Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren ~ Szymborska

Sommige boeken komen met grote overmacht binnen. Door hun uitgebeende structuur, of juist hun barokke verwoording weten ze je ziel genadeloos te vinden. En tonen zich daar dan onverwacht hun genadevolle kracht. Voor mij was de trilogie Het Boek Dina (Het Boek Benjamin, Het Boek Karna), zo’n zielebeuk. Ik hoor mijn moeder nòg in mijn gedachten, hoe ze meer dan eens bij het lezen verschrikt “o ” riep, of tegen mijn vader: “Moet je nu toch horen!” En dat alles onder de lichtkring van de lamp boven de tafel.

Er zijn ook boeken, die je besluipen. Hun inhoud komt niet met geweld, maar druppelt naar binnen, zoals regenwater langzaam de wanden van een grot aanraakt en verandert. Sensueel, haast. Louis Couperus kende de kunst daarvan. Zijn boeken spinnen je in, vullen je met het stof, de menselijke haat, liefde, laagheid en schoonheid uit de negentiende-eeuwse salons. En ze laten je pas los, wanneer zij hun stempel in je ziel hebben achtergelaten.

Boeken die voorbij waaien en vergeten worden, nog voordat ze uitgelezen zijn, zijn er ook. De voorbeelden ervan weet ik niet meer. Ze waren als een terloops gesprek tussen twee vreemden op een bushalte. Zodra je de chauffeur vraagt: “Een enkeltje Hoofdstation”, is alles onopgeslagen verdwenen.

Opmaak 1Ik dacht dat daarmee de wegen naar de ziel ontgonnen waren. Maar Erwin Mortier vond nog een vierde. En bereikte zijn doel. Steviger misschien dan alle andere wegen hadden gekund. Zijn boek “De Spiegelingen” komt overrompelend binnen. Met een pen als een penseel tekent hij de jaren tussen de twee wereldoorlogen. Je hóórt tussen de regels de opkomst van de gekte, de oorlogsrazernij en de ondergang van een geordende maatschappij. En temidden van de mensen als zinkende schepen: Edgar Demont. Zijn hoofdpersoon.

De overrompeling liep echter stuk op de barrikaden van mijn ergernis. Mijn groeiende ergernis. Demont blijkt een naam te bezitten als een profetie. Hij leeft uit het leven van anderen. Van hun financiële onderhoud, de man werkt nergens ook maar één dag, van hun liefde leeft hij; en het meest leeft hij van hun lichamen. Terwijl hij hoofdstuk na hoofdstuk de liefde bezingt voor zijn minnaar en zwager Matthew, slaapt hij elke nacht met zijn knecht Pierre. Slaapt hij met het oogverblindende neefje van Matthew, Paul, slaapt hij met een Duitse soldaat, slaapt hij met een verminkte Japanse man uit Ossaka. In het volle licht en bitterhard voor de fantasie van zijn lezer, beschrijft Mortier alle lichamelijkheid tot in de kleinste beweging en de geringste trilling van lust.

Ik vond het stuitend grenzeloos. Maar toen had ik het boek nog niet uit.

“Waarom lees je het door?”, vroeg iemand. “Omdat ik er voor betaald heb”, antwoordde ik. En omdat ik vermoedde dat er vlak vóór mijn barrikades toch een wonder gebeurde. Het boek ging uit. Edgar Demont werd oud en stierf achter de laatste bladzij. Ik kon alleen de sedimenten in mijn herinneringen verzamelen. En daar ontluikte alles wat ik gelezen had.

Allereerst blijft de schoonheid van Mortiers taal. Het fragmentarische van het boek, brieven, flash-backs, herinneringen en gesprekken, maakt zijn schrijven haast tot een gedicht. Zijn woorden zijn elegant, behaagziek. Kwetsbaar en nooit robuust.

Dat is de grootste indruk die achterblijft. Een anti-indruk bijna: Mortier laat je kwetsbaarheid voelen. Die haar bron vindt in onze lichamelijkheid. Edgar, die zoveel mannen bemint en hun intieme welvingen kent, is in de Eerste wereldoorlog zowat uit elkaar gereten door een granaat. En zijn knecht met hem. Het is een dia in mijn hoofd geworden: hoe de mannen van het slagveld terugkeerden door een moerassig gebied. Ze zeiden net tegen elkaar, in de dalende avondzon, dat het een redelijk rustige dag was geweest. Hun gedachten zweefden al boven hun britsen. En toen, ineens, vanuit het niets, die klap, het opspattende water, de modder, de zon, de vallende nacht, het bloed, de stilte. En het zachte kreunen. Van mensen die tot kapotte lichamen waren gereduceerd.

Wij zijn lichamen. We hebben een lichaam, maar we zijn ook lichaam. “En God wordt door onze sterfelijkheid ontroerd”, zingt psalm 78. Leven, verzoening, verlangen: het is alleen in het lichaam te ontdekken, zegt Mortier. Ík hoef geen hiernamaals. Laat me voortbestaan als de gewaarwording van je jukbeenderen en je wangen op mijn handen, of je lippen onder mijn pink. Verzoening, eindelijk verzoening.’

De beelden van de vrijende Edgar keren de laatste weken vaker en vakerin mijn geestesogen terug. Ze mengen zich met de beelden van mannen die andere mannen de keel afsnijden. En die denken daarmee iets te winnen.

Mortier maakt tastbaar, dat je niet sterker bent dan je dood. En dat ons dat zou moeten ontroeren.

Over: De Spiegelingen, van Erwin Mortier, 2014

 

Advertenties
door sybrandenhenk Geplaatst in recensie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s