Dankdag.

Op enkele plaatsen schijnt het echt wat te wezen: dankdag. De winkels gaan dicht, de scholen hebben vrij – het leven staat heel even stil.  Hier niet. Hier draait alles gewoon door. De meesten zullen niet eens weten, dat deze woensdag voor sommigen net even anders is. Dankdag is op onze dorpen verschrompeld tot een uur binnen de kerk.2013dankdag 165

Toch vind ik het nog altijd een mooie dag. De mensen die niet thuis blijven, maar bij elkaar komen. De vrijheid van de kerkdienst: op zondag ‘hoef’ je al niet naar de kerk, maar op woensdagavond kom je al helemaal niet omdat het ‘moet’.  Je wilt hier nu zijn. Samen maak je een open plek, een doorbreking van het gewone. Je wandelt door een dicht begroeid bos. Het licht valt nauwelijks zichtbaar nog op de grond. Je komt in een open ruimte en ziet dat er veel en veel meer licht is dan je had beseft. Op dankdag maken we contact met wat ons draagt. Wat is de energie waarop wij gaan?

Verbluft blijf je achter na momenten, waarop iets doorbrak. Je rijdt naar huis: links en rechts van de weg strekken weilanden zich uit zo ver het ook maar reikt. Spreeuwen duiken vliegend op. Niet één of twee, maar duizend, drieduizend, vijfduizend. Ze vormen een wolk tegen de lucht, blazen zich op, krimpen ineen, vormen een trechter, draaien zich om en beginnen hun dans opnieuw. Zomaar boven jou. Je wordt opgenomen in een werkelijkheid, veel groter dan je had verwacht.

Dankdag wil je terugbrengen naar die ervaring. En hem bij je bewaren. Zodat je het leven zult omarmen, met alle kracht die in je is.

Het mooiste bewaart deze dag echter voor het moment waarop je weer naar huis loopt. “Wat met mensen die het niet zo met het leven hebben getroffen?”, denk je. “Waar moeten mensen voor danken die onrechtvaardig worden behandeld? Vluchtelingen? De honderdduizenden die vandaag niet te eten hadden?”

Stilstaan bij het leven brengt je dankbaarheid. En onrust. Beide stuwen je verder.

De neiging om dingen te verkloten.

Of ik wel eens theologie lees, vroeg iemand. Ik geef toe: theologie om de theologie is niet helemaal mijn liefhebberij. Theologie ontdekken, waar die niet direkt is bedoelt fascineert mij meer. G’d tegenkomen, zoals een oude bekende op een onverwachte plek, dat is het leukste. Maar soms treft Hij je op een bedoelde plek.

Onverwacht kreeg ik “Dit is geen verdediging!” in handen. Het is wel vaker zo, en ook nu: de Engelse titel is leuker: “Unapologetic”. Totaal onvertaalbaar. “Dit heeft geen verdediging nodig”, zou je ook kunnen zeggen. Of “Ik ga geen sorry zeggen!” Francis Spufford is de schrijver. En hij bedacht er een negentiende-eeuwse fantastisch lange ondertitel bij: “Waarom het christendom, ondanks alles, verrassend veel emotionele diepgang heeft.”

Wel eens een hardloper uit zijn startblok zien schieten? Zo knalt het boek weg. Drie bladzijden lang somt Spufford alle bezwaren op die je tegen het Christelijk geloof kunt aandragen. Zijn zesjarig dochtertje zal ze de komende jaren allemaal horen, in steeds toenemende geluidssterkte. Het varieert van: geloof is achterhaalde onzin, naar “geloof is onverdraagzaam”, langs “God is een bewezen onmogelijkheid” tot: “gelovigen zijn stumperds die de werkelijkheid niet aandurven en er daarom uit wegvluchten.” Je zou zeggen, na dit spervuur van verwijten en bezwaren is er geen enkele ruimte meer om nog iets aardigs over geloven te zeggen. Het ligt nu toch op z’n minst morsdood op de grond, zou je denken.

Maar nee: de race mag dan al begonnen zijn, voor Spufford is het nu pas tijd voor het startschot: voor hem is het christelijk geloof een mogelijkheid om de werkelijkheid juist scherp te zien. En die mogelijkheid is deze: het christelijk geloof liegt niet over de ongelofelijke oelewapperigheid van mensen. En houdt tegelijk staande dat mensen geweldig en geliefd zijn.

Dat laatste zegt alle moderne spiritualiteit ook, schets Spufford. Dat wij goed zijn, wordt ons van alle kanten toegeroepen. Over eventuele andere kanten wordt gezwegen. Spufford noemt het “gevaarlijk optimisme”. Wie van zichzelf denkt dat hij alleen maar goed is, zal zijn donkere kanten voor zichzelf en voor anderen gaan verhullen. Hij ontkent zijn wezen en voelt zich aangevallen zodra door een of andere oorzaak zijn mindere kanten toch zichtbaar worden. “Onze samenleving”, zegt Spuford: “weet zich geen raad met het kwaad, omdat zij niet gelooft dat mensen – ondanks hun geklungel, toch geliefd zijn.

“Mijn neiging om de dingen te verkloten” noemt Spufford het. Hij wil breken met de oude termen, omdat mensen die niet meer verstaan. Bij ‘zonde’ denken mensen aan seks op het verkeerde moment met de verkeerde persoon, of aan een ijsje met te veel calorieën, of in elk geval horen ze er een afwijzing in van alles wat leuk, spannend en lekker is. “Daar gaat het niet om”, reageert Spufford.

Waar gaat het dan wel om? De schrijver landt hier op de meest ontroerende bladzijden van zijn boek: hij vertelt hoe hij zijn vrouw verraden heeft. Zij is woest op hem. En hij op haar. Want als zij niet…. dan zou hij niet…. Ruzies die steeds weer opnieuw beginnen en die nergens eindigen en nergens naar toe gaan. Ze verwoesten alles wat er was en alles wat er nog zou kunnen komen. Direkt na één van dergelijke explosies van woede gaat Spufford ergens koffiedrinken. En terwijl een zwarte wolk van schade om hem heen hangt, prikken daar ineens de tonen van een Adagio van Mozart dwars doorheen. De schoonheid van het stuk, de onverwachtheid ervan, dringen tot hem door als stralen licht. Liefde zoekt hem. En in die liefde durft Spufford te erkennen: ik heb de dingen verkloot.

“G’d”, zegt Spufford verderop: “haalt dit truukje iedere keer weer uit.”

De bladzijden komen eigenlijk te vroeg. Er volgen nog taaie hoofdstukken over godsbewijzen, hoewel hij helemaal niet wou bewijzen dat G’d wel of niet bestond. Spufford zegt zinnige dingen, maar hij drinkt hier duidelijk uit een rustiger kopje koffie dan toen hij het Adagio hoorde. Er volgt een nòg taaier stuk over Jezus. Ik biecht het maar op: hier sloeg ik hele bladzijden over.

Het einde van het boek maakt weer veel, heel veel goed. Hij zegt daarin: de kerk is de kring waarin wij elkaars ‘verkloot” aanvaarden, zoals G’d ons gekloot aanvaardt. Het is allemaal nog erg experimenteel. Elke generatie begint opnieuw. Maar het is de moeite meer dan waard.

Hij schildert hoe op zondagochtend na de kerkdienst wat oude vrouwen, een paar gezinnen en kinderen onwennig koffie staan te drinken met elkaar. “We zochten elkaar niet uit. We werden uitgezocht. Ons deelt Onze Neiging Om de Dingen te Verkloten.”

Je voelt je bij zijn beschrijving van een landelijke Anglicaanse kerkdienst als in een aflevering van “Midsummer murders”, met dat lieflijke landschap, de oude vriendelijke vrouwtjes en de stille dorpjes. Maar je weet: onder die uiterlijke schijn van goedheid grommelt het kwaad. En toch lijkt het je een heerlijke plek, daar in Midsummer.

 

Een vangnet rondom het geheim van de binnenkamer.

Hoe het met je is, vragen de mensen soms. Niet altijd is een antwoord mogelijk. Simpelweg, omdat je het zelf niet goed weet. De gebeurtenissen zijn te groot, te overrompelend, of te verwarrend; wat zou je er over móeten zeggen? Als iemand van de trap valt, heeft hij even tijd nodig, voordat hij beseft waar hij is en wat hij moet doen.

Onze sociale media dringen steeds dieper door tot ons persoonlijke leven. Hannah Arendt zei in háár tijd al, dat het persoonlijke steeds publieker werd. Zij zag de grenzen vervagen. Maar als er geen binnenkamer overbleef, waar vond je dan nog rust, ruimte en kracht?

Zelfs twitter en facebook vinden hun grenzen. Je kùnt niet alles delen.

In de geschiedenis van de weduwe, in de tweede geschiedenis, komen binnenwereld en buitenwereld voor. Ze worden van elkaar onderscheiden, ze communiceren heilzaam met elkaar en tegelijk worden ook de grenzen getrokken. “Ga naar je buren en vrienden”, raadt Elisa de vrouw aan. En ik breng je opnieuw in herinnering, dat deze vrouw in een benauwde situatie zit. Haar man is gestorven, haar kinderen dreigen te worden verkocht. Het verleden is afgesloten, de toekomst is dicht en zelfs het heden geeft geen ruimte. “Ga naar je vrienden”, zegt Elisa. Trek naar buiten. Zoek de mensen op die je welgezind zijn. “En durf van hen te vragen.”

Ik vind het ijzersterk. Ik word opgeroepen niet af te wachten wat de buitenwacht zal doen. Buitenwacht is buitenwacht. Die zal niets doen, zo lang je niet roept: “Hier ben ik, ik heb je nodig.” Hoeveel keren, had ik niet van mijn vrienden verwacht dat ze iets zouden doen? En hoeveel keren zwéég ik daarover, omdat ik vond “dat ze het wel moesten begrijpen?” Ze begrepen het niet. Of begrepen het wel, maar wilden zich niet opdringen. Ik bleef vol verwijten achter.

Wanneer ik op mijn vrienden afstap, verlaat ik mijn dode afhankelijkheid. Ik vind kracht. Het doorgaan doet mij doorgaan, in een variatie op indrukwekkende woorden van Anna Enquist. “En vráág van hen kruiken!” De vrouw gaat naar hen toe en zegt luid en duidelijk wat ze nodig heeft. Legt ze haar trots af? Haar schaamte? Ik zou die drempel wel overmoeten. Mij werd steeds geleerd dat ik mijn boontjes zelf moest doppen. Een ander had er niks bij nodig.

Wel. De ander is jouw vriend. Hij heeft jou iets te bieden, als je vraagt. De vrouw vraagt. Ik hoor met verwondering toe. En de vrienden? Die geven. Daar zijn het vrienden voor.

En daarna faze twee. Al even sterk als de eerste stap. Nadat de vrouw haar vrienden, buren en familie om hulp heeft gevraagd, sluit ze de deur van haar kamer. De vrienden hadden vast nog meer willen doen. En anders hadden ze wel willen weten, wat de vrouw nu precies met al die potten en pannen ging doen. Ze krijgen geen kans. De vrouw neemt hier zelf het voortouw. Ze doet de deur dicht. In het weten, dat de anderen mij welwillend zijn, ga ik zelf op pad. Sommige dingen moet ik alleen doen. En toch niet zonder de ander. Mijn innerlijk weet zich geborgen in de kring van mensen.

Soms vraagt iemand hoe het er mee is. Ik antwoord:  “Lief, dat je er naar vraagt. Dat is belangrijk voor mij. En toch laat ik het nu even zonder antwoord, goed?”

Dichtbij, maar niet te.

De Bijbel recyclet haar materiaal meer dan eens. Zoals een regisseur, die nog vertelruimte ziet in een film en daarom een remake maakt, zo worden sommige bijbelverhalen verteld, verteld en weer verteld. Vaak gaat het daarbij om oerfacetten van een mensenleven: liefde, sterven, geboren worden, zingeving, oorlog en vrede, wraak en boete, of – zoals in de verhalen van Elia en Elisa- kwetsbaarheid en kracht. De weduwe van Sarfat komen we twee maal tegen. Twee keer in de boeken van de Koningen. Elia deelt zijn leven met de weduwe en zij vindt bij hem een gevulde levenskruik. Elisa deelt zijn leven eveneens met haar, en opnieuw vindt zij een gevulde kruik. De weduwe in het bijzijn van Elia is bekender, maar – eerlijk is eerlijk- haar verhaal kent bij Elisa meer details. Meer beweging en herkenning.  “Van later tijd, dus”, zeggen dan de literatuurkundigen. “Dit is een sterk thema”, denk ik: “en er viel nog veel over te vertellen.”

Een weduwe is in de Schriften de mens die de ander nodig heeft om te kunnen leven. Daarin opent zij een waarheid over ons allemaal: niemand van ons leeft als er geen ander is. De olie in beide verhalen staat voor het stromen van het leven, denk ik. Zoals de wijn in Johannes 2. Of het brood in Marcus 6. Hoe gaat het leven weer stromen, als je klem zit? In het tweede verhaal heeft de weduwe niet alleen haar man verloren, maar zij dreigt ook haar beide zoons te verliezen. Haar heden is dood en haar toekomst lijkt gesloten. Méér knijp kun je niet zitten.

Elisa vraagt haar: “Wat hebt gij in huis?” In Marcus 6 valt dezelfde vraag: “Wat hebt ge, gaat het eens bezien.” Soms is de onmogelijkheid zó verpletterend, dat anderen je moeten vragen of er niet toch nog een draad van bestaan over is.  In het boek van de Koningen is de vraag nog gedetailleerder, trouwens. De profeet was begonnen met: “Wat kan ik voor u doen?” Maar daarna lijkt hij stil te vallen, bij zichzelf te raden te gaan, om de vraag te herformuleren tot: Wat hebt u zelf?”

Ik vind het een ontroerende wending. Twee zinnetjes. En een hele wereld gaat erin open. Natuurlijk wil je als buitenstaander, dat het de mensen van wie je houdt goed gaat. Je zou alles voor ze willen doen. Maar terwijl je dat doet, geef je hen de onbedoelde boodschap: “je kon het niet zelf. Je kunt het niet. Daarom doe ik het voor je.” Elisa valt bijna voor de verleiding de vrouw de regie af te nemen, maar hij herstelt zich en geeft haar haar kracht terug. “Wat heb je in huis?”

“Wat hebt u?”  “Broden en vissen”, zeggen de leerlingen in Marcus, “maar wat is dat nou helemaal!” “Een kruikje”, antwoordt de vrouw. En ze lijkt er  niet veel fiducie in te hebben. Elisa blijft bij haar. Hij zal garant zijn, dat het kruikje genoeg is.

Hoe vaak dacht ik, dat ik niet verder kon? Tientallen keren.  Het vertrouwen dat de mensen in mij stelden, gaf mij de innerlijke zekerheid, dat ik toch kon. Zij deden niets voor mij: het is mijn leven, tenslotte. Het tegelijk deden zij alles voor mij: ze gaven mijn leven aan mij terug. Door voor mij het gezicht van vertrouwen te zijn.

De weduwe is die het zonder de ander niet redt. Maar staat de ander naast haar, dan kan zij.

Dat verhaal is zó bijzonder. Dat wil je iedere keer wel opnieuw vertellen.