Zonder de ander valt er een stilte.

Jeroen Willems zag ik pas, toen hij al niet meer leefde. Hij speelde een verpletterende eenzaamheid. Je kon je niet indenken, dat zijn personage naar een ander verlangde. Wel dat de anderen naar hèm zouden verlangen. Gesloten mensen oefenen een enorme aantrekkingskracht uit. De omstanders, wij, kunnen blijkbaar met hun eenling-zijn niet leven.

Afbeelding_10

Ik zag hem niet in de film “Boven is het stil”. Het meeste van alles gaat aan je voorbij. Het origineel, een boek, is van Gerbrand Bakker. Dat boek las ik wel. Als een hoopgevend lichtpuntje van beschaving in mijn verder slechts matig ontgonnen landschap. Hij vertelt hierin de klassieke mythe van de gebroken helften die elkaar blijven zoeken. Zo verdichtten de oude Grieken ons bloedend hart: ooit was elk van ons met een ander één geheel. We rolden in die oertijd als wielen door het bestaan: rond en gelukkig. Maar we braken (ook de kinderen van Israël verwoorden een breuk!) en sindsdien rollen we niet meer. We strompelen door de velden. Op zoek naar de helft die bij ons hoort.

In loepzuivere zinnen etst Bakker het strompelen van Helmer in je ziel. Bakkers pen schrijft de winterkou om jou heen, als hij vertelt hoe Helmer de bomen knot. Je hoort hoe hij zijn door vorst bevangen neus ophaalt. Bakker zit zijn acteur dicht op de huid. Helmer is de man op wie het verhaal rust. Of misschien ook wel niet: en rust het eigenlijk op de ontbrekende figuur. Er ontbreekt iemand hartverscheurend. En het is zelfs mogelijk, dat het verhaal ook niet op hem, de verlorene, rust: het verhaal rust op het roepen naar wie ontbreekt. En wat een gat dat missen in je leven slaat. Het verlangen probeert het liefdevol, maar onbeholpen, te dichten. Het gemis blijft open staan. Tot in de laatste regel. Daar vindt  Helmer – nee, Helmer vindt niets, het wordt aan hem gevonden: daar vindt een stukje wiel hèm. Ze ademen samen.

Bakker laat het meeste ongezegd. En toch zou ik je de boerderij kunnen tekenen, waarin alles zich afspeelt. De twee ezels in de stal, de knotwilgen voor het huis, de vader boven op zolder. Hij had Helmers eenzaamheid kunnen verzachten, die vader. Als hij en zijn zoon elkaar verstaan hadden. Ze hadden elkaar opgesloten in de beelden die zij van elkaar hadden. Helmer dacht dat zijn vader een strenge rotzak was. Dat was hij óók, maar hij was nog zoveel meer. De vader dacht dat Helmer een halfzacht ei met homo-erotische trekken had. Dat leek misschien zo, het was slechts een deel van de waarheid. De broer die ontbreekt lijkt hun eigen kijken te hebben verstard. Ze zien elkaar niet meer. “Het lijkt hier 1969 wel”, zegt een jonge kanovaarder tegen zijn compaan als zij voorbij het huis varen. Argeloosheid had niet feller waar kunnen zijn.

Ik las het boek en het was of aan mij een broer ontbrak – wat niet zo is en toch ook wel. Ik dacht: houd dat gemis dan nooit op?

Nee.

Totdat we dood zijn. Dan missen we niks meer. En verlangen we niks meer.

Maar verlangen de andere naar ons. Zijn we zelf een personage van Jeroen Willems geworden.

Over: Boven is het stil, roman van Gerbrand Bakker

Advertenties

Eén reactie op “Zonder de ander valt er een stilte.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s