Ik werd de gelovige die ik vroeger niet begreep. En ik ben gelukkig.

Ik hield van mijn ouders. Zeg ik alvast maar, voordat je er aan twijfelt. En op een bepaalde manier hou ik nog van hen, ook al zijn ze gestorven. Maar missen? Nee, dat doe ik hen niet. Ik heb geen “had ik maar”, of “was ik maar”. Ik herken de gedachte niet, dat je nog zou willen dat ze er nog waren. Nee.

Ik vond het een soort bevrijding, toen mijn moeder stierf. Voor haar; ze was oud en telde de dagen. “Hoe vaak word ik nou nog wakker?”, vroeg ze eens doodvermoeid. Maar het was ook een bevrijding voor mij. Begrijp me goed: niet het soort, waarbij je de vlag uitsteekt en naar de buren uitroept: “Eindelijk!” Of “wat een prachtige dag wordt het hè?” Nee dat soort was het niet. Het was meer, zoals een kuiken uit het nest wordt gegooid. En nu op eigen vleugels het leven in. Je dondert wel naar beneden, maar voordat je de grond raakt, zeil je weg. Je had meer in je, dan je eerder dacht. Zo lang je ouders leven, blijf je toch kind. En vergelijk je je met wat zij vinden en zeiden, je zet je er tegen af, je vecht ertegen, of je voldoet eraan. Wilt de zoon zijn die zij in je zien. Of juist opzichtig niet. Een deel van jezelf blijft  in elkaar gefrommeld zitten. Toch.

Je merkt het pas, als ze er niet meer zijn. Ik hoef nergens meer aan te voldoen, ze kijken niet meer.

Maar ik kan hen ook niet meer om raad vragen. Of hoe het nou zat, vroeger. Wat mijn eerste stapjes waren. Ook dat is voorbij. Het heden strekt zich uit.

1334692621_Loejse Kaart Het Leven is Een Feest 1

Aan mij òf ik ga vliegen. En hóe ik dat ga doen. Ik vond het wel mooi, die ontwikkeling. “Fantoompijn” heb ik niet gekend. Toen mijn ouders leefden, was het goed

. Toen zij er niet meer waren, was het op een andere manier goed. En allebei paste, op dat moment, op die manier. Ik ging staan.

Het is deel van het leven. Dat je meer en meer gedwongen wordt op je eigen voeten te gaan staan en vanuit je eigen innerlijk te gaan leven. Geen steun meer van buiten.  Met G’d verging het mij al evenzo. Dat is lastig en prachtig tegelijk.

Toen ik een kind was, was G’d altijd bij mij. Ik kon gaan slapen, want G’d hield de wacht. Ik kon naar school, want G’d lette op. Hoe ik dat dacht met auto’s en verkeer, weet ik niet. IK dacht er niet over na, volgens mij. Hij was er bij. Mij zou niets gebeuren.

Toen ik zeven was, werd ik door een auto aangereden.

Dit verloor ik: dat G’d voor veiligheid zorgt. Dit behield ik: dat G’d mij de weg zou wijzen. Ik zou een teken ontvangen, merken, of ontdekken wat mijn weg zou zijn. “Zolang”, want ja dat hoorde er wel bij: “zolang ik deed wat Hij van mij vroeg.” En ja, helaas. Dat vragen stroomde al gauw, als water, naar het laagste punt: mijn schaamte en mijn verborgenheid. Ik leerde vertrouwen. Maar ik leerde ook angst. Als ik maar niet toegaf aan… Als ik maar..

En toen werd ik verliefd op een jongen. Ik was 24. Tsjonge wat werd het een onoprecht, verwrongen, verborgen gedoe. G’d zou er vast iets van vinden. En positief zou het niet zijn. Mijn schaamte keerde zich binnenstebuiten. En G’d? G’d werd een last.

Na hun dood werden mijn ouders opnieuw geboren. Niet in een andere wereld, dat misschien ook, ik weet daar niet zo veel van. Ze werden allereerst geboren in mij: als vrijheid. Ik had alles meegekregen wat nodig was. Zelfs als ik vond, dat ik niet het juiste had meegekregen, moest ik het hier toch maar mee doen. Ik doe het er mee. Zij deden wat zij konden en het was goed. Nu doe ik wat ik kan.

Mijn grote verbazing was deze: bij het lezen van de Schriften zag ik, door de bijbelboeken heen, hoe G’d zich terugtrok. Hij blijft de mensen niet op hun nek zitten. Hij doet stappen achteruit. Laat het.

Is hij in het begin nog de Schepper van de mensen, en in die zin verantwoordelijk voor hun bestaan, het blijft niet zo. Stap voor stap, schok na schok, wordt Hij hun tegenover, hun verwoester, hun Knechter. Het lijkt wel de tienertijd van de mens, als je leest in Exodus, als je stilstaat in Leviticus. Wat de mensen allemaal niet moeten! En wat ze allemaal niet mogen! Ik vind de ogen terug van mijzelf, toen ik zestien was.

Maar het gaat verder: G’d die in de eerste boeken onbekommerd spreekt, wordt later vertegenwoordigd door engelen. Later zijn het profeten die spreken “namens”. Later is er de Zoon  die spreekt. G’d wordt ouder en verlaat het toneel.

Voor wie?

Voor de mensen.

Voor mij. “Gij zult”, spreekt de Heer: “grotere dingen doen, dan ik.” Daarbij gaat het niet over gekkigheid als het oppakken van slangen. Maar om dit: dat jij jouw leven vormt met de ingrediënten waarover je las.

“The bible is like a cookingbook”, zei een rabbijn en het sprak mij gelijk aan: “It writes how to cook chickensoup. But you must cook it.” Aan jou, hoe je het gaat doen.

Fantoompijn? Ik was er bang voor, ooit. Stel, dat G’d niet zo dichtbij is, als ik nu denk!

Maar ik leerde de angst loslaten, ik moest wel. Dit was de ontdekking: de pijn bleef uit. Ik vond het onthullend. Dat er zo veel vertrouwen aan mij is gegeven, dat mijn ouders konden sterven.

Dat G’d zich kon terugtrekken.

Advertenties

2 reacties op “Ik werd de gelovige die ik vroeger niet begreep. En ik ben gelukkig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s