Twee manieren.

Vroeger vond ik het wel een bruikbare indeling: die van de gelovigen aan de ene en ongelovigen aan de andere kant. De eerste groep, leek mij, had zelfs een streepje voor. De gelovigen begrepen iets van de wereld. Van God. Van Jezus. Dus ja: ook ik heb geëvangeliseerd. Toen ik nog jong, slank en simpel was.

“Gedenk de zonde van mijn jeugd niet”, zingt een psalm. Met de jaren bleken de antwoorden die ik had, helemaal niet mijn antwoorden te zijn. Ik wilde bij een groep horen. Een groep van “zeker-weten”. Dat hield veel innerlijke angsten op een afstand. Het maakte ook keuzes gemakkelijk.

Ik geloofde niet dat “God de wereld in zes dagen had geschapen”, om maar wat te noemen. Ik geloofde evenmin dat het huwelijk uitsluitend voor één man met één vrouw is, om nog even iets anders te noemen. Ik wilde het graag geloven. Ik wilde het zó graag geloven, dat ik spéélde alsof ik het geloofde. Mijn spel was overtuigend. Ik geloofde het zelf.

Ik geloofde dat ik het geloofde.

Om die acteur te kunnen blijven, had ik publiek nodig. “De ongelovigen”. Ik dacht, dat zij het evangelie nodig hadden. Het was anders: ik had hen nodig. Als ik zou ophouden op de waarheden de hameren, dan zouden ze uit elkaar vallen.

Zo kijk ik er nu naar:

Ik had zekerheden nodig om niet uit elkaar te vallen. Ik had publiek nodig, zodat mijn zekerheden op hun beurt niet uit elkaar zouden vallen.

Ze vielen natuurlijk toch.

Je innerlijk is sterker dan alles van buitenaf. Ik viel om. En mijn waarheden vielen met mij.

Ik doe het nu al decennia met vragen. En nee: de vraag, of God bestaat, is daarbij voor mij niet de belangrijkste. Ook helemaal niet zo’n interessante vraag. Ik ben christen. Dat is wie ik ben. Dus ik neem een aantal dingen als bagage mee. Als uitgangspunten. God is zo’n uitgangspunt.

Uitgangspunt van vragen. Zoals: Wie ben ik? Wat doe ik hier? Wat is van belang? Wie zijn anderen? Wie ben ik voor hen en wie zijn zij voor mij? Vragen die nooit ophouden.

Ze houden je niet bij elkaar. Nee. Maar ze houden je wel op weg. Je beweegt door het bestaan. Met je onzekerheden. De onzekerheden steken als vraagtekens in je ziel. En jij, ik, wij stumperen onze antwoorden bij elkaar. Die dan weer uit elkaar vallen tot een nieuwe vraag.

Ik heb nog wel een indeling, trouwens, van mensen. Misschien ben ik nog steeds evangeliserend. Ook al evangeliseer ik vandaag-de-dag de twijfel.

Je hebt mensen, zoals mijn jonge ik. Vol van hun zekerheden. Het doet er niet toe waar zij die aan ontlenen. Aan hun moeder, de wetenschap, de Mayakalender, de Bijbel, de wichelroede. Er is een soort mensen, dat heel precies weet wat alles zeggen wil en hoe het in elkaar zit. Ik kijk wel eens naar zulke mensen. Het is echt een soort persoonlijkheid. Ik verbaas mij. Zouden zij zelf geloven wat ze zeggen? De mensen die zichzelf bij elkaar houden.

Zo’n Paul Witteman (lekker, als je je opponenten ken). Als die zegt, dat hij niet in wonderen gelooft. Gelooft hij dat nou zelf? Ik denk dan vertwijfeld: dat er een heelal bestaat, onmeetbaar voor ons, dat het rond is, geen begin en geen einde kent en toch uitdijt; dat in dat heelal een bolletje hangt dat je nauwelijks terugvindt tussen miljarden andere bolletjes; dat op dat bolletje leven is, watervlooien, paarden, olifanten, koekoeksbloemen, mensen; en dat tussen al dat leven iemand rondloopt die “Paul Witteman” heet? Is dat alles niet zó belachelijk absurd, dat je het gerust een wonder kunt noemen?

Ik vraag maar eens wat.

Alle mensen hebben, denk ik, een pakketje geloof in huis. Goed, niet iedereen zal vertrouwd zijn met “wandelen over water”, of “blinden die weer kunnen zien”. Dat snap ik. Maar ergens leven we allemaal met een aantal aannames, die we verder niet bevragen.

Dat we hier zijn “om iets voor een ander te betekenen”, bijvoorbeeld. Of “dat je respekt voor elkaar dient te hebben.” Ook niet te bewijzen waarom dat zou moeten. Maar we vinden allemaal van wel. Op een enkele hork na dan, misschien. Maar die meent iets, denkt iets, houdt iets voor waar.

Gelovigen en ongelovigen, ik doe er niet meer aan.

Wel aan zeker-weters, en twijfelaars. Mensen die zichzelf vasthouden en mensen onderweg. Met als onderafdeling: gevaarlijke en ongevaarlijke.

Een IS-soldaat is een gevaarlijke. Gevaarlijke zeker-weter. Dat vindt ‘ie fijn. Hij wil een gevaarlijke zijn. Hij wil dat wij bang zijn voor zijn zekerheid. Nou vertik ik dat laatste. Ik laat mij niet gekmaken. Maar ik zou hem, en daarmee ook onszelf, wel een beetje twijfel gunnen. Gewoon: dat hij zou zien hoe verschrikkelijk het is een ander de strot af te snijden. En hij aan de zin er van zou twijfelen. Even.

Christen-gekkies zijn, nou ja: vaak aandoenlijk. Soms onnozel. Een enkele keer ronduit ergerlijk. Maar ik zou het hen zo gunnen – twijfel. En daarmee groeikracht. Dat het leven veel en veel rijker is, dan zij in hun structuren denken.

Dat laatste zou ik alle Paul Wittemannen onder ons trouwens ook héél erg gunnen. Je kunt wel denken dat je weet hoe het zit.Dat het rationeel is. Of wetenschappelijk bewezen. Maar het zit op beslissende momenten toch anders. Dat hij daar ruimte voor zou hebben. Voor “het andere, dat ik niet had verwacht.”

Gelovigen noemen dat dan trouwens weer “god”. Nou ja.

Hoewel ik vroeger zelf een van hen was, verbaas ik mij vandaag over iedereen die “het weet”. Hoe kun je iets, dat zo veel groter is dan jij zelf – het leven namelijk, hoe kun je dat nou “weten”? Je kunt hooguit vermoeden. Totdat je weer iets anders vermoed.

Meer dan tijdelijk weten is er niet. Dat zegt ons de twijfel.

 

Ja, en dat weet ik zeker.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s