De neiging om dingen te verkloten.

Of ik wel eens theologie lees, vroeg iemand. Ik geef toe: theologie om de theologie is niet helemaal mijn liefhebberij. Theologie ontdekken, waar die niet direkt is bedoelt fascineert mij meer. G’d tegenkomen, zoals een oude bekende op een onverwachte plek, dat is het leukste. Maar soms treft Hij je op een bedoelde plek.

Onverwacht kreeg ik “Dit is geen verdediging!” in handen. Het is wel vaker zo, en ook nu: de Engelse titel is leuker: “Unapologetic”. Totaal onvertaalbaar. “Dit heeft geen verdediging nodig”, zou je ook kunnen zeggen. Of “Ik ga geen sorry zeggen!” Francis Spufford is de schrijver. En hij bedacht er een negentiende-eeuwse fantastisch lange ondertitel bij: “Waarom het christendom, ondanks alles, verrassend veel emotionele diepgang heeft.”

Wel eens een hardloper uit zijn startblok zien schieten? Zo knalt het boek weg. Drie bladzijden lang somt Spufford alle bezwaren op die je tegen het Christelijk geloof kunt aandragen. Zijn zesjarig dochtertje zal ze de komende jaren allemaal horen, in steeds toenemende geluidssterkte. Het varieert van: geloof is achterhaalde onzin, naar “geloof is onverdraagzaam”, langs “God is een bewezen onmogelijkheid” tot: “gelovigen zijn stumperds die de werkelijkheid niet aandurven en er daarom uit wegvluchten.” Je zou zeggen, na dit spervuur van verwijten en bezwaren is er geen enkele ruimte meer om nog iets aardigs over geloven te zeggen. Het ligt nu toch op z’n minst morsdood op de grond, zou je denken.

Maar nee: de race mag dan al begonnen zijn, voor Spufford is het nu pas tijd voor het startschot: voor hem is het christelijk geloof een mogelijkheid om de werkelijkheid juist scherp te zien. En die mogelijkheid is deze: het christelijk geloof liegt niet over de ongelofelijke oelewapperigheid van mensen. En houdt tegelijk staande dat mensen geweldig en geliefd zijn.

Dat laatste zegt alle moderne spiritualiteit ook, schets Spufford. Dat wij goed zijn, wordt ons van alle kanten toegeroepen. Over eventuele andere kanten wordt gezwegen. Spufford noemt het “gevaarlijk optimisme”. Wie van zichzelf denkt dat hij alleen maar goed is, zal zijn donkere kanten voor zichzelf en voor anderen gaan verhullen. Hij ontkent zijn wezen en voelt zich aangevallen zodra door een of andere oorzaak zijn mindere kanten toch zichtbaar worden. “Onze samenleving”, zegt Spuford: “weet zich geen raad met het kwaad, omdat zij niet gelooft dat mensen – ondanks hun geklungel, toch geliefd zijn.

“Mijn neiging om de dingen te verkloten” noemt Spufford het. Hij wil breken met de oude termen, omdat mensen die niet meer verstaan. Bij ‘zonde’ denken mensen aan seks op het verkeerde moment met de verkeerde persoon, of aan een ijsje met te veel calorieën, of in elk geval horen ze er een afwijzing in van alles wat leuk, spannend en lekker is. “Daar gaat het niet om”, reageert Spufford.

Waar gaat het dan wel om? De schrijver landt hier op de meest ontroerende bladzijden van zijn boek: hij vertelt hoe hij zijn vrouw verraden heeft. Zij is woest op hem. En hij op haar. Want als zij niet…. dan zou hij niet…. Ruzies die steeds weer opnieuw beginnen en die nergens eindigen en nergens naar toe gaan. Ze verwoesten alles wat er was en alles wat er nog zou kunnen komen. Direkt na één van dergelijke explosies van woede gaat Spufford ergens koffiedrinken. En terwijl een zwarte wolk van schade om hem heen hangt, prikken daar ineens de tonen van een Adagio van Mozart dwars doorheen. De schoonheid van het stuk, de onverwachtheid ervan, dringen tot hem door als stralen licht. Liefde zoekt hem. En in die liefde durft Spufford te erkennen: ik heb de dingen verkloot.

“G’d”, zegt Spufford verderop: “haalt dit truukje iedere keer weer uit.”

De bladzijden komen eigenlijk te vroeg. Er volgen nog taaie hoofdstukken over godsbewijzen, hoewel hij helemaal niet wou bewijzen dat G’d wel of niet bestond. Spufford zegt zinnige dingen, maar hij drinkt hier duidelijk uit een rustiger kopje koffie dan toen hij het Adagio hoorde. Er volgt een nòg taaier stuk over Jezus. Ik biecht het maar op: hier sloeg ik hele bladzijden over.

Het einde van het boek maakt weer veel, heel veel goed. Hij zegt daarin: de kerk is de kring waarin wij elkaars ‘verkloot” aanvaarden, zoals G’d ons gekloot aanvaardt. Het is allemaal nog erg experimenteel. Elke generatie begint opnieuw. Maar het is de moeite meer dan waard.

Hij schildert hoe op zondagochtend na de kerkdienst wat oude vrouwen, een paar gezinnen en kinderen onwennig koffie staan te drinken met elkaar. “We zochten elkaar niet uit. We werden uitgezocht. Ons deelt Onze Neiging Om de Dingen te Verkloten.”

Je voelt je bij zijn beschrijving van een landelijke Anglicaanse kerkdienst als in een aflevering van “Midsummer murders”, met dat lieflijke landschap, de oude vriendelijke vrouwtjes en de stille dorpjes. Maar je weet: onder die uiterlijke schijn van goedheid grommelt het kwaad. En toch lijkt het je een heerlijke plek, daar in Midsummer.

 

Advertenties

Eén reactie op “De neiging om dingen te verkloten.

  1. Hoi Sybrand,
    Ja, wat een geweldig boek is dit! Wat mij betreft het beste evangelisatiemateriaal sinds tijden.
    Met een hartelijke groet,
    Pieter

Laat een reactie achter op Pieter J. Huiser Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s