Waarom ik geen boordje draag.

chamberlain-image-4

Nou ja zeg! Was ik mijn tijd al ver vooruit. In de jaren negentig, in mijn eerste gemeente, droeg ik al geregeld een (priester-) boordje. Het heeft het zelfs nog tot een hilarisch lied geschopt bij mijn afscheid. De laatste maanden is het ‘ineens’ een hot item geworden, nu een aantal dominees besloten heeft een boord te gaan dragen. Maar ik doe niet mee, dit keer.

Twintig jaar geleden was ik kakelvers uit een klooster gerold, had tweeëneenhalf jaar Polen in mijn lijf en was ervan overtuigd, dat “de dominee” een vertegenwoordiger was, van de kerk in elk geval, en van God hopelijk ook. In Polen was de geestelijkheid toentertijd zeer zichtbaar op straat aanwezig, niet zo af en toe, maar voortdurend. Kloosterzusters, priesters en – in mindere mate- monniken zag je herkenbaar gekleed in de winkelstraten en in de wijken daar omheen. Tesamen schiepen zij een atmosfeer van kerkelijke presentie, met al haar mooie kanten en met al haar nare keerzijden.

Zo stapte ik het ambt binnen: mijn persoon moest iets uitstralen. Ik kleedde mij donker, wat heus niet misstond; ik was nog heel slank, maar daar ging het niet om. Ik had een hele gedachtenwereld die achter de kleding en achter het boordje schuil ging. De dominee als een ‘venster op God’.

Die gedachtenwereld is er niet meer. Door mijn eigen stommiteiten werden er steeds meer gaten geprikt in het beeld van dat venster. Naief en enthousiast in de eerste gemeente, begreep ik niet dat sommige mensen mijn werk helemaal niet zo waardeerden. Dat was de eerste beschadiging. Maar veel grotere ontstonden door mijn eigen wezen: mijn ongeduld, mijn woede, mijn niet-altijd-even-evenwichtige-kijk-op-mensen; ik heb de plank nogal eens misgeslagen. Er zijn mensen door mij vergeten, er uit gewerkt, overgeslagen, minder aardig behandeld. Niet dat ik zo’n verschrikkelijk mens ben, dat nou ook weer niet: ik ben mens. Maar dit doet het boordje wel met je: het maakt je daar héél intens van bewust. Bij het omdoen van het boord, hoorde ik hoe vanuit de hoeken van de kamer de vergetenen naar mij toekwamen en mij fluisterend en indringend herinnerden aan mijn falen. 

Op dat feit liep mijn hele “dominee als venster op God”- beeld stuk. Ik was soms meer een gesloten luik, als er dan toch een beeld moet komen.

Met de jaren – en mijn man stimuleerde dat nog eens extra- verdwenen de zwarte kleren. Er kwamen kleuren voor in de plaats. En het boordje bleef onbewogen in de la liggen. Meer en meer. Ik zou nu niet eens meer weten, waar het is gebleven.

Er kwamen andere woorden over het predikantschap: “een mensje uit het stof verrezen”. Ik weet niet meer wie deze zin uitsprak: het is een kern van de calvinistische ambtsleer. Wij verwijzen helemaal niet. En als we verwijzen, dan uhm, nou ja: dat weet u nu al, waarnaar we dan verwijzen.

Ik ben het als het aantrekkelijke van het dominee-zijn leren zien: ik ben niet anders dan een ander. Niet in mijn schoonheid (zo mooi is een ander ook) en niet in mijn lelijkheid (ik hoef mijn schaduwkanten niet te overdrijven). En toch ben ik eenmalig. Dat maakt alles zo bijzonder. Jij bent ook eenmalig jij. Jij herinnert mij daaraan door jouw aanwezigheid. En ik herinner jou aan jouw kostbare, eenmalige ik door mijn aanwezigheid. G’d wordt door niemand vertegenwoordigd. G’d gebeurt waar wij elkaar ontvangen en herkennen. G’d gebeurt tussen ons in.

Ik ben geen sjamaan. Ik kan de regen niet door mijn bidden doen ophouden, ik kan de zon niet laten schijnen. Ik kan niet genezen, niet helen. Ik lees geen aura’s en ik voel geen stralingen. Ik ben geen priester die ‘iets bemiddelt’. Ik ben geen vertegenwoordiger van Christus. Christus vertegenwoordigt zichzelf. In de Bijbelse Geschriften en in de viering van de sacramenten. Ik ben een mens.

Het enige wat een beetje anders is dan bij een ander is dit: ik heb de luxe om iets meer tijd te besteden aan het lezen van de Bijbelse boeken, aan het geven van onderwijs, aan het opzoeken van mensen. Een ander zou het ook kunnen doen, zonder moeite. Maar ik krijg er het geld voor.

In de tussenliggende jaren, heb ik wel eens boos uitgeroepen, dat “alles wat voor mij belangrijk was, mij werd afgenomen.” Nu denk ik: en zo moest het precies zijn. Ik werd er mens van.

Daar gaat geen boord meer om heen. 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s