Geneigd tot alle kwaad, of hoe zit dat nou?

“Alle regels worden op een bepaald moment wel door iemand overtreden”,  schreef Beatrijs Ritsema als troost aan iemand die zich stoorde aan wildplassende mannen. Nu zie ik nooit een man zomaar zijn blaas tegen boom of muur legen, nou ja vooruit: een enkele keer langs de kant van de weg ofzo, maar briefschrijfster (ja, sorry mijn negentiende eeuwse hoofd denkt toch die kant op) had de indruk dat het wildplassen tsunami-achtige vormen begon aan te nemen. “Kun je niet tegen houden”, was het korte, droge commentaar van Beatrijs (hier)

Ik vond het wel mooi. Vooral, omdat ze in een notendop ons menselijk probleem bij de kop had. “Zo zit de mensheid in elkaar”, voegde ze er aan toe. Ik dacht: “zie nou, zondag 3, 4 en 5 in één regel samengevat”. Bert Keizer zou zeggen: “We zijn niet de leukste diersoort, helaas.”

Maar is het ook waar? Ik bedoel: ja – mensen zijn tot alles in staat wat gruwelijk is. Zesmiljoen keer zag de mensheid er geen enkel been in om een jood of jodin te vermoorden. Pol-Pot, Stalin en Mao vermoordden maar liefst twee honderd miljoen keer een mens. Twee! Honderd! Miljoen! Keer! De “War on terror” kostte 700.000 levens. En dan zwijg ik maar over de 6,6 miljard dollar die er mee gemoeid is tot nog toe. Of toch niet helemaal, ik zwijg niet helemaal: zouden de VS er nou niet iets leukers mee hebben kunnen doen? Iets waarmee ze zich populair hadden gemaakt in het Midden-Oosten? Ik weet niet: gratis wifi voor iedereen, ofzo. Of drinkwater, schoon drinkwater voor alle dorpen op alle plaatsen in de wereld? Had vast geen 6,6 miljard gekost. Maar nee. “We” kozen ervoor om met dit geld mensen dood te schieten. Ha fijn.

Dus ja: de mens als zodanig is geneigd alles te doen wat je maar kunt verzinnen aan narigheid. Goed doen lijkt wel pijn te doen.

Of niet? Vanmorgen een verhaaltje in de krant (die Wakkere voor Heel Nederland). Een man van in de negentig verloor zijn inkomen, doordat zijn dochter – die nog kon werken- gestorven was. Hij moest van pure armoe de straat op met een ijscokarretje. Ik ga even voorbij aan de treurigheid van deze feiten. Het gaat mij hier om: een voorbijganger zag hem en kocht zijn hele dagvoorraad. Ijscoverkoper in tranen, zo blij. Maar daar bleef het niet bij. De voorbijganger vond, terecht, dat oude mensen lekker in het zonnetje moesten kunnen zitten, al dan niet achter de geraniums en postte er iets over op Fb. Feestboek, inderdaad. Hij dacht drieduizend dollar op te halen. Binnen een niet eens zo lange tijd stond er 320.000 dollar op de rekening. De oude man hoeft nooit meer de straat op met een ijswagentje.

Zo héél beroerd is de mens dus ook weer niet. Tenzij de FB-mijnheer de 320.000 dollar in zijn eigen zak steekt. Wat niet uitgesloten is “want zo zit de mensheid in elkaar”.

Of toch niet? Zitten wij alleen maar zo in elkaar als we ons onbespied wanen? Als we denken “niemand kijkt”? Of als we ons, zoals Pol-Pot, of Mao, onaantastbaar wanen “ik heb er recht op, dit komt mij toe?” Ik vraag maar eens wat. Ik weet het niet helemaal zeker.

Paulus zegt, dat de rottigheid onze natuur is (Paulus was een ietwat late leerling van Jezus). Maar goed hij had dan ook zèlf mensen laten vermoorden. Ik snap dat hij dat van zichzelf vond. En ik herken het.

Ik herken het ook weer niet. Ik vind de meeste mensen eigenlijk best leuk. Ze hebben wel eens iets stekeligs. Maar om nou te zeggen: “alle mensen die ik ken zijn de hele dag maar bezig slecht te doen”. Nee.

Nog niet zo lang geleden zei een vader van een zieke dochter “je wilt niet geloven hoeveel aardige mensen er zijn”. Hij had veel hulp gekregen. Soms werkelijk onvoorstelbaar lieve, leuke en mooie hulp.

Misschien spreken we elkaar te weinig aan op elkaars mooie, leuke en aardige kanten? Als er altijd maar tegen je gezegd wordt dat je een naarling bent, ja dan word je er ook wel een. Al was het maar uit stille wraak.

Misschien moeten we eens een soort gekozen naiviteit aannemen? Dat we de ander bezien en benaderen als een leuk mens. Met mogelijkheden. En creativiteit. En leukigheid. Dat we zeggen: Elk mens is leuk. Zelfs niet-leuke mensen hebben iets leuks.

Ik zag vorige week iets bijzonders. Het duurde slechts een paar seconden. Midden in dat verschrikkelijke, mislukte, hanepikkerige gesprek van Jeroen Pauw met de vloggers uit Zaandam, zei raadslid Juliëtte Rot: “Ik zie in jullie groep zo veel talent, rappers, mensen met scholing, doe daar iets mee!”  Toen viel het gesprek heel even stil. De vlogger-zonder-bril glimlachte flauwtjes. Rot zag en benoemde: “Hej, je bent zó’n leuk iemand!”

Daarna brak het wantrouwen weer uit. Want tsja, de mens is nu eenmaal geneigd,

of niet?

Het is maar wat je vrij noemt, natuurlijk

Christenen zijn onvrije mensen! Zo veel zei minister Schippers bij de H.J. Schoo-lezing afgelopen maandag. Eigenlijk ging het haar niet om christenen, maar om – je kunt het raden- moslims. Dat zei ze dan weer niet zo, want dat klinkt dan meteen weer of je discrimineert. En de minister is een moderne vrouw, dus zei ze: “dat mensen hun levens laten voorschrijven door Bijbel of Koran”. Ze kon er met haar hoofd niet bij. Ze had trouwens gedacht, dat het wel uitgestorven was, zo langzamerhand. Het geloof.

Van moslims weet ik niet zo veel. Maar dat wij onvrij zijn,  dat had Schippers dan en passant toch wel goed gezien. Ik denk niet dat ze weet wie Paulus is. Doet er ook niet toe. Paulus heeft zelf geschreven:”Wij zijn gevangenen.” Niet van de bijbel als zodanig, die was er nog helemaal niet in de dagen van Paulus en ook wij zijn geen gevangenen van de Bijbel. Wij zijn gevangen van Christus Jezus. Je kunt het vinden in een brief die Paulus rond het jaar zestig schreef aan Christenen die in Efeze woonden. Hoofdstuk drie en vier. Die hoofdstukindeling is dan weer niet van hem, maar reuze handig voor ons, lezers tweeduizend jaar later. Paulus liet het met nogal fierheid neerpennen. Hij vindt het zijn roeping om “gevangene van de Heer” te zijn. Dus

“Zie je wel?”, reageert de minister nu denkbeeldig. Jullie zijn gevangen. En ze denkt van zichzelf dat zíj vrij is.

Beetje gek is die laatste gedachte wel. Want de vrije minister Schippers ziet er toch opvallend duidelijk uit als een, ehm, seculiere, Nederlandse vrouw uit de eenentwintigste eeuw. Ze draagt geen Volendamse muts, ze loopt niet in een tuinbroek, ze heeft geen corset aan, en ze zegt geen dingen als “de man is de kostwinner van het huisgezin”, en ook geen dingen die zó nieuw zijn dat niemand ze snapt, dus ergens heeft zij haar opvattingen ook “van buitenaf”.  En past ze in een cultuur. Ik weet niet of je vrij bent, wanneer je in je blootje de vergaderzaal van de Tweede Kamer binnen rent. Ik weet wel dat mevrouw Schippers dit niet zou doen. Je hebt je fatsoen, je denkt aan anderen. Je gaat “met je tijd mee” (die komt niet van buitenaf?)  en je schuift met de PVV mee naar rechts. Hoe vrij is vrij?

Paulus maakt trouwens een geintje. Hij zìt gevangen op het moment dat hij schrijft. Ik bedoel: echt gevangen. Achter een dikke deur, een bewaker en achter tralies. Dat komt omdat hij Christen is en, nou ja beetje lang verhaal: omdat hij Christen is, heeft de staat hem gevangen gezet. Zo veel is duidelijk. “Maar ik ben geen gevangene van de staat”, knipoogt Paulus, doodleuk: “Ik ben gevangene van de Heer” En dat is heel andere koek. Die gedachte maakt Paulus vrij. Vrij om naar Efeze te schrijven, alsof hij naar hen onderweg is. Vrij om te bidden. Vrij om te hopen. Vrij in zijn hoofd. In zijn handelen.

Negentienhonderd jaar ná hem zit Bonhoeffer gevangen. Ook een Christen. In een kamp, waarvan hij weet, of in elk geval vermoedt, dat hij er niet meer levend uit zal komen. Hij schrijft aan zijn verloofde, die misschien iets minder door heeft wat er staat te gebeuren, dat hij elke dag in zijn bijbel zit te lezen. En hij schrijft hoe vrij hem dat maakt. Als hij uit zijn cel wordt gelaten om gelucht te worden, heeft hij medelijden met zijn bewakers, beweert hij frank en vrij. “Zij”, schrijft hij:  “zitten gevangen in het systeem.” Bonhoeffer niet. Bonhoeffer is vrij. Zijn ziel kunnen zij niet raken. Andere gevangenen zeggen verbaasd:  “Wij vragen ons af wie nu de echte gevangene is, Bonhoeffer, of zijn bewakers.”

De gevangenschap van Christus maakt vrij. Vrij van angst, vrij van schaamte, vrij van jezelf. Bonhoeffer was zó vrij, dat hij zijn bewakers de hand kon schudden en hen lief kon hebben.

Kijk dat zou ik mevrouw Schippers nou wel willen toewensen. Dat ze uit haar eigen wereldje stapt. En leert lief hebben wat haar volslagen vreemd voorkomt. Vooral als ze weer eens over “de Moslims” begint.

De onttoverde wereld.

zonOnze wereld is niet betoverd. Dat weten we al sinds Balthasar Bekker zijn boek daarover schreef. In de jaren ’90 van de zeventiende eeuw. Of, zo je wilt: je weet het sinds je een jaar of acht was. Bij ons vliegen er geen heksen rond, geen feeën, er worden geen toverspreuken over je uitgesproken, de zon wordt niet door gnomen gestolen in de avond en niet door hemelwezens teruggekruid in de ochtend. Bij ons botsen zwarte gaten op elkaar en gaan er zwaartekrachtgolven door de ruimte. Het is allemaal na te rekenen. Al het bestaande houdt zich aan vastgelegde wetmatigheden. Je wordt ziek van een virus, een bacil of een haperend gen. Maar nooit door een djinn.

Onze geschiedenis is ook onttoverd, inmiddels. De Oranjes zijn niet meer door welke-god-dan-ook gezonden, een aangespoelde walvis is geen teken meer van naderend onheil, de orkaan Kathrina geen straf op begane zonden. Het gaat zoals het gaat.

Het heeft ons veel gegeven. Ik ben niet bang meer voor een donker bos. Onder mijn bed ligt stof en geen monster. Diep, zwart water, vraagt van mij goede zwemskills, maar geen gebeden, angsten of brandende kaarsen. We zijn vrij geworden. En goddank, er worden geen vrouwen meer verbrand op verdenking van zwarte kunsten.

En toch is dit niet het hele verhaal. Ja, dat verbaast mij zelf ook. Wij weten wel dat de wereld onttoverd is, maar wij ervaren haar níet zo. Wij leven ook niet onttoverd. Het zou een gekke, gevaarlijke wereld worden, als we dat wel deden.

Als mijn dochter verliefd wordt, ben ik verrukt en verbaasd. Ik voel mij als vader ook gekwetst natuurlijk, want ìk was tot nu toe alles voor haar. Ik zal mij in mijn nieuwe rol moeten voegen. Ik vind het mooi en ik vind het moeilijk. Maar waar ik niet aan denk zijn hormonen, feronomen, voortplantingsdrift of wat er technisch ook maar bij komt kijken. De techniek van verliefd-zijn loopt mij zelfs ontzettend in de weg. Ze maakt het wonder tot een plattitude. Erger nog: de techniek ontneemt elke betekenis aan mijn dochter, aan haar verliefdheid. Aan mij. En aan mijn vaderschap. Die laatste was immers ook niet veel meer dan een optelsom van hormonen, voorplanting, genen.

Dat, om maar wat te noemen Ditriech Bonhoeffer op 8 april 1945 werd geëxecuteerd, een paar dagen voordat het kamp waar hij geïnterneerd zat bevrijd zou worden, is volstrekt toevallig. Het gebeurde. Omdat het gebeurde. Het is een betekenisloos feit.

Op 5 mei 1945 werd in de bossen van Leersum een familie tot de laatste zoon door Duitse Nazi’s vermoord. Zinloos. Betekenisloos.

Zo betekenisloos als de mus die eergisteren op onze tuintafel door een gaai werd doodgepikt en opgegeten.

Maar wie het hoort, wordt getroffen. Het is afschuwelijk, zeggen we. Het is onrechtvaardig, roepen we. Het kan niet. Dat iemand, terwijl vrijheid zó dichtbij was, vermoord werd. We horen er een oproep in, een stem, een tegenover dat ons uit balans trekt. Ik kan tenminste nooit Bonhoeffers vers

En wilt gij ons de bitt’re beker geven

met gal gevuld tot aan de hoogste rand

dan nemen wij hem dankbaar zonder beven

aan uit uw goede, uw geliefde hand

zingen, zonder tranen.

Er is een frame, een intuïtie, een basisgen van mijn part (maar dat geloof ik niet), er is iets in ons, waardoor de dingen betekenis krijgen. Alsof er een prediktorpapiertje in ons huist dat bij sommige dingen uitslaat met een kring en bij andere dingen niet.

We lopen te hoop tegen een asielbeleid dat slachtoffers kost, of omgekeerd: dat ons te veel lijkt te kosten. Maar niemand zegt: mwah, asielbeleid, het zal me mijn derrière corroderen. In de onttoverde wereld, zou de laatste gelijk krijgen.

De intuïtie, het frame, of basisgen, ik zou het willen identificeren als God. Om het zichtbaar te maken, en bespreekbaar. Waar slaan wij op uit, en waarom?

De zon ging vuurrood, groot en rond onder, een paar dagen geleden. Ik reed naar huis. De laatste koeien stonden loom in de wei. Ik stopte, zette de auto aan de kant en keek. Het was betoverend.

 

Zinvol zinloos

95487-unbearable-lightness-of-being-quotes“Ja, ik ervaar mijn bijdrage aan het leven als zinvol. Mee eens, een beetje mee eens, neutraal, een beetje mee oneens, mee oneens”

Of ik het maar even wilde aanstrepen. Mijn pen bleef weifelend rondjes draaien rond de woorden “oneens”. Ik ben dominee. Geen heel goede, geen heel slechte. Maar zelfs al was ik de beste, wie zit er tegenwoordig op een dominee te wachten? Ik ben getrouwd, maar ik heb geen kinderen. Dus voor veel toekomst zorg ik ook niet. Ik heb geen mensen gered, geen steen in een rivier verlegd, ik ben geen revolutie begonnen. Ik ben er.

En daar is het dan mee gezegd.

Ik kon geen antwoord geven. Wat is zinvol? Is de bijdrage van de mensen met grote namen wel zinvol? Barack Obama? Angela Merkel? Ik bewonder ze. Min of meer. Maar is dat een bewijs van hun zinvolheid? Moet je over duizend jaar nog herinnerd worden? Mwah. Nero herinneren wij ons ook nog steeds. Maar of het nou zo zinvol is om mensen in de fik te steken, zoals hij deed? Of een stad af te branden en daar harp bij te spelen?

Ooit was ik jaloers op een leeftijdsgenoot. Hij was 24, gepromoveerd en had al drie klinkende, historische, studies op zijn naam staan. Ik zag hem onlangs weer. Nog altijd gepromoveerd. Nog altijd drie historische studies. Maar daarna? Niets. Niets bijzonders. Hij was getrouwd. En schreef nog steeds. Hij was net zo dik geworden als ik.

Dus.

We lazen uit de Hebreeënbrief. In dezelfde weken dat deze onmogelijke vraag werd gesteld. Een brief vol “waarom doen we dit eigenlijk?”. Vol: “Wat heeft dit voor zin?” Vol: “Zullen we er maar niet mee stoppen?”

Er zijn mensen die onder de onbenulligheid van hun leven bezwijken. Ik begrijp hen. Ik verdraag de ondraaglijke lichtheid van het bestaan niet. Niet zomaar.

De schrijfster van de Hebreeën doet iets geks. Ze zegt niet: “Oh, maar je bijdrage is ontzettend waardevol!”. Ze overtuigt mij niet van mijn fantastische aanwezigheid. Nergens een compliment. Daarin is ze zuiniger zelfs dan Paulus. Die kan, naast zijn kritiek, dan tenminste nog ergens zeggen: “Ik dank God voor jullie geloof.” Mevrouw Hebreeën dankt nergens voor.

Nergens? Nee. Ze slaat mij over en begint over een kosmologische werkelijkheid. Totaal niet op thema. Totaal op thema. Ze vertelt een verhaal zo groot als een mythe. Dat Jezus (verhip, niet ik, maar een ander) de Hogepriester van deze wereld is. En dat hij liefdevol is en goed en zuiver. Hij brengt het ultieme offer. Hij is zelf het ultieme offer.

Hij wel. Alle betekenis is er. Buiten jou. Zegt de schrijfster.

En ikzelf? Ach, gaat mevrouw Hebreeën opgewekt verder. Kijk, weet je. Dit is de hemelse hogepriester. De aardse hogepriesters, dat waren knullige persoonlijkheden, dat ben jij ook, knullig, geef maar toe. Dat geeft niet. Dat is mooi. Zo moet het zijn. Want zij konden zij zich daardoor inleven in jouw verdriet. En jij in dat van hen. Zij begrijpen jouw gemis. En jij dat van hen. Ze voelen zelf jouw kleinheid-waar-je-groot-had-willen-zijn. En jij dat van hen. En zo komt het goed. Waar je elkaar begrijpt, deelt de betekenis zich. Het zinvolle wordt aan jou verleend.

Ach, zegt ze nog een keer monter. Weet je. Er is eigenlijk een stróóm van knullige persoonlijkheden. Je bent niet alleen. Generatie op generatie. Abraham, Sara, David, Mozes, Deborah. Grote namen? Misschien. Maar dan vooral groot in klein-zijn. Veel grootsheid zagen zij niet. Veel grote dingen deden zij niet –

maar

in hun binnenste wisten zij: het is goed. Zij vertrouwden God.

Zij vertrouwden het grote verhaal. Ze droegen het verder. Ze werden er zelf onderdeel van.

 

Of mijn bijdrage zinvol is? Ik zet een kringel om “mee oneens”.

Ik kringel nog een keer: rondom “mee eens”

Ik ben er.

En dat is geweldig.

 

Want in mij vindt het eigenlijke een rustplaats,

zo lang ik er ben.

Vertrouw ik.

Alle kleine beetjes helpen. Toch?

Bidden? Wat is dat nou weer?

Toen had iedereen een mening over bidden.

“Ze doen het alleen maar, zodat ze zichzelf beter kunnen voelen dan een ander”, schreef ene Betty uit Duitsland op Facebook. “Bidden is laf”, reageerde een ander. “Je moet niet bidden, je moet wat gaan doen.”, adviseerde Atheism 411. Charlie Hebdo liet één van zijn tekenfiguurtjes melden: “We hebben geen gebed nodig, wij willen champagne, dans, zoenen.” Zelfs de Dalai Lama, toch geen sufferd op religieus gebied, mengde zich in het debat: “Je moet niet naar een god gaan bidden. Mensen doen dit, mensen zullen het moeten oplossen.”

De aanleiding was “Pray for Paris”. De spontane oproep na de terreur in Parijs. “En”, zeiden we later: “for Bayrut and Mali”.

Het riep nogal wat emotie los. In één etmaal tijd was ik “onnozel”,  “iemand die niet van het leven houdt”, “een gevaarlijke gek”, “een achterlijke rand- enz”. Voor uw gemak, en voor het mijne, laat ik de seksuele abberaties waaraan ik volgens de reaguurders zou lijden maar achterwege. Want ja, ik bid.

En ik dacht dat atheïsten rationele, bedaarde mensen waren.

Zijn we allebei een illusie armer.

Aan Charlie Hebdo schreef ik trouwens: “Ik bid èn ik drink champagne. Mag dat ook?” Ik hoop, dat google-translate er geen raar verhaaltje van maakte. Dat het atheistisch front zich niet de krieken heeft gelachen omdat de vertaalmachine zegt: “Ik bid dat ik champagne zal krijgen” ofzo. Of erger nog: “Ik bid dat er geen champagne meer zijn zal.” Je weet het maar nooit. Never trust a machine.

Ik bid niet om champagne, omdat ik zo langzamerhand wel doorheb, dat God geen sinterklaas is. Dank u wel. Ik bid geen verlanglijstje bij elkaar. En ik bid al helemaal niet uit een soort levenshaat. Ik ben dol op het leven.

Bidden gaat helemaal niet over “je probleem afschuiven op een ander”. Bidden is wel: onder de indruk komen wat het probleem eigenlijk is. Tenminste: zo ervaar ik het. Ik word stil, omdat de dingen groter zijn dan ik. Onmogelijk, dat ik begrijp wat er in Parijs is gebeurd, laat staan in Beiroet, of Mali. Politici roepen wel, dat ze het weten, maar is dat zo? En wijzen zij iets zinnigs? De rapheid, waarmee van links tot rechts werd geroepen dat we nu “en guerre” zijn, doet mij vermoeden van niet. En dat we ook helemaal niet de bedoeling hebben om iets te begrijpen. Zij slaan ons, wij slaan hen. Klaar. En het doet er niet zo heel veel toe wie “zij” zijn. Welke “zij” we eigenlijk op het oog hebben. Als er maar terug geslagen wordt. Want “wij” worden bedreigd. Welke “wij” wij dan ook zijn. Ik sta altijd stom verbaasd, met wat voor snelheid mensen zich aaneen scharen na iets indrukwekkends. Met de buurman die ik gisteren nog niet aankeek en met wie ik niets gemeenschappelijk heb, ben ik vandaag een “wij”?  O? En met de islamiet verderop dan niet? O?

Bidden is voor alles: op een elegante manier tijd rekken. Die tijd hebben we nodig om te luisteren, tot bezinning te komen, de impact te horen. Bij de aanslag op de Twin Towers zei de tòenmalige president: “Ik weet niet wat ik zeggen moet, maar ik ben bang, dat als we over oorlog spreken, wij de verkeerde wapens oppakken.”

Vandaag werd een Russisch gevechtsvliegtuig door Turkije uit de lucht geschoten. Ik dacht terug aan de Chirac van toen.

“Tot tien tellen”,  zei mijn moeder. En dat zei ze, omdat kwaad worden heel gemakkelijk is, maar wijs blijven niet. Onze ziel zit raar in elkaar. Het is nodig om naar buiten te luisteren, maar net zo goed wil de ziel beluisterd worden. Wat is impuls, wat is waarheid, wat is echt en wat is dwaasheid.

En ja: ik geloof dat ergens in dat luisteren God zich meldt. Dat is ook mijn ervaring. En als ik God zeg, bedoel ik niet “een almachtig wezen dat het voor mij oplost”. Ik schrijf ook liever G’d. Iedere keer opnieuw zal G’d zichzelf tonen. Met een zekere diepzinnigheid zeggen de Bijbelse geschriften dat G’d “Ik-ben-die-ik-ben” heet. Je weet niet zomaar iets. Je weet pas als je het weet.

Ik bid misschien wel het meest, omdat ik hoop dat er een creativiteit loskomt. Dat we niet herhalen, wat we altijd al doen. Maar dat mensen een nieuwe taal vinden. Nieuwe gebaren.  Iets, zoals de islamiet die op de Place de la Republique ging staan met een blinddoek om: Je kunt mij doden, maar wil je mij ook vertrouwen, misschien?

Bidden is: sterk worden om vertrouwen te vinden.

En dan,

ja dan handelen.

Paus Fransiscus zei een paar maanden geleden: “Wanneer je bidt om recht, en je hebt je ogen weer open gedaan, dan ga je daarna het recht doen. Want zo werkt gebed.”

 

Twee manieren.

Vroeger vond ik het wel een bruikbare indeling: die van de gelovigen aan de ene en ongelovigen aan de andere kant. De eerste groep, leek mij, had zelfs een streepje voor. De gelovigen begrepen iets van de wereld. Van God. Van Jezus. Dus ja: ook ik heb geëvangeliseerd. Toen ik nog jong, slank en simpel was.

“Gedenk de zonde van mijn jeugd niet”, zingt een psalm. Met de jaren bleken de antwoorden die ik had, helemaal niet mijn antwoorden te zijn. Ik wilde bij een groep horen. Een groep van “zeker-weten”. Dat hield veel innerlijke angsten op een afstand. Het maakte ook keuzes gemakkelijk.

Ik geloofde niet dat “God de wereld in zes dagen had geschapen”, om maar wat te noemen. Ik geloofde evenmin dat het huwelijk uitsluitend voor één man met één vrouw is, om nog even iets anders te noemen. Ik wilde het graag geloven. Ik wilde het zó graag geloven, dat ik spéélde alsof ik het geloofde. Mijn spel was overtuigend. Ik geloofde het zelf.

Ik geloofde dat ik het geloofde.

Om die acteur te kunnen blijven, had ik publiek nodig. “De ongelovigen”. Ik dacht, dat zij het evangelie nodig hadden. Het was anders: ik had hen nodig. Als ik zou ophouden op de waarheden de hameren, dan zouden ze uit elkaar vallen.

Zo kijk ik er nu naar:

Ik had zekerheden nodig om niet uit elkaar te vallen. Ik had publiek nodig, zodat mijn zekerheden op hun beurt niet uit elkaar zouden vallen.

Ze vielen natuurlijk toch.

Je innerlijk is sterker dan alles van buitenaf. Ik viel om. En mijn waarheden vielen met mij.

Ik doe het nu al decennia met vragen. En nee: de vraag, of God bestaat, is daarbij voor mij niet de belangrijkste. Ook helemaal niet zo’n interessante vraag. Ik ben christen. Dat is wie ik ben. Dus ik neem een aantal dingen als bagage mee. Als uitgangspunten. God is zo’n uitgangspunt.

Uitgangspunt van vragen. Zoals: Wie ben ik? Wat doe ik hier? Wat is van belang? Wie zijn anderen? Wie ben ik voor hen en wie zijn zij voor mij? Vragen die nooit ophouden.

Ze houden je niet bij elkaar. Nee. Maar ze houden je wel op weg. Je beweegt door het bestaan. Met je onzekerheden. De onzekerheden steken als vraagtekens in je ziel. En jij, ik, wij stumperen onze antwoorden bij elkaar. Die dan weer uit elkaar vallen tot een nieuwe vraag.

Ik heb nog wel een indeling, trouwens, van mensen. Misschien ben ik nog steeds evangeliserend. Ook al evangeliseer ik vandaag-de-dag de twijfel.

Je hebt mensen, zoals mijn jonge ik. Vol van hun zekerheden. Het doet er niet toe waar zij die aan ontlenen. Aan hun moeder, de wetenschap, de Mayakalender, de Bijbel, de wichelroede. Er is een soort mensen, dat heel precies weet wat alles zeggen wil en hoe het in elkaar zit. Ik kijk wel eens naar zulke mensen. Het is echt een soort persoonlijkheid. Ik verbaas mij. Zouden zij zelf geloven wat ze zeggen? De mensen die zichzelf bij elkaar houden.

Zo’n Paul Witteman (lekker, als je je opponenten ken). Als die zegt, dat hij niet in wonderen gelooft. Gelooft hij dat nou zelf? Ik denk dan vertwijfeld: dat er een heelal bestaat, onmeetbaar voor ons, dat het rond is, geen begin en geen einde kent en toch uitdijt; dat in dat heelal een bolletje hangt dat je nauwelijks terugvindt tussen miljarden andere bolletjes; dat op dat bolletje leven is, watervlooien, paarden, olifanten, koekoeksbloemen, mensen; en dat tussen al dat leven iemand rondloopt die “Paul Witteman” heet? Is dat alles niet zó belachelijk absurd, dat je het gerust een wonder kunt noemen?

Ik vraag maar eens wat.

Alle mensen hebben, denk ik, een pakketje geloof in huis. Goed, niet iedereen zal vertrouwd zijn met “wandelen over water”, of “blinden die weer kunnen zien”. Dat snap ik. Maar ergens leven we allemaal met een aantal aannames, die we verder niet bevragen.

Dat we hier zijn “om iets voor een ander te betekenen”, bijvoorbeeld. Of “dat je respekt voor elkaar dient te hebben.” Ook niet te bewijzen waarom dat zou moeten. Maar we vinden allemaal van wel. Op een enkele hork na dan, misschien. Maar die meent iets, denkt iets, houdt iets voor waar.

Gelovigen en ongelovigen, ik doe er niet meer aan.

Wel aan zeker-weters, en twijfelaars. Mensen die zichzelf vasthouden en mensen onderweg. Met als onderafdeling: gevaarlijke en ongevaarlijke.

Een IS-soldaat is een gevaarlijke. Gevaarlijke zeker-weter. Dat vindt ‘ie fijn. Hij wil een gevaarlijke zijn. Hij wil dat wij bang zijn voor zijn zekerheid. Nou vertik ik dat laatste. Ik laat mij niet gekmaken. Maar ik zou hem, en daarmee ook onszelf, wel een beetje twijfel gunnen. Gewoon: dat hij zou zien hoe verschrikkelijk het is een ander de strot af te snijden. En hij aan de zin er van zou twijfelen. Even.

Christen-gekkies zijn, nou ja: vaak aandoenlijk. Soms onnozel. Een enkele keer ronduit ergerlijk. Maar ik zou het hen zo gunnen – twijfel. En daarmee groeikracht. Dat het leven veel en veel rijker is, dan zij in hun structuren denken.

Dat laatste zou ik alle Paul Wittemannen onder ons trouwens ook héél erg gunnen. Je kunt wel denken dat je weet hoe het zit.Dat het rationeel is. Of wetenschappelijk bewezen. Maar het zit op beslissende momenten toch anders. Dat hij daar ruimte voor zou hebben. Voor “het andere, dat ik niet had verwacht.”

Gelovigen noemen dat dan trouwens weer “god”. Nou ja.

Hoewel ik vroeger zelf een van hen was, verbaas ik mij vandaag over iedereen die “het weet”. Hoe kun je iets, dat zo veel groter is dan jij zelf – het leven namelijk, hoe kun je dat nou “weten”? Je kunt hooguit vermoeden. Totdat je weer iets anders vermoed.

Meer dan tijdelijk weten is er niet. Dat zegt ons de twijfel.

 

Ja, en dat weet ik zeker.

Mijn broer…

Als mijn broer in de penarie zat en hij zou bij mij aankloppen, dan nam ik hem zonder meer onder mijn hoede. In hem voelt het immers alsof ik zelf hulp nodig heb.

Als ik in het buitenland ben en een landgenoot komt in de problemen en ze verstaat de taal niet, dan schiet ik te hulp. Op z’n minst zou ik vragen “kan ik iets voor u doen?”. Haar taal, haar lichaamsbewegingen, haar manier van kijken: ik herken er het mijne in. Mijn taal. Mijn manier van doen. En dat verplicht.

Mensen zijn groepsdieren. Groepen vormen zich rondom herkenning. Ik meen eens gelezen te hebben dat we mensen met dezelfde naam elkaar vanzelf een stukje aardiger vinden dan een ander.

Ik ben dol op Sybrand Buma. Maar dat begreep je.

It’s what nature desires. Zorg voor hen die op je lijken.

Vanavond lazen we aan tafel een bizar gedeelte uit Marcus. De broers van Jezus en zijn moeder (zijn moeder! Je krijgt al weke knieën als je aan je moeder denkt) laten hem roepen. Marcus suggereert, dat ze zich zorgen om hem maken. Hij lijkt totaal de weg kwijt. De mensen zeggen: je familie zoekt je. En dan geeft Jezus een antwoord, dat de angst bevestigt. Hij is niet goed wijs. Jezus antwoordt: “Mijn broers? Mijn moeder? Wie zijn dat?”

Als een bezetene roept hij: “wie de wil van mijn vader doet. Die zijn mijn broers. En die is mijn moeder.”

Mijn natuur zegt: waanzin. Het is waanzin om je gelijken zo te schofferen.

Of is Jezus geniaal?

En verbreekt hij alle natuurlijke banden met opzet.

Rekt hij de mensenfamilie op?

Heeft Jezus gelijk dan word je een broer van iemand die in niets op jou lijkt.

Tinkebell deed een gek voorstel: geef tegenpolen dezelfde naam. Geef Geert Wilders de naam Mohammed erbij. En geef elke Mohammed de naam Geert erbij. Ze zullen iets voor elkaar gaan voelen, iets familiairs. Ze zullen zich verbonden voelen met elkaar en voor elkaar instaan. Tegenpolen worden één.

Ik vind Jezus geniaal. Ook als ik hem niet geniaal vind, vind ik hem geniaal. Dat heb ik lang geleden al besloten.

“De wil van de Vader” schuift hij over alle mensen heen. Alle mensen gaan elkaar herkennen.

Als mijn vader mijn vader is, dan ben jij een vreemde voor mij. Als jij dan bij mij aanklopt, houd ik mijn deur gesloten.  Vreemdelingen komen er van nature niet in. Kom je met honderd, duizend, drieduizend tegelijk, dan haal ik de brandspuit van de muur en spuit je van mijn stoep af. Ik heb ook nog wel een roestige handgranaat in mijn linnenkast. Voor als je blijft komen. Mijn huis is mijn huis. Mijn familie mijn familie. Je komt er niet in.

“God is je Vader” zegt Jezus. En ineens lijken we allemaal op elkaar. Gelukszoekers, vluchtelingen, luxe-boot-bezitters, angstigen achter de Europese grenzen. Er is geen ‘mijn huis’. Er is alleen ‘huis van de vader’. En daar woon jij dus ook.

Er klopt een broer aan je deur, Europa.

Er kloppen broers aan je deur.

Zusters

Moeders

ze lijken niet op je

ze zijn als jij.

Laat je ze niet binnen?

Ze zullen binnen komen.

ze zullen in je koelkast kijken en het lekkers er uit halen

ze zetten je TV aan

en gaan op de bank zitten

jouw bank

want dat is wat ze doen, broers

ze beschouwen jouw huis als hun huis.

En gelijk hebben ze.

The queer God.

Als God nou die potentaat was die de norm stelt, dan zou ik het begrijpen. Begrijpen, dat een Zwitserse bisschop kwaad wordt over gendertheorieën (hier). Dat de Paus transgenders vergelijkt met atoomwapens. Dat keer op keer de Kerk zich te weer stelt tegen alles wat anders is, tegen alles wat afwijkt en wat zwak lijkt. Hoe lang heeft het geduurd, voordat de Kerk toegaf toch een beetje fout te zitten met haar oordeel over mensen met een andere huidskleur dan de witte? Het schaamrood vliegt je op de kaken.

Zulke goden zijn er wel, in de Bijbel. Goden die mensen in een keurslijf zetten. Als radertjes in een systeem. Maar ze komen nooit op in Israël. Goden-die-de-norm-stellen zijn die van Egypte. Of van Babel. Die twee. De landen van “angst” en van “dwang”.

In die historische gedaanten verschijnen werkelijkheden, die er nog altijd zijn. Als er een farao in een verhaal verschijnt, heeft het niet zo veel zin, om je af te vragen welke dat dan is en wanneer die dan leefde. En Nebukadnessar uit de Bijbel is evenmin de Nebukadnessar die we uit – schaarse- andere bronnen kennen. En nu we toch bezig zijn: ook Pontius Pilatus staat vooral voor een gang-van-zaken die nòg door mensen draaiende wordt gehouden. De teksten verlichten onze tijd. Niet het verleden.

In Egypte staan de goden ten dienste aan de heersende macht.  Fijn voor de mensen die er in mee kunnen draaien, fijn voor de edelen, voor de bewoners van het huis van Farao, fijn voor de machtigen. Maar de boer op zijn akkertje aan de Nijl vindt het iets minder fijn, allemaal.

Ik denk aan Japan met zijn shinto godsdienst. De priesters daar, en de keizer daar vormen van ouds een eenheid die de Staat houdt zoals de Staat in hun ogen altijd is geweest: hun tuin. En wie afwijkt…. subversieve elementen die verwijderd moeten worden.

Het is flauw te wijzen naar Japan. De tekst verlicht ons heden. Niet het heden van een ander. Nòg wordt vastgesteld door mensen “hoe het zou moeten”. De economie doet dat. De moraal doet dat. “Men” doet het.

Egypte is het “land van angst”, schrijft de theoloog Willem Barnard. En dit is wat angst met ons doet: we verdragen de nuance niet. We verdragen de veelheid niet. We willen duidelijkheid. En eenheid.

Angst jaagt ons naar de kracht.

In tijden van recessie korten we de uitkeringen. Maar de rijken laten we ongemoeid.

In tijden van dreiging, wordt de schuld op de zwaksten gedrukt. In 1672 stonden de Fransen aan onze grenzen. In Utrecht, en al gauw op vele plaatsen in de Nederlandse Provinciën braken rellen uit tegen (vermeende) homoseksuelen. In Faam werden 24 jonge mannen opgehangen. De “immoraliteit” moest weg. Dan zou de orde als vanzelf herstellen.

En het werkt nog. Vraag het Mugabe. Vraag het Putin.

Het is niet Egypte, het is niet Babel. Het is ook de economie niet.

Wij zijn het zelf. Die bij twijfel terugvallen in de vaste structuren. Die ons heil zoeken bij de sterkste. Bij de sterke man.

God, en dan spreken we over de God van Israël, doet aan angst en dwang niet mee. Toegegeven, dat was voor Israël ook een hele weg van vallen en opstaan, voordat het een beetje fatsoenlijk op papier kwam, maar het schemert steeds duidelijker: deze God staat aan de kant van de zwakke. Deze God schrijft zijn geschiedenis met de handen van hoeren, buitenlanders, achtergestelden, overspelers, moordenaars. Het is een dwaze God. Omdat Hij gelooft in de vrijheid van allen.

Ik wil de bijbel steeds – toch-  weer lezen. Ik overwin er mijn eigen Babel en mijn eigen Egypte mee. Mijn vooroordelen. Mijn jij-hoort-er-niet-bij-gedachten. Ik vind het van een ongelofelijke wijsheid, dat de verhalen uiteindelijk zeggen: als je iemand buitensluit, sluit je God buiten. En “God” is het codewoord voor de meest kostbare, voor de kern van het bestaan, voor “win-of-verlies-waar-het-in-je-leven-om-gaat.”

Toen de kerkelijke mensen begonnen te klappen, daar in Chur. Omdat de bisschop las: “Als een man samen met een andere man slaapt, zoals hij met een vrouw kan slapen, dan moeten beiden worden gestenigd.” Toen de mensen daar applaudisseerden, omdat hij zei: “Voldoende antwoord op de vraag of homoseksualiteit ooit bij het geloof zou kunnen passen.”, toen sloop God, volgens mij, de kerk uit.

Hij vertrok.

Hij vertrok naar Amsterdam.

Zo dwars is God wel.

Een zwart gat tussen de vrolijkheid, en God.

De absolute ster op de tentoonstelling van Matisse was Rothko. Het leek alsof hij tussen alle vrolijkheid te wachten hing, totdat je als bezoeker bij hem kwam. Aanwezig door alle tentoonstellingszalen.

Zijn schilderij is spookachtig. Drie blokken aardebruin op elkaar gestapeld. Het middelste blok fluoresceert. Het wankelt en beweegt. In het midden gaapt een groot, zwart gat. Als negatieve energie.

Ik heb een multifocusbril, en dan zie je nooit goed waar je naar kijkt. Ik dacht voor een seconde, dat ik het schilderij binnenviel. De diepte in. De kleurigheid was ver weg. Het schilderij ademde gespannen. En ik ook.

Onverwacht schoten woorden naar boven van Hape Kerkeling, een Duitse komiek. Ooit maakte hij een pelgrimstocht naar Santiago de Compostella. Hij raakt de weg kwijt in een bos met rare, kromme bomen. Ook zijn tochtgenote, de altijd stabiele Monica, wandelt het bos wel ìn, maar niet meer uit. Pas laat in de avond komt ze bij de herberg. Hape is overstuur. Zij heviger. Haar verwardheid, verwart hem nòg meer. Hij schrijft: “Blijkbaar hebben we allemaal ergens een spookbos, waar wij in verstrikt kunnen raken.” Later zegt de eigenaresse van de herberg, dat het bos “van de heksen” wordt genoemd. Ik citeer dit alles uit mijn hoofd. Misschien schreef Kerkeling het wel heel anders op, maar dit bleef mij bij: er ligt een zwart gat in je bestaan, en dat wacht totdat je er een keer indondert.

Ik ben een paar maal teruggelopen naar Rothko. “Geen prettig schilderij”, merkte mijn echtgenoot droogjes op. Nee.

Maar wel waar.

Matisse dacht dat in de “vrolijkheid, het zorgeloze en het decoratieve alle aspecten van het leven uitgedrukt waren”. Hij heeft gelijk, tot een zekere grens. Vrolijkheid heeft een grote draagkracht. Schoonheid kan troosten. Hoe vaak ging ik niet zelf naar een museum om mij te laten hele door mooie dingen. Of wandelde ik naar een monument in de stad waar ik van houd, een kerk, een hofje, een singel.

En toch. Matisse kon niet het duistere uitdrukken. Ik vond het bij Rothko. Ik herkende mijn eigen diepe valkuil.

Toen ik veertig werd, honderd jaar geleden, lazen we psalm veertig. Daarin wordt gezongen over kuilen waar je in kunt vallen. Een commentaar schreef: “Het gaat om woestijnputten. Dunne schachten die met zand dicht kunnen waaien. Je ziet ze niet, je denkt door te kunnen lopen, je zakt weg en raakt bekneld.”

Ook gisteren: een artikel over mensen die geen weg meer door het leven zagen. (hier). Hun spookbos kreeg hen in de tang.

Dat ik uit de put tevoorschijn kwam, is een verhaal dat nauwelijks in woorden is uit te drukken, schreef ik ooit bij psalm 40. Het is het verhaal van mensen die vertrouwen in mij bleven uitdrukken. Die bleven zeggen, dat ik er toe deed. Die mij opzochten. Die het donker met mij wilden delen. In hun aanwezigheid en in het weten dat zij met mij aanwezig wilden zijn, gebeurde het. Ik vond de weg naar buiten. Dat “het”  is meer dan één en één is twee. Tot op de dag van vandaag weet ik geen beter woord voor dat “het”, dan : ‘God’.

Omdat in hun aanwezigheid iets van “eeuwig weten” naar mij toestroomde. Iets van “blijvende aanwezigheid”. Zij sjorden mij niet naar boven. Ik sjorde mijzelf niet naar boven. En toch kwam ik terug in het licht. De engte uit.

Rothko is in het zwarte gat verdwenen. Hij heeft het adembenemend uitgedrukt in werk dat in Bilbao hangt. Ving “God” hem niet op?

Ik vind dat van die vragen.

Toen ik zijn werk zag, daar in Baskenland. En ik de pijn voelde. Tranen prikten omhoog.

Misschien is dat dan ook God?

Kleur blijven, dichtbij het zwart?

Iemand missen die je niet hebt gekend?

Leven zijn rondom de dood.

Niet alle aspecten van het leven worden door vrolijkheid, kleur en zorgeloosheid uitgedrukt. Maar ze drukken er wel de essentie van uit. Van het leven. Dat het geleefd wil worden.

Daarin heeft Matisse dan wel gelijk.

En dat zijn werk rondom dat van Rothko hangt, in het Stedelijk Museum, dat is dan wel

erg mooi.

Zonder Zoon van God is er niks meer aan.

Nee, Jezus heeft zichzelf nooit “Zoon van God” genoemd. Inderdaad. Maar de teksten over hem doen dat wel. In al hun verschillen – wanneer was nou dat laatste avondmaal, hoeveel Maria’s waren er nou precies en wat riep Jezus aan het kruis?- lijken ze het over één ding eens: die kreet “Zoon van God”, dat heeft hem uiteindelijk de das om gedaan.

Ook na zijn dood heeft het tot veel tumult geleid. Er waren groepen die zeiden: “Jezus is een goed mens, en een prachtige profeet. Hij is gedood, omdat de mensen aan zoveel goedheid nog niet toe waren”. Of vergelijkbare tonen. En dan hebben we het niet over dominees anno 2014, maar gewoon: eerste christenen. In de eerste eeuwen. Er waren er ook die zeiden: “Jezus was wel de Zoon van God. Maar hij stierf niet aan een kruis.”  Ze hadden er de mooie oplossing bij bedacht, dat er iemand is gekruisigd, die heel erg op de Heer leek. Maar die de Heer niet was. Zo bleef hun god mooi god.

Het tumult is nog niet ten einde. Blijkt maar weer uit de nieuwe productie van toneelgroep De Appel. “Bij ons is Jezus niet de Zoon van God”, zegt de regisseur Arie de Mol. Want “dan vind ik hem oninteressant worden”.

Ik weet niet waar Arie precies tegenaan hikt. Hij moet sowieso niet veel hebben van het christendom-zoals-het-er-vandaag-uitziet. Kerk? Nee bweh. Theologie? Yuk! Christenen? Nog meer bweh en yuk. “Wij houden Jezus menselijk”. Hun Jezus heeft dan ook geen mooie woorden paraat.

Of zijn omstanders zijn woorden toentertijd zo mooi vonden, weet ik niet. Ik vind Jezus vaak een beetje een weirdo. Zo eentje die met een paar rake woorden de sfeer weet te verpesten. En die zichzelf daarmee steeds weer buiten de groep plaatst. Hij gaat elke keer daar zitten, waar de klappen vallen.

Ik vind het wel kinky om van zo iemand te zeggen: en dat is nou God.

Die menselijke Jezus van Arie de Mol, die interesseert me geen biet. Gek is dat toch.

Het is zó volstrekt idioot om juist Jezus God te noemen. Ik weet duizend betere kandidaten. Zelfs de spelers van Ajax hebben nog betere papieren voor deze titel dan hij. Het is zo totaal op-z’n-kop gedacht, dat ik er door geërgerd word. Ik baal soms van die Joodse man. Enorm.

Maar ik word er ook door gefascineerd. Door mijn eigen ergernis. Door de hardnekkigheid, waarmee christenen zijn blijven verklaren: Zoon van God. Mens – en Zoon van God.

Het herdefinieert alles wat wij over god, of over goden zeggen.

Goden wonen in wolkenkrabbers. Op de bovenste verdieping. Ver van het aardse gemodder. In glanzende meubels van het laatste design besluiten ze daar wat volgens de wetten van god-weet-wat-precies nodig is. Goden zijn perfekt. Onbesmet door armoede, mislukking, getob, narigheid.

Goden zijn glamorous.

Wij creëren die goden, dat weet ik. Zij zijn het resultaat van onze verhalen over wat leven is. En over waar de werkelijkheid over gaat. Leven is: loskomen van het aardse gedoe. En de werkelijkheid is: de uitnodiging om perfekt te zijn.

We houden meer van jonge mensen met parelwitte tanden dan van een oude man die kwijlend wat zit te mompelen in zijn rolstoel.

En dan komt ineens Jezus binnen. Hij lijkt in niets. helemaal niets op ons ideaalbeeld. Niet van het ideaal van leven – hij kwam nooit aan het Zwitserlevengevoel toe. Niet van het ideaal van mens-zijn: hij was naar verluidt te lelijk om naar te kijken. Niet van het ideaal van waar het om zou moeten gaan: hij had geen auto-onder-den-kont.

En dan zeggen: dàt is God.

Die mislukte.

Die uitgekotste.

Die vermoorde.

Ik snap Arie wel. Een menselijke Jezus is een tragische figuur met wie je medelijden kunt voelen. Zelf blijf je schoon, objektief en van een afstandje kijken. En je rijdt in je verwarmde auto weer naar huis.

Maar Jezus als de Zoon van God. Tsja, dat is een aanval op mijn zo zorgvuldig gecultiveerde goede smaak. Yuk.

of toch maar ‘amen’?