij nog, als we het verhaal niet meer kennen”?

Ik begrijp de opgewekte commentaren op het onderzoek niet.

Aan de andere kant: ik deel ook de treurnis niet.Ik heb niet de behoefte om te gaan roepen, “dat de kerk heeft gefaald” of “dat het nu allemaal anders moet”. Het is wat het is. Wie ogen en oren open heeft in de gemeentes weet al lang wat er gaande is. In mijn geboortedorp waren in mijn jeugd zes protestantse gemeentes. Over één daarvan schreef iemand vijftien jaar geleden in de Volkskrant, dat je op tijd moest zijn om er een zitplaats te kunnen vinden. Nu is nog één protestantse gemeente. En eentje die op het punt staat te scheuren of om te vallen. Dan valt een teruggang van vijftig procent in tien jaar nòg mee.

Raakt het me niet? Ja, het raakt me wel – de achteruitgang. Kerk is gemeenschap zijn, verbondenheid zoeken met mensen met wie je geen natuurlijke verbondenheid voelt, bruggen bouwen, door-één-deur-willen-gaan-met-wie-je-niet-zomaar-door-één-deur-gaat. Als er steeds minder zijn om mee door die deur te gaan, dan voelt dat op z’n minst vreemd.

En ja, ik stel me wel eens voor dat ik ooit als oud baasje in een verpleeghuis woon als een soort curiosum. “Dat is er nog één” “Goh, bestáán ze dan nog?” En dat dan niemand een idee heeft waar het in het christelijk geloof om ging. “Ze waren tegen homo’s, meen ik.” Het lokt me, opnieuw, niet aan.

Ergens anders raakt het me niet. En dat vind ik vreemd van mezelf. Zo veel mensen hebben gereageerd. Waarom ik niet?

Ik denk: “Er schijnen in Nederland ook heel weinig cricket-spelers te zijn. Maar ik heb niet de indruk dat hen dat stoort.” Ze spelen hun spel, ze hebben er plezier in. Ze hebben niet het idee dat hun spelregels er niet toe doen, omdat bijna niemand ze kent. Ze spelen en ze spelen precies. Waarom zou ik dan een big fuzz maken van een kleine kerk?

Ik begrijp wel: de kerk is geen cricketclub. De kerk heeft een verleden met veel leden. En in de kerk gaat het om waarheid. Kuch: de waarheid. Dat maakt het toch wat complexer.

Maar

dan hier de maar: ik heb nooit geloofd, dat de kerk een machtsfactor moest zijn. Ik huiver zelfs voor een kerk in een meerderheidspositie. Kerk en macht, dat wordt altijd narigheid. Een menselijke waarheid die met een kerkelijk stempel ineens de ene grote waarheid voor iedereen wordt. Nee, dank je wel.

Ik heb ook nooit geloofd, dat een samenleving “christelijk” moest zijn. Wat is een christelijke samenleving? Dat iedere man getrouwd is met één vrouw? Dat er regels worden opgesteld om iedereen “christelijk” te houden? Nogmaals: dank je.

Ik ben deelgenoot van de kerk om slechts één reden. Die reden heeft een naam: Jezus. Zijn direktheid en helderheid van leven raakt mij. Op een manier van: daar wil ik van leren. Ik wil mij koesteren in Zijn bestaan. Ik wil er door worden meegenomen en ik wil het zelf meenemen. Die band – die geraaktheid, volgens mij is dat wat de kerk tot kerk maakt. De Kerk is de kring van mensen die zich rondom Jezus verzamelen. Voor wie Zijn woord, handelen, verlangen,  en beminnen de waarheid is. En die dat met plezier en precisie willen leven.

Al het andere is slechts bijzaak. Dus óók hoe groot of hoe klein die kring is.

Bidden? Wat is dat nou weer?

Toen had iedereen een mening over bidden.

“Ze doen het alleen maar, zodat ze zichzelf beter kunnen voelen dan een ander”, schreef ene Betty uit Duitsland op Facebook. “Bidden is laf”, reageerde een ander. “Je moet niet bidden, je moet wat gaan doen.”, adviseerde Atheism 411. Charlie Hebdo liet één van zijn tekenfiguurtjes melden: “We hebben geen gebed nodig, wij willen champagne, dans, zoenen.” Zelfs de Dalai Lama, toch geen sufferd op religieus gebied, mengde zich in het debat: “Je moet niet naar een god gaan bidden. Mensen doen dit, mensen zullen het moeten oplossen.”

De aanleiding was “Pray for Paris”. De spontane oproep na de terreur in Parijs. “En”, zeiden we later: “for Bayrut and Mali”.

Het riep nogal wat emotie los. In één etmaal tijd was ik “onnozel”,  “iemand die niet van het leven houdt”, “een gevaarlijke gek”, “een achterlijke rand- enz”. Voor uw gemak, en voor het mijne, laat ik de seksuele abberaties waaraan ik volgens de reaguurders zou lijden maar achterwege. Want ja, ik bid.

En ik dacht dat atheïsten rationele, bedaarde mensen waren.

Zijn we allebei een illusie armer.

Aan Charlie Hebdo schreef ik trouwens: “Ik bid èn ik drink champagne. Mag dat ook?” Ik hoop, dat google-translate er geen raar verhaaltje van maakte. Dat het atheistisch front zich niet de krieken heeft gelachen omdat de vertaalmachine zegt: “Ik bid dat ik champagne zal krijgen” ofzo. Of erger nog: “Ik bid dat er geen champagne meer zijn zal.” Je weet het maar nooit. Never trust a machine.

Ik bid niet om champagne, omdat ik zo langzamerhand wel doorheb, dat God geen sinterklaas is. Dank u wel. Ik bid geen verlanglijstje bij elkaar. En ik bid al helemaal niet uit een soort levenshaat. Ik ben dol op het leven.

Bidden gaat helemaal niet over “je probleem afschuiven op een ander”. Bidden is wel: onder de indruk komen wat het probleem eigenlijk is. Tenminste: zo ervaar ik het. Ik word stil, omdat de dingen groter zijn dan ik. Onmogelijk, dat ik begrijp wat er in Parijs is gebeurd, laat staan in Beiroet, of Mali. Politici roepen wel, dat ze het weten, maar is dat zo? En wijzen zij iets zinnigs? De rapheid, waarmee van links tot rechts werd geroepen dat we nu “en guerre” zijn, doet mij vermoeden van niet. En dat we ook helemaal niet de bedoeling hebben om iets te begrijpen. Zij slaan ons, wij slaan hen. Klaar. En het doet er niet zo heel veel toe wie “zij” zijn. Welke “zij” we eigenlijk op het oog hebben. Als er maar terug geslagen wordt. Want “wij” worden bedreigd. Welke “wij” wij dan ook zijn. Ik sta altijd stom verbaasd, met wat voor snelheid mensen zich aaneen scharen na iets indrukwekkends. Met de buurman die ik gisteren nog niet aankeek en met wie ik niets gemeenschappelijk heb, ben ik vandaag een “wij”?  O? En met de islamiet verderop dan niet? O?

Bidden is voor alles: op een elegante manier tijd rekken. Die tijd hebben we nodig om te luisteren, tot bezinning te komen, de impact te horen. Bij de aanslag op de Twin Towers zei de tòenmalige president: “Ik weet niet wat ik zeggen moet, maar ik ben bang, dat als we over oorlog spreken, wij de verkeerde wapens oppakken.”

Vandaag werd een Russisch gevechtsvliegtuig door Turkije uit de lucht geschoten. Ik dacht terug aan de Chirac van toen.

“Tot tien tellen”,  zei mijn moeder. En dat zei ze, omdat kwaad worden heel gemakkelijk is, maar wijs blijven niet. Onze ziel zit raar in elkaar. Het is nodig om naar buiten te luisteren, maar net zo goed wil de ziel beluisterd worden. Wat is impuls, wat is waarheid, wat is echt en wat is dwaasheid.

En ja: ik geloof dat ergens in dat luisteren God zich meldt. Dat is ook mijn ervaring. En als ik God zeg, bedoel ik niet “een almachtig wezen dat het voor mij oplost”. Ik schrijf ook liever G’d. Iedere keer opnieuw zal G’d zichzelf tonen. Met een zekere diepzinnigheid zeggen de Bijbelse geschriften dat G’d “Ik-ben-die-ik-ben” heet. Je weet niet zomaar iets. Je weet pas als je het weet.

Ik bid misschien wel het meest, omdat ik hoop dat er een creativiteit loskomt. Dat we niet herhalen, wat we altijd al doen. Maar dat mensen een nieuwe taal vinden. Nieuwe gebaren.  Iets, zoals de islamiet die op de Place de la Republique ging staan met een blinddoek om: Je kunt mij doden, maar wil je mij ook vertrouwen, misschien?

Bidden is: sterk worden om vertrouwen te vinden.

En dan,

ja dan handelen.

Paus Fransiscus zei een paar maanden geleden: “Wanneer je bidt om recht, en je hebt je ogen weer open gedaan, dan ga je daarna het recht doen. Want zo werkt gebed.”

 

Mijn broer…

Als mijn broer in de penarie zat en hij zou bij mij aankloppen, dan nam ik hem zonder meer onder mijn hoede. In hem voelt het immers alsof ik zelf hulp nodig heb.

Als ik in het buitenland ben en een landgenoot komt in de problemen en ze verstaat de taal niet, dan schiet ik te hulp. Op z’n minst zou ik vragen “kan ik iets voor u doen?”. Haar taal, haar lichaamsbewegingen, haar manier van kijken: ik herken er het mijne in. Mijn taal. Mijn manier van doen. En dat verplicht.

Mensen zijn groepsdieren. Groepen vormen zich rondom herkenning. Ik meen eens gelezen te hebben dat we mensen met dezelfde naam elkaar vanzelf een stukje aardiger vinden dan een ander.

Ik ben dol op Sybrand Buma. Maar dat begreep je.

It’s what nature desires. Zorg voor hen die op je lijken.

Vanavond lazen we aan tafel een bizar gedeelte uit Marcus. De broers van Jezus en zijn moeder (zijn moeder! Je krijgt al weke knieën als je aan je moeder denkt) laten hem roepen. Marcus suggereert, dat ze zich zorgen om hem maken. Hij lijkt totaal de weg kwijt. De mensen zeggen: je familie zoekt je. En dan geeft Jezus een antwoord, dat de angst bevestigt. Hij is niet goed wijs. Jezus antwoordt: “Mijn broers? Mijn moeder? Wie zijn dat?”

Als een bezetene roept hij: “wie de wil van mijn vader doet. Die zijn mijn broers. En die is mijn moeder.”

Mijn natuur zegt: waanzin. Het is waanzin om je gelijken zo te schofferen.

Of is Jezus geniaal?

En verbreekt hij alle natuurlijke banden met opzet.

Rekt hij de mensenfamilie op?

Heeft Jezus gelijk dan word je een broer van iemand die in niets op jou lijkt.

Tinkebell deed een gek voorstel: geef tegenpolen dezelfde naam. Geef Geert Wilders de naam Mohammed erbij. En geef elke Mohammed de naam Geert erbij. Ze zullen iets voor elkaar gaan voelen, iets familiairs. Ze zullen zich verbonden voelen met elkaar en voor elkaar instaan. Tegenpolen worden één.

Ik vind Jezus geniaal. Ook als ik hem niet geniaal vind, vind ik hem geniaal. Dat heb ik lang geleden al besloten.

“De wil van de Vader” schuift hij over alle mensen heen. Alle mensen gaan elkaar herkennen.

Als mijn vader mijn vader is, dan ben jij een vreemde voor mij. Als jij dan bij mij aanklopt, houd ik mijn deur gesloten.  Vreemdelingen komen er van nature niet in. Kom je met honderd, duizend, drieduizend tegelijk, dan haal ik de brandspuit van de muur en spuit je van mijn stoep af. Ik heb ook nog wel een roestige handgranaat in mijn linnenkast. Voor als je blijft komen. Mijn huis is mijn huis. Mijn familie mijn familie. Je komt er niet in.

“God is je Vader” zegt Jezus. En ineens lijken we allemaal op elkaar. Gelukszoekers, vluchtelingen, luxe-boot-bezitters, angstigen achter de Europese grenzen. Er is geen ‘mijn huis’. Er is alleen ‘huis van de vader’. En daar woon jij dus ook.

Er klopt een broer aan je deur, Europa.

Er kloppen broers aan je deur.

Zusters

Moeders

ze lijken niet op je

ze zijn als jij.

Laat je ze niet binnen?

Ze zullen binnen komen.

ze zullen in je koelkast kijken en het lekkers er uit halen

ze zetten je TV aan

en gaan op de bank zitten

jouw bank

want dat is wat ze doen, broers

ze beschouwen jouw huis als hun huis.

En gelijk hebben ze.

Zelfontplooiïng zonder zorgen.

We leven in een rare, harde tijd.

Ogenschijnlijk is het alles hier zelf-ontplooiing en vrijheid. Maar als dat zo is,waarom lijken we dan allemaal zo verhipte veel op elkaar? Je zou denken, dat iedereen in een andere richting ontplooit, als er vrijheid is. Maar nee. Kinderen worden in dezelfde bakfietsen (is het Boobeloo? Zoiets) naar school gereden. We drinken rosé en prosecco. Allemaal. Gojibessen zijn niet aan te slepen. En elke aankoop van een huis beginnen we steevast met de sloop van de keuken en de badkamer. Je kunt op het toilet precies zien hoeveel jaar de bewoners hier al wonen.

We hebben onszelf normen opgelegd: zo-en-zo moet het er allemaal uitzien. Peilbare, voor anderen peilbare normen die zeggen: wij voldoen. Wij kunnen het allemaal bijbenen. Wij wel.

Rosé. Tsss. Tien jaar geleden wilde je er nog niet dood mee gevonden worden. Rosé was voor versleten oma’s.

Wanneer is het begonnen? Die exposure van ons geluk en ons succes? Facebook helpt erbij. Kijk mijn kind! Kijk mijn delicious food! Kijk mij op mijn sloep ( 80.000 euro) fijn door de Leidse grachten varen!

Ik zeg er niks over. Het is heerlijk. Rosé is heerlijk. De Leidse grachten zijn heerlijk. Prima. Fine with me.

Maar ik proef ook angst. Angst achter die nieuwe keuken. Angst dat we straks ineens niet meer meetellen. Dat het ons ineens niet helemaal gelukt blijkt. Je zou maar net Snor drinken, in plaats van prosecco (of is Snor nu juist weer überhip? Je weet maar nooit). Of, o foute boel, vandaag nog vet-cool zeggen. Zóóó 2010. Je valt door de mand, voor je het weet.

En door de mand vallen….

Stel dat de anderen zouden denken, dat je zelf ook maar wat doet. Je moet er niet aan denken.

Nu zijn dit zomerdingetjes. Soit. Keukens en badkamers vind ik trouwens al van een zwaardere neurose getuigen. Maar de ratrace om de juiste-school-voor-mijn-kind, de ratrace om de-juiste-carrière-voor-mij. De juiste partner. Het juiste huis op het juiste moment. De juiste, juiste, juiste.

Geluk en succes zijn niet langer aangename bijverschijnselen van het leven. Het zijn keiharde doelen geworden. We hebben een standaard hoog te houden. Met onze vakanties. Promoties. Aantallen “likes”. We zijn geworden, denk ik wel eens, wat we doen en wat we hebben. Onze keuken is onze identiteit.

En we hebben blijkbaar slechts één kans. Eén mogelijkheid om te stralen. Verkeken is verkeken.

De moderne religie: je bent wat je hebt bereikt. Je krijgt slechts één kans.

Woef.

Zelfontplooiing zou betekenen, dat het je allemaal geen snars zou kunnen schelen. Jij ontplooit. Geen mode kan je zeggen hoe je dat moet doen. Slechts één compas zou je kunnen schelen, en dat is je binnenkant en je buitenkant. En dat die twee met elkaar zouden corresponderen. Dat ik van buiten ben waarvan mijn binnenkant zegt: “zo kun je zijn”. Zelfontplooiing is een proces. Je vouwt uit. Zoals de Teunisbloem. Blad, voor blad. En kansen? Die zijn er net zo veel, als de keren dat je opnieuw begint.

Zelfontplooiïng is geen eis. Ze is een uitnodiging. Een vriendelijke uitnodiging.

Ik lees Paulus op het moment. Een zinnetje uit de brief aan de Korintiërs blijft steeds bij mij hangen: door genade ben ik wie ik ben. Ik klop even het dogmatische gruis uit het woord “genade”. Ik denk aan de Amsterdamse Joden en hun bargoens. “Gein” zeiden zei, waar in het hebreeuws ‘chen’ staat. Genade is een grapje. Een leuk geintje.

Mijn hoofd heeft Paulus in een eigen gedachte gezet: het is grappig dat ik ben die ik ben.

Als je dat kan zeggen, is er geen angst. Je bent dicht bij jezelf. En daarmee dicht bij God.

En dan mag je er van mij best een roseetje bij drinken.

Of Snor.

The queer God.

Als God nou die potentaat was die de norm stelt, dan zou ik het begrijpen. Begrijpen, dat een Zwitserse bisschop kwaad wordt over gendertheorieën (hier). Dat de Paus transgenders vergelijkt met atoomwapens. Dat keer op keer de Kerk zich te weer stelt tegen alles wat anders is, tegen alles wat afwijkt en wat zwak lijkt. Hoe lang heeft het geduurd, voordat de Kerk toegaf toch een beetje fout te zitten met haar oordeel over mensen met een andere huidskleur dan de witte? Het schaamrood vliegt je op de kaken.

Zulke goden zijn er wel, in de Bijbel. Goden die mensen in een keurslijf zetten. Als radertjes in een systeem. Maar ze komen nooit op in Israël. Goden-die-de-norm-stellen zijn die van Egypte. Of van Babel. Die twee. De landen van “angst” en van “dwang”.

In die historische gedaanten verschijnen werkelijkheden, die er nog altijd zijn. Als er een farao in een verhaal verschijnt, heeft het niet zo veel zin, om je af te vragen welke dat dan is en wanneer die dan leefde. En Nebukadnessar uit de Bijbel is evenmin de Nebukadnessar die we uit – schaarse- andere bronnen kennen. En nu we toch bezig zijn: ook Pontius Pilatus staat vooral voor een gang-van-zaken die nòg door mensen draaiende wordt gehouden. De teksten verlichten onze tijd. Niet het verleden.

In Egypte staan de goden ten dienste aan de heersende macht.  Fijn voor de mensen die er in mee kunnen draaien, fijn voor de edelen, voor de bewoners van het huis van Farao, fijn voor de machtigen. Maar de boer op zijn akkertje aan de Nijl vindt het iets minder fijn, allemaal.

Ik denk aan Japan met zijn shinto godsdienst. De priesters daar, en de keizer daar vormen van ouds een eenheid die de Staat houdt zoals de Staat in hun ogen altijd is geweest: hun tuin. En wie afwijkt…. subversieve elementen die verwijderd moeten worden.

Het is flauw te wijzen naar Japan. De tekst verlicht ons heden. Niet het heden van een ander. Nòg wordt vastgesteld door mensen “hoe het zou moeten”. De economie doet dat. De moraal doet dat. “Men” doet het.

Egypte is het “land van angst”, schrijft de theoloog Willem Barnard. En dit is wat angst met ons doet: we verdragen de nuance niet. We verdragen de veelheid niet. We willen duidelijkheid. En eenheid.

Angst jaagt ons naar de kracht.

In tijden van recessie korten we de uitkeringen. Maar de rijken laten we ongemoeid.

In tijden van dreiging, wordt de schuld op de zwaksten gedrukt. In 1672 stonden de Fransen aan onze grenzen. In Utrecht, en al gauw op vele plaatsen in de Nederlandse Provinciën braken rellen uit tegen (vermeende) homoseksuelen. In Faam werden 24 jonge mannen opgehangen. De “immoraliteit” moest weg. Dan zou de orde als vanzelf herstellen.

En het werkt nog. Vraag het Mugabe. Vraag het Putin.

Het is niet Egypte, het is niet Babel. Het is ook de economie niet.

Wij zijn het zelf. Die bij twijfel terugvallen in de vaste structuren. Die ons heil zoeken bij de sterkste. Bij de sterke man.

God, en dan spreken we over de God van Israël, doet aan angst en dwang niet mee. Toegegeven, dat was voor Israël ook een hele weg van vallen en opstaan, voordat het een beetje fatsoenlijk op papier kwam, maar het schemert steeds duidelijker: deze God staat aan de kant van de zwakke. Deze God schrijft zijn geschiedenis met de handen van hoeren, buitenlanders, achtergestelden, overspelers, moordenaars. Het is een dwaze God. Omdat Hij gelooft in de vrijheid van allen.

Ik wil de bijbel steeds – toch-  weer lezen. Ik overwin er mijn eigen Babel en mijn eigen Egypte mee. Mijn vooroordelen. Mijn jij-hoort-er-niet-bij-gedachten. Ik vind het van een ongelofelijke wijsheid, dat de verhalen uiteindelijk zeggen: als je iemand buitensluit, sluit je God buiten. En “God” is het codewoord voor de meest kostbare, voor de kern van het bestaan, voor “win-of-verlies-waar-het-in-je-leven-om-gaat.”

Toen de kerkelijke mensen begonnen te klappen, daar in Chur. Omdat de bisschop las: “Als een man samen met een andere man slaapt, zoals hij met een vrouw kan slapen, dan moeten beiden worden gestenigd.” Toen de mensen daar applaudisseerden, omdat hij zei: “Voldoende antwoord op de vraag of homoseksualiteit ooit bij het geloof zou kunnen passen.”, toen sloop God, volgens mij, de kerk uit.

Hij vertrok.

Hij vertrok naar Amsterdam.

Zo dwars is God wel.