Rouw. Een ode aan het leven.

Nee, geen dankdienst voor mij als ik dood ben. Ik begrijp de keuze van anderen, maar voor mij is het te vroeg. Alles op z’n tijd. Die dank, die komt wel. Na de rouw. Sla de rouw niet over. De pijn niet. Noch het verdriet. Organiseer na mijn dood een rouwdienst. Trek het zwartste zwart aan, leg zwaar geurende lelies op mijn kist en vraag de organist traag en diep te spelen. Ik hoop dat er gehuild wordt. Dat het van de balkons klinkt en aan de gewelven kleeft: hier is iemand dood gegaan. Iemand die er was en was en was. Die iemand verdween, zomaar, en wij begrijpen er niets van.

Toast niet op het leven, als je mijn lichaam net in de aarde hebt begraven. Dat leven komt wel weer. Maar nu niet. Laat er hete troostsoep zijn. Of bedrukt zwijgen bij een kop koffie. Iedereen is vrij bij zijn afscheid te doen wat hem past. Voor mij echter geen al te jofel doen over de dood. De dood is niet grappig, licht of leuk. Hij is verschrikkelijk. Die ene is weg.  Een arm wordt van je afgerukt. Het hart uit je lijf getrokken. Een stuk van je ziel wordt losgescheurd. En het komt nooit meer terug. Nooit. Meer.

Ik weet wel: de dood maakt ons handelen zinvol. Stel dat we voor altijd zouden leven, Dan hoefde niets vandaag. Dan kon alles altijd nog morgen. Dan hoefde uiteindelijk helemaal niets. Ik weet óók, heel goed zelfs: de dood is niet bij machte om al het leven te vernietigen. De dood kan iets moois hebben. Iets troostends: het gaat hier voorbij. Goddank. Maar dat alles is theorie. Dat kun je bedenken zo lang de dood ver weg is. Zo lang je met een kopje koffie in de hand op de bank zit. Met je liefste dicht bij je.

Maar als de schaduw valt, is het met het verheven denken gedaan. Dan is dood rauw. Wat was, was. Wat er niet was, zal er dus nooit meer zijn. Wat werd gezegd is nu gezegd, wat werd verlangd is nu verlangd En wat uitbleef, zal voor altijd uitblijven.

“Is dit voor jou ook een treurige dag?”, vroeg een lieve neef aan mij, terwijl wij achter de baar liepen van mijn oudste broer. Hij, mijn broer, en ik hadden geen simpele relatie. Wij moesten altijd vele dwaalgangen door om elkaar te vinden. We waren de tocht niet vaak begonnen. “Ja”, antwoordde ik. “Ja, toch wel. Want nu weet ik dat het dit is. Nooit meer zullen we nog probéren om iets van elkaar te begrijpen.” De dood is een doek dat valt. Het oordeel is er. Het is klaar.

Verzwijg de pijn niet.

En als ik dan word uitgedragen, langzaam wiegend op de schouders van zes stokoude reumatische zwarte kraaien, zing dan met elkaar. Zing een lied. Het lied van de Steppe. Huub Oosterhuis’ lied van de steppe. Dat die – toch!- weer zal gaan bloeien.

Wanneer je dan met dichtgeknepen stem die veel te hogen noten zingt van: Dode, dode sta op! Die machteloze hulpkreet. Als je die zingt, dan zal ik een kaars omduwen. Mijn geest zal een kaars op de avondmaalstafel omduwen. Zodat je, wanneer je de schrik door de rijen hoort gaan, wéét: ik zou het óók willen. Opstaan.

En leven.

Want dat leven. Dat wint.

Maar eerst. De rouw.

Advertenties

Eén reactie op “Rouw. Een ode aan het leven.

  1. Dag Sybrand,

    Iets in mij zegt dat deze rouwbe’leving’ wel heel recent is.
    Heb je de afgelopen dagen een begin moeten maken met het loslaten van je broer?

    Liefs, Hans

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s