God wil geen god zijn.

 

Ooit was het duidelijk: goden leefden hun eigen soap-serie. In hun hemel. Ze vreeën, ruzieden, voerden oorlog en maakten het weer goed met elkaar, net naar het hen uitkwam. De gevolgen van hun gedrag waren voelbaar op aarde. De aarde van de mensen. Onweer? Dan was Wodan kwaad. Of Zeus. Had hij weer ruzie met zijn Hera. Het enige wat de mensen konden doen was smeken. Eerbiedig smeken. Met de pet in de hand. Smeken om een gunst. “Oh lieve Wodan, laat de bliksem niet bij mij inslaan.” “Oh machtige Zeus, laat de storm aan mijn huis voorbijgaan”. Want u weet toch wel hoe goed ik mijn best doe? Hoe ik alleen maar aan u mijn offers breng? Hoe ik het waard ben? Oh nee, niet waard ben: maar u, u bent het waard.

En als de goden dan  een goede dag hadden,  kreeg je het. Even een gelukje.

Fikte het huis van je buurman af. Blikseminslag.

De verwarring begon, toen de God van Israël het toneel betrad. Hem was het niet genoeg: douceurtjes uit te delen. Hem was het niet genoeg: God in de hemel te zijn. Met gouden kranen en eeuwige godendrank. Hij, schrijft Mozes, Hij daalt af. Hij verlaat zijn hemel.  “Ik heb het gejammer van de mensen gehoord”, zegt Hij. “Hoe ze worden gemarteld. Hoe ze worden gekleineerd. Ik heb het gehoord.” Ik ben afgedaald. En jij, Mozes, jij gaat nu op pad. Zeg tegen Farao: “Zo niet langer!”

Een gelukkige gebedsverhoring is niet genoeg. Want die buurman. Waarom zou de regen wel op jouw akker vallen en niet op die van hem? God, de God van Israël staat voor: het moet hier helemáál anders. Voor jou. En voor je buurman..

En? Gingen de mensen? Voor een andere wereld? Ja, soms. Franciscus van Assisi, bijvoorbeeld. Hij verliet zijn paradijs, kleedde zich uit, en deelde zijn leven met de armen.  Of moeder Theresa. Of Hebe Kohlbrugge. Of Miep Gies. Of al die mensen die we niet bij name kennen – die zich gaven, deelden, inzetten. In grote en kleine gebaren.

Vaak gaan mensen ook niet. Gaan de oproep van God niet aan. Blijven stil staan. En nemen er genoegen mee: als ik nou bid. En U geeft mij. Dan zal ik U prijzen.

Mensen nemen er genoegen mee.

God niet.

er blijft een stem, een verlangen roepen: geen gunsten maar recht

(afbeelding: Ikoon van Wassil Wasin, Mozes voor Farao)

Advertenties

Bidden? Wat is dat nou weer?

Toen had iedereen een mening over bidden.

“Ze doen het alleen maar, zodat ze zichzelf beter kunnen voelen dan een ander”, schreef ene Betty uit Duitsland op Facebook. “Bidden is laf”, reageerde een ander. “Je moet niet bidden, je moet wat gaan doen.”, adviseerde Atheism 411. Charlie Hebdo liet één van zijn tekenfiguurtjes melden: “We hebben geen gebed nodig, wij willen champagne, dans, zoenen.” Zelfs de Dalai Lama, toch geen sufferd op religieus gebied, mengde zich in het debat: “Je moet niet naar een god gaan bidden. Mensen doen dit, mensen zullen het moeten oplossen.”

De aanleiding was “Pray for Paris”. De spontane oproep na de terreur in Parijs. “En”, zeiden we later: “for Bayrut and Mali”.

Het riep nogal wat emotie los. In één etmaal tijd was ik “onnozel”,  “iemand die niet van het leven houdt”, “een gevaarlijke gek”, “een achterlijke rand- enz”. Voor uw gemak, en voor het mijne, laat ik de seksuele abberaties waaraan ik volgens de reaguurders zou lijden maar achterwege. Want ja, ik bid.

En ik dacht dat atheïsten rationele, bedaarde mensen waren.

Zijn we allebei een illusie armer.

Aan Charlie Hebdo schreef ik trouwens: “Ik bid èn ik drink champagne. Mag dat ook?” Ik hoop, dat google-translate er geen raar verhaaltje van maakte. Dat het atheistisch front zich niet de krieken heeft gelachen omdat de vertaalmachine zegt: “Ik bid dat ik champagne zal krijgen” ofzo. Of erger nog: “Ik bid dat er geen champagne meer zijn zal.” Je weet het maar nooit. Never trust a machine.

Ik bid niet om champagne, omdat ik zo langzamerhand wel doorheb, dat God geen sinterklaas is. Dank u wel. Ik bid geen verlanglijstje bij elkaar. En ik bid al helemaal niet uit een soort levenshaat. Ik ben dol op het leven.

Bidden gaat helemaal niet over “je probleem afschuiven op een ander”. Bidden is wel: onder de indruk komen wat het probleem eigenlijk is. Tenminste: zo ervaar ik het. Ik word stil, omdat de dingen groter zijn dan ik. Onmogelijk, dat ik begrijp wat er in Parijs is gebeurd, laat staan in Beiroet, of Mali. Politici roepen wel, dat ze het weten, maar is dat zo? En wijzen zij iets zinnigs? De rapheid, waarmee van links tot rechts werd geroepen dat we nu “en guerre” zijn, doet mij vermoeden van niet. En dat we ook helemaal niet de bedoeling hebben om iets te begrijpen. Zij slaan ons, wij slaan hen. Klaar. En het doet er niet zo heel veel toe wie “zij” zijn. Welke “zij” we eigenlijk op het oog hebben. Als er maar terug geslagen wordt. Want “wij” worden bedreigd. Welke “wij” wij dan ook zijn. Ik sta altijd stom verbaasd, met wat voor snelheid mensen zich aaneen scharen na iets indrukwekkends. Met de buurman die ik gisteren nog niet aankeek en met wie ik niets gemeenschappelijk heb, ben ik vandaag een “wij”?  O? En met de islamiet verderop dan niet? O?

Bidden is voor alles: op een elegante manier tijd rekken. Die tijd hebben we nodig om te luisteren, tot bezinning te komen, de impact te horen. Bij de aanslag op de Twin Towers zei de tòenmalige president: “Ik weet niet wat ik zeggen moet, maar ik ben bang, dat als we over oorlog spreken, wij de verkeerde wapens oppakken.”

Vandaag werd een Russisch gevechtsvliegtuig door Turkije uit de lucht geschoten. Ik dacht terug aan de Chirac van toen.

“Tot tien tellen”,  zei mijn moeder. En dat zei ze, omdat kwaad worden heel gemakkelijk is, maar wijs blijven niet. Onze ziel zit raar in elkaar. Het is nodig om naar buiten te luisteren, maar net zo goed wil de ziel beluisterd worden. Wat is impuls, wat is waarheid, wat is echt en wat is dwaasheid.

En ja: ik geloof dat ergens in dat luisteren God zich meldt. Dat is ook mijn ervaring. En als ik God zeg, bedoel ik niet “een almachtig wezen dat het voor mij oplost”. Ik schrijf ook liever G’d. Iedere keer opnieuw zal G’d zichzelf tonen. Met een zekere diepzinnigheid zeggen de Bijbelse geschriften dat G’d “Ik-ben-die-ik-ben” heet. Je weet niet zomaar iets. Je weet pas als je het weet.

Ik bid misschien wel het meest, omdat ik hoop dat er een creativiteit loskomt. Dat we niet herhalen, wat we altijd al doen. Maar dat mensen een nieuwe taal vinden. Nieuwe gebaren.  Iets, zoals de islamiet die op de Place de la Republique ging staan met een blinddoek om: Je kunt mij doden, maar wil je mij ook vertrouwen, misschien?

Bidden is: sterk worden om vertrouwen te vinden.

En dan,

ja dan handelen.

Paus Fransiscus zei een paar maanden geleden: “Wanneer je bidt om recht, en je hebt je ogen weer open gedaan, dan ga je daarna het recht doen. Want zo werkt gebed.”