Psalm 52

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Onthullende woorden van Huub Oosterhuis. Het is zíjn bewerking van Psalm 52. Een felle psalm. Maar wie zou niet fel worden, als het om onrecht gaat. Het ìs verbijsterend, dat er altijd weer mensen zijn die misbruik maken van anderen en daar mee wèg komen.

Dat Shell geen verantwoordelijkheid meer droeg, ineens, voor de NAM. Was ook zo’n zinnetje in de krant. Dat je denkt: “Wel gloeiende, gloeiende. Zijn ze helemáál.” Honderden Groningse gezinnen wonen in zorgen en onzekerheid. En het verantwoordelijke bedrijf zegt gewoon: “Doei! Wij zijn er niet.”

Zulk onrecht dus.

Die woorden over dat kind dat verdween gáán over de a-morele mensen.  Ze zijn opgeblazen geraakt. Verdedigde forten geworden. Ze zijn van alles. Merknamen. Top-criminelen. Of Top-advocaten. Top-zakenlieden. Belangenbehartigers. Maar geen spelende kinderen meer.

“Niets blijft er over van het kind dat je was”

Je leest de zinnen en je beseft: daarmee verloren zij het meest kostbare. Zij verloren zichzelf. Hun zachtheid. Hun afhankelijkheid. Hun liefelijkheid.

Gloria Dei enim homo ludens,

parafraseer ik dan maar één van de kerkvaders: de glorie van God is de spelende mens

Niet de vechtende

niet de schreeuwende

niet de onderdrukkende.

Net als ik mij tevreden wil nestelen in de gedachte dat ìk natuurlijk een olijfboom ben, vol in het blad, dat ik vertrouw op de liefde van God-

zo droomt de dichter van psalm 52 over zichzelf,

precies op dat moment, draaien de woorden zich om

naar míj:

hoeveel kind woont er nog in jou?

Jij die ooit de jongste was in jouw gezin

en nu, als je in de spiegel kijkt

een man van meer dan middelbare leeftijd?

Wat verloor ik zelf op mijn weg?

Hoeveel illusies? Verlangens? Dromen?
Hoeveel zachtheid bleef mij over?

Hoeveel cynisme won ik?

Bloeit er nog wat?

Want weet dit wel: het kind in jou

dat moet je teder koesteren

tot je laatste dag.

 

Advertenties

Iets protestants over Maria.

 

Het hele probleem van de Mariaverering is dat zoete, gedweeë en onderdanige dat ervan uitgaat. Maria was gehoorzaam. Maria was zuiver. Maria was gedienstig.

Wat ook nooit echt goed heeft gedaan is die verkreukelde seksualiteit die haar om het lijf is gehangen: eeuwig maagd. Dus wel een zoon. Maar geen seks. Nooit.

Geen vrouw doet haar dat ooit na.

Terwijl het wel zou moeten. Volgens die kerkelijke Maria. Gedienstig zijn. En voor altijd rein. Tenminste: vrouwen moeten zo zijn. Over mannen hoor je zoiets nooit.

En als je het niet lukt, mevrouw, nou dan is daar gelukkig Maria. Zij vergeeft het je. En helpt je.

De kerkelijke Maria helpt je. Er uit?

Of er dieper in? Dieper in het schuldgevoel. Dieper in een afschuw van wie je werkelijk bent. Een vrouw. Met power, en met een lichaam.

Ik hou mij verre van deze Maria in haar hemelsblauwe mantel.

Het goede van de kerkelijke Mariaverering is dat zij vrouwelijkheid dicht bij de goddelijkheid bespeurt. Kom daar eens om in het protestantisme. Met zijn ouderlingen-in-zwart-pak, diakenen-in-zwart-pak, dominees-in-zwart-pak. Je krijgt bijna de indruk dat de Vader, de Zoon en de heilige Geest óók in het zwart gaan. En allemaal man zijn.

Het protestantisme op zijn beurt heeft een vrouw van ouds weinig evenmin veel ruimte gegeven om vrouw te zijn.

Maria dus.

Omdat zij “gezegend onder de vrouwen” wordt genoemd.

Gezegend want zij durfde het aan: moeder worden, terwijl de vader niet traceerbaar is. Gezegend want zij durft een eenzame weg te gaan. Hoe oud zal ze geweest zijn? Veertien? Vijftien misschien? En dan alleenstaande moeder! Dwars door vooroordelen heen, zich werend tegen gesis van de afkeuring, recht-op gaand langs mensen die haar uitmaken voor hoer. “Kech” is tegenwoordig het hippe woord voor dezelfde vernedering.  Maria die als enige hóórt wat er over haar zoon wordt gezegd. Die het niet vergeet. Die de woorden laat dalen tot diep in haar hart. Zij loopt niet weg als de schande hem overvalt. Onder het kruis stonden… drie Maria’s. Stond zij.

Maria die zich in Kana weigert bij mislukking neer te leggen. “Doe wat hij je zegt”, beveelt ze de dienaren. Die haar nek hoog draagt als haar wordt toegebeten: “Vrouw wat heb ik met jou te maken, het is mijn uur nog niet.”

Ze lijkt op Tamar die opkomt voor haar recht, en zich niets aantrekt van wat netjes heet, of vrouwelijk, of gepast. Ze lijkt op Ruth die zich niet laat weerhouden. Ruth is buitenlandse, maar neemt daarom nog niet zomaar een plekje aan de rand in. Ze lijkt op Mirjam die een bevrijdingslied uitzong. Ze lijkt op Jaël die de gevaarlijke Sisera doodde met een tentpin.

Ik zou Maria graag in onze kerken willen uitnodigen. Maar dan zo, dat vrouwen niet in een keurslijf van keurigheid worden gedreven. Maria is de vrouw die haar kracht toont en er niet bang voor is.

Vorige week stond er een artikel in de krant over Gonny Lemckert. Al meer dan twintig jaar bemoeit zij zich met de vrouwen op de tippelzone in Groningen. Ze trekt zich er geen lor van aan wat mensen over haar of over de vrouwen zeggen. Ze trekt zich niets aan van de status van mensen, of ze nu met de burgemeester spreekt of met de mannen die de tippelzone bezoeken. Voor iedereen is ze dezelfde. En van iedereen verwacht ze hetzelfde: recht voor de vrouwen die in de slechtst betaalde regionen van de prostitutie werken.

Ze stond op een foto: zwart geverfde, lange haren, rimpels over haar hele gezicht, een confronterende en tegelijk milde blik.

Kijk, dacht ik – als we nou zúlke Mariabeelden hadden. Van vrouwen met lef,

dan zou ik het de paus misschien wel gaan nazeggen: Christelijk leven zonder Maria is niet mogelijk.

Gonnie

Het nut van nutteloze kennis.

Arianne van Os is docente. Zij is één van de 130 leraren die gaan meepraten over onderwijsvernieuwing. (Trouw, 18 september 2017) Wat voor inzichten heeft zij? Nou, nogal modieuze: er moet tijdswinst geboekt worden op school èn het onderwijs moet gaan over probleemoplossen, digitale vaardigheden en communicatie. “In plaats daarvan” verzucht ze:” Moeten we jaartallen leren die we ook met een druk op de knop kunnen opzoeken.” En ze schudt haar leraressenschouders er eens bij.

Nu dacht ik altijd dat onderwijs vooral óók heel veel herhalen was. Beetje basis in de eerste leerjaren, beetje meer basis in de hogere leerjaren, verdieping op de middelbare school, maar dit is mijn expertise niet. Dus luister ik naar Juf Arianne. Als ze me dan wel vertelt wat we met al die gespaarde tijd moeten doen.

Géén jaartallen leren zegt Juf Arianne.

Wél jaartallen leren, roep ik daar dwars doorheen.

Vooral jaartallen. En dode dichters. En oude romanciers. En verdwenen schilders. En plaatsnamen, heel veel plaatsnamen. Dooie Nobelprijswinnaars, dat mag van mij ook: wiskunde, natuurkunde, scheikunde.
Doen we de vaardigheden er verder wel tussendoor.

Iris Murdoch  (iemand? Of moet je nu op een knop drukken?) heeft eens gezegd: “Kennis maakt niet gelukkig. Maar kennis geeft je wel de mogelijkheid het geluk te vinden.”

Zeker kun je alles ergens vinden. Maar dat is al zo sinds de uitvinding van de boekdrukkunst. Goed, je moest er even voor naar de bibliotheek fietsen. Maar het was er.

Het probleem: het was er búiten jou. Je voelt er niks bij, het roept niets op. Het blijft bij: “Oh”. En daarna vergeet je het weer.

Stel je weet niets. Je rijdt Amsterdam binnen. Wat zie je dan? Daar ben ik dan wel benieuwd naar. Misschien vind je de sfeer leuk. Of de panden mooi. Ze zullen verder, zo vermoed ik, zwijgen en dood blijven. Na vijf grachtenpanden heb je het dan wel gehad. En is, inderdaad, de Hudsons Bay interessanter dan nóg een gracht.

Een beetje zoals wij Westerlingen, allemaal door landen in het Verre Oosten rondlopen. Het is mooi, maar het zegt me niet veel. Ik weet er niets van.

Loop je met kennis door Amsterdam, dan flitst de binnenkant. Gouden Eeuw, specerijenhandel, Tulpengekte, slavernij, de eerste beurs van de wereld, aandelenhandel. Je ziet de prachtige balans die de huizen hebben tussen rijkdom willen tonen en tegelijk willen voldoen aan de protestantse zede van eenvoud. Je ziet de stoepen smaller worden naarmate de belastingen op hun breedte toenam. Je ziet de ramen hoger worden, naarmate, alwéér de belastingen op de breedte werd geheven. Dat zie je. Als je iets weet tenminste van VOC, 17de eeuw, Republiek, Libre Marum.

En dan begin ik nog niet eens over Hendrick de Keyser, het wonder van de grachten (het schitterende essaye dat Cees Nootenboom eens over al die eilandjes, bruggen en waterwerken schreef!), het idiote van “burgers (burgers!)  die een stad bouwen op zo ongeveer wel de meest ongeschikte plek voor een stad.

Als je dat allemaal niet weet, Juf Ariane, niet van binnen weet. Dan heb je geen idéé waar je rondloopt.

En, zeg ik erbij: het is uiteindelijk de doodssteek voor de stad. Als je niet meer weet, voelt, verknocht bent – dan giechelt het geld al over sloop. Ik til mijn domineesvinger priemend de lucht in.

Een aantal weken geleden hadden we een hete dag. Die komen wel eens voor. Ik was in een Albert Heyn in de stad. De bedoelde supermarkt is gebouwd in de voormalige korenbeurs. Een neo-classicistisch gebouw naar de deftige eis van de negentiende eeuw. Binnen was het warm als buiten. Mensen zoemden door de deuren heen en weer. “Poe!”, wat is het heet hier”, steunde de cassière. “Ja, oud gebouw he”, reageerde ik. “Ja”, was haar antwoord: “Idioot oud. Ik denk wel uit de Middeleeuwen. Snap je dat nou?.” Zo’n mooie winkel in zo’n kei-oud pand, wilde ze maar zeggen.

Ik begon maar niet over de graanhandel waarmee Groningen rijk is geworden, de champagnejaren, de grote boerderijen op het land, de herenboeren die hier werden voorgereden in hun luxe carossen om, sigaar in de mond, hun graan te verhandelen.

En ze heeft het vast ook niet opgezocht. Onder geen enkele knop.

Twaalf dagen. Niet twee.

Zo, de ergste hitte van het feest hebben we weer gehad. Mag ik er dan nog even op terug komen? Op kerst? Er zit me namelijk iets hoog. Dat iedereen veel te veel haast heeft.

Gisteren zal ik al weer kerstbomen buiten op straat liggen. “Gelukkig, dat hebben we achter de rug.”, zeiden ze. Ik las, dat in Amsterdam het dagelijkse bestaan zelfs Tweede Kerstdag al weer door holde: alle winkels open, de stadsreiniging veegde al weer, de toeristenindustrie draaide op volle toeren. Geen geduld, we moeten door. Twee dagen: we vinden het genoeg. We vinden het te veel.

Breaking news voor allen dan: kerst duurt niet twee dagen. Het feest telt twáálf dagen. Twaalf? Ja, twaalf. En als je een echte hardliner bent, kun je doortellen tot veertig dagen: tot aan twee februari. Ik ken iemand die de kerstboom na Pasen nog had staan. Maar dat was uit gezelligheid, en dat is iets anders.

Kerst, de christelijke variant daarvan, heeft in wezen niets met gezelligheid. Voor een dominee is dat ieder jaar opnieuw een heel gedoe. Het midwinterfeest is gezellig. Kerst is dat niet. Of zou het niet moeten zijn. Niet allereerst.

Wat zingen de christelijke kerstliederen? Ook de meest zoete? “Wereld, verloren in schuld”, “kyrië- eleis”, “Hij daalde neer van ’s Vaders troon.” En het scherpste: “Maar wie dit kindje kussen wil

En wie in groot verblijden
dit kindje kussen wil,
moet vooraf met Hem lijden
zijn kruis, om zijnentwil,

Om in het volgende couplet nog meer de bitterheid van het leven op te zoeken

en daarna met Hem sterven,
om geest’lijk op te staan
en ’t leven te verwerven,
gelijk Hij heeft gedaan.
Bij de kerstkalkoen is het moeilijk sterven. Of er moet iets mis zijn geweest met het recept.
De kerstliederen hebben beter begrepen waar het om gaat, dan veel kerstsfeer voor waar wil hebben: dat er nood is, dat er schuld is, dat er pijn is, dat deze wereld geen paradijs is. En dat daar een roep van uit gaat. Dat het lijden van mensen om een antwoord roept. Om een heling, een aanwezigheid. Dat het niet mag verdwijnen zonder gezien of gehoord te zijn.
G’d antwoordt: Ik zal er zijn. Ik zal horen, ik zal zien, ik zal dragen
Je leest het in Lucas. Over de nacht, waarin herders waakten (prachtig beeld: er zijn mensen die de nacht doorstáán). En over Bethlehem, de stad die Huis van Brood heet. Wat is het brood? Het kind dat zich geeft.
G’d daalt af tot onder de planken van het wereldtoneel, schreef Oepke Noordmans ooit. Dat er draagkracht is, waar je dat niet dacht. Dat jij dus kunt zijn waar je dat niet had gedacht. Dat het misschien wel onze roeping is om dáár te zijn waar niemand zijn kan. Wat het ons ook kost.
De eerste twee dagen van kerst komen we daar niet zo aan toe. We scheppen een eigen hemel van vriendschap en familieliefde. Dat is niet niks. Maar het is niet kerst. Het is een vluchtheuveltje tegen de wereld. Ernst Daniël Smid zei op de radio: ‘even alle zorgen opzij’ Derde kerstdag zijn de zorgen er weer.
Dus zul je er toch iets mee moeten. Wat je weg werkt komt later met grotere kracht terug.
Tweede kerstdag leest de kerk de geschiedenis van Stefanus. De man diende mensen en volgde de Heer. Hij beleed dat het licht van Christus schijnen kan en schijnen zal. Hij werd gedood. Zijn naam betekent “Overwinningskrans”.  Wat? Overwinningskrans. Waarom? Omdat hij het juiste had gekozen.
Op vierde kerstdag leest de kerk de verschrikkelijke geschiedenis van de moord op honderden kinderen in Bethlehem. Omdat Herodes, de koning, bang was zijn macht te verliezen. Zo ver kan een mens dus zinken. Het lezen van de geschiedenis is al ruimte scheppen voor G’d. En willen horen naar al die plaatsen waar nòg kinderen het onderspit delven. Aleppo, Sierra-Leone, Bolivia. Dichterbij: als kinderen worden verwaarloosd, mishandeld, misbruikt.
Op de zevende kerstdag leest de kerk uit Romeinen 3. Het felle stuk over onze dood. Wij zijn het die deze wereld maken zoals die is. Wij verwaarlozen kinderen. Het zijn niet de aliëns onder ons die keer op keer oorlog bedenken.”Maar”, vervolgt Paulus: “buiten elke regel, redelijkheid en logica om (nomos) is nu de Heer verschenen.” Ondanks het duister is ook, altijd, het licht. Omdat er duister is, zal er ook altijd licht zijn.
Op 1 januari, achtste dag van kerst, leest de kerk over de besnijdenis van de Heer. Zijn toewijding aan de G’d die zegt: “Ik wel”.  “Op mij kun je aan” De toewijding snijdt. In ons.
Op de twaalfde kerstdag, 6 januari, leest de kerk over de magiërs. Magioi in het Grieks. Mensen die het leven in eigen hand willen houden. Zodra zij het kind op het spoor zijn, verdwijnt in de tekst (je vindt het in het Mattheus-evangelie) die aanduiding. Ze kunnen dan nog maar één ding: knielen.
Kerst gaat over: G’d die verschijnt.  Kerst vraagt: dat ook wíj verschijnen. Niet ontkennen. Niet wegduwen. Toelaten. Verstaan. Ja, zeggen.
Laat het feest daarom ook alle twaalf dagen duren. Al was het maar vanwege die laatste zin uit de Mattheuslezing: “door een droom gewaarschuwd, keerden zij niet terug naar Herodes, maar zij volgden een nieuwe weg.”
Nieuwe wegen vinden gaat niet zomaar in een dag.

 

In de waarheid te leven

zeist-580x260

 

Een paar honderd oudere, enigszins sjiek in het donker geklede mensen kwamen gisteren bij elkaar in de pure, witte kerk van de Broedergemeente in Zeist. Aan het Zusterplein. Ze gedachten Hebe Charlotte Kohlbrugge. Zij stierf vorige week in de leeftijd van 102-jaar.
Vóór in die kerk staat geen altaar. Zelfs geen avondmaalstafel. Meer een keukentafel, eigenlijk. Op een verhoging. Met een grote stoel er achter. Daar zit de voorganger, de hele dienst lang. Wonderlijk genoeg gaf het de samenkomst de sfeer van een vergadering met notulen, raadsverslagen en een voorzitter. Dat past wel bij Hebe, dacht ik. Haar verjaardagen waren ook altijd iets van “bijeenkomsten van het commandocentrum” geweest. Het moest wel ergens over gáán. De situatie in Midden Europa. Het engagement van haar verjaardagsgasten. Ze wilde het weten en vroeg je naar het hoe en het wat. Daarbij onthield ze je haar commentaar beslist niet. Maar ook haar meelevendheid hield ze niet verborgen.
“Een leven in de waarheid”, zo zei een van de voorgangers over haar. Als jonge vrouw was ze au-pair geweest bij een neef van Churchill. De eigenlijke Churchill was nogal tegen gevallen “een ouwe brompot” noemde ze hem eens. Zijn neef was onder de indruk van Duitsland, het waren de jaren dertig, want dáár gebeurde iets nieuws, iets sociaals. Heel anders dan het duffe, nuffige Engeland. Hebe wilde “dat heerlijke” wel meemaken en reisde af naar Nazi-Duitsland. “Maar het heerlijke bleek afschuwelijk te zijn”, zo liet ze de predikant voorlezen uit haar levensgeschiedenis. De Broedergemeente vraagt aan elk van haar leden om een levensbeschrijving te maken voor het geval dat…
Zo ook Hebe.
Het trof mij opnieuw. Een jonge vrouw in Duitsland en zíj zag wat miljoenen nog niet konden of wilden zien. Zou ik het hebben gezien? Ik weet het niet. “Waarom u wel?”, zoiets vroeg een interviewer haar een paar jaar geleden. “Dat weet ik niet.”, had zij geantwoord: “Dat weet alleen de Lieve Heer.”
Gisteren probeerden we de Lieve Heer het antwoord te ontfutselen. Hoe kon Hebe haar leven lang zo scherp zijn op recht en rechtvaardigheid? Was het haar karakter, haar overgrootvader, haar onaangepastheid? In de oorlog werkte zij in de illigaliteit (Oh, wat had zij een hekel aan het woord verzetsstrijdster, zei de dominee), ze werd gearresteerd en naar kamp Ravensbrück gedeporteerd. Na de oorlog bouwde zij in opdracht van de Nederlandse Hervormde kerk aan nieuwe bruggen met Duitsland. Nog weer later zocht zij dissidenten op in Tsjechie, de DDR en Roemenië. Hilarisch en indrukwekkend is haar relaas over de zoektocht naar Vaclav Havel in de jaren zeventig, toen het regime hem ergens had weggestopt. Uitgezet uit Tsjechië, reisde zij er unverfroren weer heen. Er was een vriend in nood. Anderhalve meter hoog en “zonder luister of gestalte” werd gisteren mooi gezegd. Maar daar kwam ze aan. En vònd Havel.
Dat is het grootste wonder.
Wat was dat? Ze vond haar drijfveren in het Johannesevangelie, werd verteld. Dat de waarheid je vrij maakt. Dat Jezus de waarheid is. En dat, wie uit de waarheid is, naar Zijn stem luistert. Het evangelie maakt je vrij van alles wat vanzelfsprekend is. Wat je zo op het oog niet ziet. Wat je als onder “een verstikkende deken houdt”, woorden van Hebe. Wie vrij is, is niet bang. En wie niet bang is, ziet scherp.
En dan waren er ook de mannen als Karl Barth, Oepke Noordmans, Miskotte, Rosenstock – die trage theologen. Beetje wereldvreemd ook. Maar juist daardoor: vlijmscherp. Miskotte schreef vóór de oorlog al “Edda en Thora”. Dat God de machten (lees: het nazisme, het heidendom) stom slaat.
Vaclav Havel werd genoemd. Zijn pamflet “Poging om in de waarheid te leven” had zij letterlijk en figuurlijk verslonden. Het was haar voeding geworden. Ik dacht aan mijn eigen studententijd. Dit boekje heb ik maanden in mijn zak meegedragen. En er keer op keer uit gelezen. Hij vertelt over een groentenman in Tsjechië die op een dag besluit: “Ik hang het bordje “Proletariers aller landen, verenigt u” niet meer in mijn etalage”. Daarmee ontmaskert hij het regime. En hij draagt de consequenties. “Wij moeten op onze plek gaatjes in de deken prikken”, zei Hebe. Ik ben nog eens naar haar toegereisd om haar de vraag te stellen, hoe je de deken herkent. “Door je verstand te gebruiken”, was haar eerste, korte antwoord. “En lees de goede boeken.”
Haar zuster Hanna werd genoemd. En toen werden de aanwezigen heel stil in de kerk. Haar zus met wie ze zoveel had gedeeld. Studie, gesprek, reizen. Ze hadden hun leven met elkaar gedeeld. Hanna stierf op 13 december 1999. Hebe stierf op 13 december 2016. Na díe zinnen werd de stilte nòg dieper.
Ik keek om mij heen. Met een schok besefte ik: dit zijn de mensen van mijn jeugd. Ineens herkende ik ze weer. Deze mensen die net niet helemaal deel uitmaken van de wereld. Omdat ze andere boeken lezen. Anders kijken. Anders leven. Langzamer en daardoor zo veel scherper.
Verontrust liep ik na afloop terug naar de auto. We namen afscheid van Hebe. “Dit àlles gaat voorbij”, dacht ik. Miskotte, Noordmans, Barth, Rosenstock. De kerk, ook de kerk, is hijgerig geworden. Wil er te graag bij horen. Is dat de deken van vandaag, in de kerk?
“Het enige gaatje in de deken kun je zelf zijn”, zei Hebe ooit. Ik zal mijn best doen het als een oproep te zien. De laatste uit het commandocentrum Kohlbrugge

Zondig

Een derde van de witte Nederlanders vertrouwt zijn medemens niet. Ze vinden zelfs niet dat de méésten anderen te vertrouwen zijn. Onderzoeksresultaten in Trouw.

Ik kijk altijd op van zulke berichten. Zouden er bij mij in de straat ook zulke wantrouwigen wonen? Een derde! Dat is nog al wat. Dat komt in ons straatje toch al gauw op zes personen. Wie zouden het zijn? Die nooit hun hand opsteken? Of zijn zij juist heel vertrouwensvol: “je weet dat het goed zit, dat hoef ik niet met zwaaien te bevestigen, steeds”?

Tot welke groep zouden de wantrouwigen zichzelf rekenen, eigenlijk? Denken ze, dat ze zelf wèl goed in elkaar zitten, maar de rest van de wereld niet? Of kennen ze zichzelf, belazeren ze de kluit en vertrouwen ze dáárom de ander niet?

Ik ben nogal van het vertrouwen. Ik vertrouw eigenlijk iedereen wel. Ik weet ook niet precies hoe dat komt. Het is zo. Ik denk: “Ik ben zelf geen heilige, maar ik doe toch redelijk aardig.” Dan zal het bij anderen niet anders zijn.

Er zijn geen categorieën mensen. Daar geloof ik niets van. Mensen doén wel goede of slechte dingen. En sommigen doen misschien meer slecht dan goed. Anderen doen misschien meer goed dan slecht. Maar niemand kwam uit een ander soort baarmoeder gekropen, dat die zou kunnen zeggen: “Mij heeft de domheid van het bestaan niet aangeraakt.”

Een paar dagen geleden voegde een rode Hyundai fout in. Ik moest vol op de rem. “Stom koekblik!”, schold ik en nam gelijk alle kleine auto’s maar mee. Kleine auto’s rijden altijd te langzaam op de snelweg. Ze maken nooit gebruik van hun spiegels. Ze voegen te langzaam in, ze geven veel te vroeg richting aan. Ze.

Drie minuten later haalde ik een vrachtwagen in. Een BMW achter mij moest vol in de remmen. Oeps.

Hierbij maak ik mijn verontschuldigingen aan de BMW-rijder.

Ik vertrouw de meeste mensen wel. Omdat het leven mij elke dag duidelijk maakt: de stommiteiten die zij uithalen, haal je zelf ook uit. We zijn allemaal even zondig. Of even goed.

Zelfs Hitler, daar ben ik steeds weer stil van: Eva Braun heeft echt van hem gehouden. Je kunt niet volhouden dat ze dan allebei slecht waren. Wat Hitler deed, was door- en door verrot. No discussion. Maar er was blijkbaar ook een andere toegang tot hem.

Als je jezelf kent, en je staat aan jezelf toe dat je bent die je bent, leer je barmhartigheid. Jij kunt er zijn. Maar barmhartigheid houdt niet op bij de grenzen van je eigen lichaam. Ze omhelst ook de ander. Barmhartigheid houdt niet op bij de grenzen van je eigen familie. Of van je vrienden. Ze gaat verder. Als jij er kunt zijn, dan kan ieder ander er zijn. Als jij je best doet, dan zullen anderen dat ook wel doen. Als anderen een stommiteit uithalen, of een onvervalste smerigheid, dan ben je er zelf ook toe in staat.

In de ochtend beginnen we allemaal de dag met een grote plas. Zoiets alleen al zou een band moeten scheppen. Voor honderd procent.

 

 

 

Trump won. Psalm 9 als commentaar bij de tijd.

We zochten deze tekst niet eens. Hij stond simpelweg op het rooster. Dus lazen we hem vanochtend. In de kerk. Mensen waren innerlijk nogal verrommeld binnen gekomen. “Het is een ramp”, zei er één. Ik had geen idee waar hij het over had. Mijn innerlijk was nog kalm als een bosmeertje bij zonsopgang. “Trump heeft gewonnen!”, vervolgde ze. Er was geen bosmeertje meer te bekennen.

We lazen Psalm 9. “U wil ik loven Heer, met heel mijn hart” Want? Waarom?

“Want U bent een burcht voor de verdrukte.” “De arme zal niet worden vergeten”

Ik dacht aan Trump. Hoe hij Latino’s had uitgekafferd, zijn idiote plan om een muur te bouwen. Zíjn vesting is er een van angst. Verdeeldheid zaaien. En zeggen dat hullie het hebben gedaan. Dat laatste werkt altijd weer. Gewoon zeggen, dat een ander schuld heeft. En dat jij, Trump, jij politicus, dat jij ervoor gaat zorgen dat die ander een toontje lager zal gaan zingen. Zodat wij gelukkig zullen worden.

“We will make Amerika great again!” Maar wie die wij dan precies zijn? En hoe groot is groot? Bij Trump horen heel veel mensen niet bij het “wij”.

Dat maakt angstig.

Hij heeft geen enkel respekt voor instituties

Dat maakt angstig.

Trump trekt zich niets aan van feiten

Dat maakt angstig

Hij is een sloper, geen bouwer

dat maakt angstig.

Psalm 9 zingt ineens tegen alle angst in: er zal een schuilplaats blijven voor de arme. Er zal een plek zijn voor de verdrukte. Het geweld zal niet winnen.

De psalm speelt nòg hoger spel. Het lied zegt: de vijand heeft al verloren. De volken hebben hun eigen graf gegraven. (Waarbij ik even in de kantlijn zet dat ‘de volken’ niet die gezellige folkloristische groepen zijn met hun eigen dansjes en baksels, maar ‘de volken’ zijn de woedende menigten die niet weten wat ze doen en op alles trappen wat van waarde is. Die dus. En die hebben al verloren.)

Dat moet je dus wel zo willen zien. Je kunt kiezen voor de angst. Populisme maakt mij bang, ik geef het toe. Maar de angst richt niets uit. Trump is toch president.

Je kunt ook kiezen voor de stabilitas. Ik blijf God trouw. De God die de ander de hand reikt. Vreemdeling, verschoppeling, uitgebraakte, weggeduwde. We lazen er ook nog eens Markus 2 bij.

En als ‘God’ geen woord is dat je ziel verlicht?

Dan helpen misschien die Engelse posters: keep calm and..

Keep calm, de goedheid blijft.

Keep calm, het recht blijft

Keep calm, zolang jij en ik, en jij, en jij, en jij, en jij

blijven zoeken naar recht van iedereen

zolang is er niets verloren

 

We baden vanmorgen met nog meer vuur dan anders.

 

Zinvol zinloos

95487-unbearable-lightness-of-being-quotes“Ja, ik ervaar mijn bijdrage aan het leven als zinvol. Mee eens, een beetje mee eens, neutraal, een beetje mee oneens, mee oneens”

Of ik het maar even wilde aanstrepen. Mijn pen bleef weifelend rondjes draaien rond de woorden “oneens”. Ik ben dominee. Geen heel goede, geen heel slechte. Maar zelfs al was ik de beste, wie zit er tegenwoordig op een dominee te wachten? Ik ben getrouwd, maar ik heb geen kinderen. Dus voor veel toekomst zorg ik ook niet. Ik heb geen mensen gered, geen steen in een rivier verlegd, ik ben geen revolutie begonnen. Ik ben er.

En daar is het dan mee gezegd.

Ik kon geen antwoord geven. Wat is zinvol? Is de bijdrage van de mensen met grote namen wel zinvol? Barack Obama? Angela Merkel? Ik bewonder ze. Min of meer. Maar is dat een bewijs van hun zinvolheid? Moet je over duizend jaar nog herinnerd worden? Mwah. Nero herinneren wij ons ook nog steeds. Maar of het nou zo zinvol is om mensen in de fik te steken, zoals hij deed? Of een stad af te branden en daar harp bij te spelen?

Ooit was ik jaloers op een leeftijdsgenoot. Hij was 24, gepromoveerd en had al drie klinkende, historische, studies op zijn naam staan. Ik zag hem onlangs weer. Nog altijd gepromoveerd. Nog altijd drie historische studies. Maar daarna? Niets. Niets bijzonders. Hij was getrouwd. En schreef nog steeds. Hij was net zo dik geworden als ik.

Dus.

We lazen uit de Hebreeënbrief. In dezelfde weken dat deze onmogelijke vraag werd gesteld. Een brief vol “waarom doen we dit eigenlijk?”. Vol: “Wat heeft dit voor zin?” Vol: “Zullen we er maar niet mee stoppen?”

Er zijn mensen die onder de onbenulligheid van hun leven bezwijken. Ik begrijp hen. Ik verdraag de ondraaglijke lichtheid van het bestaan niet. Niet zomaar.

De schrijfster van de Hebreeën doet iets geks. Ze zegt niet: “Oh, maar je bijdrage is ontzettend waardevol!”. Ze overtuigt mij niet van mijn fantastische aanwezigheid. Nergens een compliment. Daarin is ze zuiniger zelfs dan Paulus. Die kan, naast zijn kritiek, dan tenminste nog ergens zeggen: “Ik dank God voor jullie geloof.” Mevrouw Hebreeën dankt nergens voor.

Nergens? Nee. Ze slaat mij over en begint over een kosmologische werkelijkheid. Totaal niet op thema. Totaal op thema. Ze vertelt een verhaal zo groot als een mythe. Dat Jezus (verhip, niet ik, maar een ander) de Hogepriester van deze wereld is. En dat hij liefdevol is en goed en zuiver. Hij brengt het ultieme offer. Hij is zelf het ultieme offer.

Hij wel. Alle betekenis is er. Buiten jou. Zegt de schrijfster.

En ikzelf? Ach, gaat mevrouw Hebreeën opgewekt verder. Kijk, weet je. Dit is de hemelse hogepriester. De aardse hogepriesters, dat waren knullige persoonlijkheden, dat ben jij ook, knullig, geef maar toe. Dat geeft niet. Dat is mooi. Zo moet het zijn. Want zij konden zij zich daardoor inleven in jouw verdriet. En jij in dat van hen. Zij begrijpen jouw gemis. En jij dat van hen. Ze voelen zelf jouw kleinheid-waar-je-groot-had-willen-zijn. En jij dat van hen. En zo komt het goed. Waar je elkaar begrijpt, deelt de betekenis zich. Het zinvolle wordt aan jou verleend.

Ach, zegt ze nog een keer monter. Weet je. Er is eigenlijk een stróóm van knullige persoonlijkheden. Je bent niet alleen. Generatie op generatie. Abraham, Sara, David, Mozes, Deborah. Grote namen? Misschien. Maar dan vooral groot in klein-zijn. Veel grootsheid zagen zij niet. Veel grote dingen deden zij niet –

maar

in hun binnenste wisten zij: het is goed. Zij vertrouwden God.

Zij vertrouwden het grote verhaal. Ze droegen het verder. Ze werden er zelf onderdeel van.

 

Of mijn bijdrage zinvol is? Ik zet een kringel om “mee oneens”.

Ik kringel nog een keer: rondom “mee eens”

Ik ben er.

En dat is geweldig.

 

Want in mij vindt het eigenlijke een rustplaats,

zo lang ik er ben.

Vertrouw ik.

Alle kleine beetjes helpen. Toch?

Volslagen krankzinnig … mooi.

De muziek was goddelijk, zei Mike Bodde, maar we moesten maar niet te veel op de inhoud letten (hier). Hij doelde op de aria “Wie wunderbarlich is doch diese Strafe” uit de Mattheuspassion van Bach. Want die inhoud: die was volslagen krankzinnig. “Barmhartige heer offert zijn eigen zoon.” Tot zover Boddé ’s diepte-analyse van het lied.

Nu ben ik zelf niet zo dol op Bach. Te frutterig, te corsetterig en dwangmatig, sorry. Maar ik snap wel, dat de eventuele goddelijkheid van zijn muziek àlles te maken heeft met de inhoud ervan. Die twee kun je niet zomaar uit elkaar scheuren. Bach moet zelf hebben geloofd wat hij op muziek zette. Goddelijke muziek ontstaat niet op een flutinhoud.

Je zou mogen verwachten dat een kommaliefhebber als Witteman niet akkoord gaat met: “laten we de tekst hier voor het gemak maar even vergeten.” Hij deed het wel: er mee akkoord gaan.

Kom op, mannen: het gáát om de tekst.

En ja; die is volslagen krankzinnig.

Volslagen krankzinnig, mooi.

“Hoe wonderbaar is deze straf,

de goede Herder lijdt voor zijn schapen

de schuld, betaalt de Heer, de Rechtvaardige

voor zijn knechten”

In het Duits rijmt het. Maar dat had je al begrepen. Hoe komt Bach, of eigenlijk zijn librettist, nu bij deze tekst? En wat zouden wij er mee moeten?

Het komt uit de bijbel (open deur). In het Oude Testament staat een tekst die indringend vertelt over iemand die mishandeld wordt (Jesaja 53, onder andere). Zijn baardharen worden uitgetrokken, hij wordt geslagen. hij krijgt met de zweep, en iedereen denkt: “Zo, die is door God en alleman gehaat zeg.” Maar dan komt onverwacht de clou: hij droeg onze straf. Hij werd geslagen en wij genazen er van.

Duidelijk he? Nee. Raadseltaal.

Maar goed, de tekst komt terug, later. Als Jezus is gekruisigd. Die hele martelgang van Hem leek één gruwelijke fout. Jezus was meer dan een goed mens. Hij had dit niet verdiend.

Maar leg je nu Jesaja bij de kruisdood van Jezus, en dat deden zijn leerlingen, dan lijken raadselstukjes op hun plek te vallen. Híj verdiende geen straf, maar de mensen wel. Het wonder is: zij werden niet gestraft. Maar Hij wel.

Het beeld van de goede Herder die de straf draagt voor zijn schapen, dat is onder andere door Petrus zo gezegd. Hij schrijft er over in één van zijn brieven. Hij droeg de straf die voor de mensen, voor ons, bedoeld was.

Nog steeds raadseltaal?

Ja- het blijven teksten die groter zijn dan wij. Nooit kan ik helemaal zeggen dat ik het snap. Net als poëzie: ik lees het, het doet iets met mij. Maar als je mij vraagt: leg het uit, dan sta ik met een mond vol tanden.

En toch.

Dit is wat ik er van begrijp.

Als ik kijk naar de afgelopen week. Brussel, Ankara, maar als ik daarbij ook denk aan Mosul, aan Homs, aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven onder de bommen van de Westerse mogendheden en aan de mannen en vrouwen die zijn gestorven door messen en bommen van IS, en dan is dat nog maar een versimpeling van alles wat er gaande is. Ik noem dan nog niet eens de vrouwen die deze week door hun mannen zijn mishandeld, of de mannen die zijn vermoord, of het alledaagse onrecht van de rijke die overal doorheen komt terwijl de arme overal voor lijkt te moeten boeten. Als ik die wereld zie, dan denk ik: zo veel kwaad, zo veel rotzooi. Dat kan toch niet onbeantwoord blijven? Het kan toch niet altijd maar zo doorgaan?

Wilders riep gelijk om het dichtgooien van de grenzen. Het aanpakken van de misdadigers. Het preventief fouilleren van “donker getinte personen”. Hij was de enige niet. We willen voorkomen. We willen ook rechtzetten.

Zo veel rechtvaardigheid hebben mensen dan nog wel in hun donder. Wat oneerlijk is mag niet de vrije hand hebben. We willen dat het oneerlijke stopt.

Omdat dat de basisstructuur van ons bestaan is, zeggen de schriften. God is rechtvaardig. Zeg: de energie achter alle dingen. Ik zeg: de stem die in alle dingen spreekt.

Kwaad moet worden rechtgezet.

En wat zegt nu de aria? Die zegt dat alles al rechtgezet ìs.

Huh? Oh!

Jezus heeft de straf gedragen

niemand zal meer worden gestraft

 

straf is helemaal het woord niet

leven, dat is het woord

ga vrijuit – dat is het woord.

 

Voor mij betekent Goede Vrijdag allereerst: wij zijn vrij  –

en daarna volgt in één adem: laat ook anderen vrij

straf hen niet.

Deze week begonnen mensen in Brussel op de straten en muren te tekenen en te schrijven. Het waren woorden van hoop. Ze tekenden een nieuwe wereld. Eentje, waarin mensen elkaar niet meer zouden doden, maar waarin mensen elkaar het leven zouden gunnen. Wat ze ook maar op hun kerfstok zouden hebben.

Ephimenco, een columnist in dagblad Trouw, geloofde er niet in. “Met krijt en bloemen win je geen oorlog.”

Ik dacht: “Voor wie het wel geloven is de oorlog al voorbij. Voor wie het wel geloven heeft haat geen macht meer. Voor wie het wel geloven heeft de dood geen greep op ons.”

Maar ja, ik snap het wel: dat te geloven is tamelijk

krankzinnig

Hoera, de vrucht is geplukt. Sorry.

adam en eva

 

Mijn eerste offer herinner ik mij nog. Het was een bewegingsoffer. Ik was vier en op weg naar school. “Als ik nu alleen op de rode stoeptegels stap, dan…” Ja, dan zou het allemaal goed gaan vandaag. Later was dat offer niet voldoende, trouwens: ik mocht later alleen met mijn rechterbeen op het rode staan en links op de grijze stoeptegels. Het werden lange wandelingen naar school.

Neurotisch? Wmah, ja waarschijnlijk.

Magisch? Dat zeker. Alsof de werkelijkheid zich spontaan iets zou aantrekken van míjn voetstappen. Een beetje megalomaan was het dan ook wel. Voor een vierjarige.

Maar daarmee was het nog niet volslagen idioot. Hoop ik tenminste. Ik had wel iets begrepen. Dat ik een eigen persoon was, namelijk. En dat ik op de één of andere manier verantwoordelijkheid droeg voor mijn bestaan. Ik was ik. Ik kon mij niet verschuilen achter het gedrag van een ander. En ik besefte ook dit: er was licht, maar ook donker. Ik zal dat toen hebben verstaan als: er is gedrag dat de juffrouw aanstaat, en er is gedrag dat zij liever niet ziet. Ik wist in dat mijn gedrag ook fout kon gaan (haha, ik was nogal opvliegend, toen al!) Ik kon daar bovendien niet altijd iets aan doen. Soms liepen dingen zomaar vanzelf fout. Alsof zíj wilden dat het misliep. Ik wilde dat het goed zou gaan.

Nou, daar kon ik wel wat hulp bij gebruiken. Van stoeptegels, desnoods.

We lazen een tijdje terug uit Genesis 3. Dat aangrijpende, mysterieuze oerverhaal over… ja over wat precies? “La condition humaine”, zou een filosoof uit de jaren zestig zeggen. “De menselijke staat”, hoor ik een dominee hem naspreken. Maar zo akelig: er galmt een lange kerkelijke echo achteraan.

Aan de keukentafel klinkt het dichterbij. Met meer vlees en bloed er in. Het treft mij, dat alles draait om die boom van de kennis-van-goed-en-kwaad. En dat de vruchten van die boom ‘heerlijk zijn om van te eten’. Dat lijkt me nou ook. Je wilt, als mens, toch een beetje fatsoenlijk voor de dag komen. En daarbij een beetje snappen wat wel en wat niet hoort. Als mens dan. Een luipaard kan een reebok verscheuren dat het bloed er van afspat. Zijn geweten zal er niet onder lijden. Maar als ik dat doe…

Vanaf het moment dat de mens ontwaakte, toen hij homo erectus werd? Homo sapiens? Eerder? Later? Vanaf het moment dat de mens wist: ik ben er. Sloop daar deze vloek achteraan: als je weet dat je er bent, heb je je ook te gedragen naar dat weten.

Dank u.

Eva plukte van de vrucht. Een beschavingsoffensief. Dat dat de vrouw wordt toegeschreven verbaast mij niets. Zet vijf jongens op een paar dagen op een camping en er liggen overal lege kratten en bierflessen en een hoop gebral er om heen. Komt er een meisje aan, begint het grote opruimen. Nou ja – niet helemaal waar. En toch ook wel. Ik denk dat vrouwen inderdaad al nadenken over wat kan, terwijl de man nog naboerend aan zijn achterwerk krabbelt.

Eva plukt dus de vrucht. Adam ook.

En dan gaan hun ogen open. Ze zien dat ze te kiezen hebben. De armen. Ja of nee. Wel of niet. Het is een doorgaand verhaal: hoe meer wij weten, hoe meer keuzes wij zullen moeten maken, hoe meer wij verantwoordelijk zullen zijn voor onze keuzes, hoe meer kans dat wij falen, bang zijn om te falen, onzeker worden, het niet weten, wij smeken: o alstjeblieft: mag deze keuze aan ons voorbijgaan?

Er is nu TIPP, die test waarmee vroegtijdig kan worden gezien of een ongeboren kind kans heeft het syndroom van Down te hebben. Je wilt die keuze. Ik zou als vader ook willen weten wat me te wachten stond. Maar nu die keuze er is, zou je terug willen naar een soort paradijselijke naïviteit. Want kiezen betekent: verantwoordelijkheid. En wie zal je kunnen zeggen dat het goed was om je kind geboren te laten worden? Als het een baby blijkt die drie jaar onafgebroken huilt en jengelt en pijn lijkt te hebben? Wie zal zeggen dat je goed hebt gekozen, toen je voor abortus koos? Als je de Jostiband ziet spelen en denkt: “Daar had onze dochter ook bij kunnen zitten?”

Niemand. Niemand heeft het antwoord.

Toen de ogen van Adam en Eva waren open gegaan zagen ze dat ze naakt waren.

Kwetsbaar.

We zullen het er mee moeten doen.

“Wat elk kind doormaakt”, zei iemand eens: “dat heeft de mensheid in haar geheel doorgemaakt.” Ik denk dat het waar is.

Toen ik mijn stoeptegels durfde los te laten. En te laten komen wat er kwam. Oh, dat was jaren later. En eerlijk is eerlijk: soms schep ik nog wel eens een stiekeme stoeptegel, rood of grijs. Ik kwam in een soort “zwevende ruimte”.  Leven als een sprong, zonder veiligheidsgordels. En dan maar hopen dat het allemaal zijn weg wel zou vinden.

Die zwevende ruimte heet, meen ik, genade in de kerk.

We lazen dat, toen Adam en Eva het paradijs achter zich hadden gelaten. En nee het ontwaken was niet genoeglijk, lieflijk en fijn geweest. Dat toen (toen pas, dus!) Adam met Eva vrijde en er een kind geboren werd. Hier begon het leven. Of: hier ging het leven verder.

Levensles 1: aanvaard dat je fouten maakt, het is niet anders. En levensles 2: je fouten en je schoonheid maken, beide, dat de wereld is zoals die is. Wees daar blij mee.

Het waren grotere lessen dan ik ooit op school leerde