Hoe G’d eenzaam werd. En hoe Hij nieuw leven vindt.

Of de zaal nu ook hóórde wat er werd gezegd, bleef mij onduidelijk. De mensen reageerden nauwelijks. Eerlijkheidshalve moet ik zeggen, dat ik het zelf ook al weer half vergeten was. Kennis die niet meer met jou praat, gaat verloren. En zeg nou zelf: hoe vaak denk je nou aan de Dodezeerollen?

Daar ging het over, vorige week. Heel precies ging het over een bijbelvers uit Deuteronomium. Dat de Allerhoogste het land verdeelde naar het aantal zonen van Israël. So far so good. De NBV zegt het klip en klaar. Net als de NBG en al die andere Nederlandse vertalingen. Maar er is een Latijnse vertaling, de Septuagint, zo genoemd omdat men ooit vertelde dat zeventig geleerden er voor hadden gewerkt, en dáár staan helemaal geen zonen van Israël, daar staan ‘engelen van God’. Schrijffoutje? Dachten de geleerden misschien dat elke zoon van Israël een eigen engel had? Zulke gedachten gingen wel rond in de groeitijd van de Schriften.

Maar toen hadden we nog geen snipper uit Qumran gelezen. Uit de honderdduizenden papiertjes kwam zomaar deze tekst naar boven. Tenminste, en hier ging het om: op de papiersnipper stond niet, dat de Allerhoogste het land verdeelde naar het aantal zonen van Israël, maar daar stond dat El-yon de aarde verdeelde naar het aantal zonen van God.

Nadat we afgelopen donderdag die tekst gelezen hadden, opende de inleider, Michael van der Meer de sluizen van zijn kennis. Dat God, ik bedoel de God van Israël, ooit deel had uitgemaakt van een godenfamilie. En dat Hij daarbij helemaal niet de hoogste was geweest. El-yon, dat was niet déze God, dat was zijn Vader! En Hij had maar liefst 69 broers gehad, zijn zussen nog niet eens meegeteld.

Nog verder stroomde de golf uit Van der Meers reservoir: die God van Israël, met die onvertaalbare naam JHWH, was ooit getrouwd geweest met Ashera. Er zijn nog asjerahbeeldjes van. Van Hem. Met zijn vrouw. Een pronte dame, het kan niet anders gezegd worden. Zij hoefde bepaald niet naar Schumacher voor een gevelreconstructie. “Zij was godin van de vruchtbaarheid”, zei Van der Meer.

De zaal hoorde het aan. Of niet? Misschien was het te veel. Te snel. Kennis die geen raakvlakken heeft met wat wij al weten, komt slechts na een lange weg bij ons binnen. Maar misschien dachten de mensen ook wel: “Weer iets nieuws. Laat maar.” Na Kuitert schrikken we nergens meer van, eigenlijk.

Ik vond het sneu voor God. Dat Hij zijn vrouw was kwijtgeraakt. Welk volk laat zoiets nou gebeuren? Met z’n tweeën is toch een stuk gezelliger dan alleen. Of niet? En dan die hele familie van Hem: weg. Ik voelde een koude wind, zo moest het rondom deze God zijn. Alleen in de avond, op een hoek van de straat, een kale straatlantaarn boven zijn hoofd. En verder een gure windvlaag als metgezel. “En drank”, zou Gerard van ’t Reve zeggen.

“Niemand is ooit in God zelf geïnteresseerd”, schreef hij, de dichter en schrijver. “Iedereen wil altijd iets van Hem” En dan heeft Hij ook nog niet eens iemand thuis om tegen aan te klagen. “Hij zou kunnen drinken”, vervolgt ’t Reve. “Hij zou ook niet kunnen drinken, dus wie zijn wij om te  oordelen?”

In de auto, na de lezing, vertelde Van der Meer, dat God zijn vrouw verloor door politieke machinaties. De Assyriërs, een dictatoriale koning, veel geweld: er was nogal wat voor nodig geweest. “Maar waarom hebben de Joden God zijn vrouw niet teruggegeven, toen zij dat konden?”, vroeg ik. We waren inmiddels al bijna bij het einddoel. Het bleef even stil. Van der Meer vroeg naar mijn bestaan. Waar ik gestudeerd had. En zo gleed Ashera ongemerkt uit het gesprek.

Maar niet uit mijn gedachten. Later in de nacht, in de uren waarop iedereen kwetsbaar en eenzaam is, hoorde ik God kreunen. Als in een kleine openbaring begreep ik de profeten. En vooral hun felheid. Als Israël nu niet trouw bleef aan G’d, dan zou Hij werkelijk de enig overgebleven zijn. Dan had Hij niemand meer om mee te praten.

Dan zou Hij sterven.

Ja, dat blijft toch de indrukwekkende intuïtie van het Joodse volk. Dat G’d òns nodig heeft. Dat onze werkelijkheid niet kan bestaan, als wij zelf niet onze inzet schenken. Israël gaf G’d wel een vrouw: zichzelf, namelijk. Er zijn lezingen die zeggen: die schepping van Adam, die eenzame Adam, en die schepping van Eva uit zijn rib – die gaan uiteindelijk over G’d en zijn volk. Over de messias en zijn bruid.

De vruchtbaarheid komt niet van goden, maar de vruchtbaarheid komt van ons, mensen. En vruchtbaarheid bij deze allenige G’d is: rechtvaardigheid, vrede, leven voor iedereen. En wij kunnen – op die manier- vruchtbaar zijn, omdat wij raakvlakken hebben. Wij zijn uit de rib van G’d gebouwd, tenslotte. Partners in business.

Ik hoor G’d roepen: “Joehoe, Adam, waar ben je?” Ik hoor Hem ineens met andere oren. Ik wil Hem verwarmen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s