Verzengende liefde om niet te verdrinken.

We zongen het Zonnelied, het was rond 4 oktober. Ik wist niet veel van het Zonnelied, behalve dat het geschreven is door Franciscus van Assisi, die ‘arme dwaas Gods”. Veelvuldig duikt in de verhalen over hem zijn speelsheid op, zijn naïviteit. Hij lijkt soms een groot kind dat welgemoed aan elke bloem ruikt en er de geur van diep tot zich door laat dringen. Hij preekte voor de vissen en hij zong voor de bomen. Een bloemenkind.

Zo is ook zijn lied. En zo heb ik het altijd gezongen. Als van één die de wereld vertrouwt en als zijn vriend beschouwd. “Broeder zon”, zingt hij en “zuster maan”, ‘moeder aarde”, en zelfs “broeder dood”. Sommige mensen hebben de gave om onder alle omstandigheden open te blijven en hartelijk.

Wat schrijft nu Kees Waayman? Dat Franciscus dit lied helemaal niet huppelend heeft geschreven. Ik viel er even stil van. De man was 42, aan het eind van zijn leven. Zijn roeping had hem uitgeteerd en teleurgesteld. Hij had ruzie met zijn broeders die zijn hoge idealen niet hadden begrepen, vond hij. Hij was zoals hij begon: eenzaam en naakt. En toch wilde hij zijn verdraaide roeping blijven omarmen.

In de boekenkast van mijn ouders stonden een aantal boekjes van Simons Carmiggelt. Eén daarvan heette “Fluiten in het donker”. Verhalen vol melancholie van een drankzuchtige, romantische ziel. Geen idee of Carmiggelt drankzuchtig was. Ik dacht dat zo: iemand die zoveel treurigheid van het leven in ademt, om vervolgens zoveel verlangen en melancholie uit te ademen, die moest wel een buffer tussen die twee hebben. Of een brug. Drank, of een grote liefde. Die liefde buiten alle grenzen was er, bleek later uit een nogal genant boekje van Renate Rubinstein. Genant, omdat het zo intiem was. Zij was zijn fluiten in het donker.

Franciscus floot een lied. Over zijn grote liefde. Zijn grenzeloze, alles overkomende liefde. Hij ging er aan onderdoor. Maar hij leefde er ook uit. Als hij er aan onderdoor ging, zijn depressies, zijn teleurstellingen, dan leefde hij er uit. En als hij er uit leefde, bleef hij op weg.  Zonder de liefde zou hij uitgeleverd zijn aan zijn duister. Maar hij moest wel blijven zingen. Hij moest zingen om het zich weer te herinneren: geen duister is tegen een liedje bestand.

Vaak heb ik gedacht, Rubinstein heeft ervoor gezorgd dat Carmiggelt niet te gronde ging. Ze hield hem aan zijn regenjas vast.

Zoiets heeft G’d nu ook gedaan met deze “arme dwaas”.

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s